Beurzen beperken: (g)een goed idee?

Open Studios (c) Eva Donckers

Het nieuwe Kunstendecreet wijzigt het systeem van de beurzen voor kunstenaars: vanaf 2022 kunnen zij een ‘beurs opkomend talent’ of een ‘beurs bewezen talent’ aanvragen.

Ook ligt er een voorstel op tafel om een limiet in te voeren op het aantal beurzen dat een kunstenaar tijdens de hele loopbaan kan aanvragen, met een plafond van 40.000 euro: hoogstens twee beurzen ‘opkomend talent’ van 5.000 euro en drie beurzen ‘bewezen talent’ van 10.000 euro.

Of dat voorstel het zal halen, is nog voer voor discussie. In hoeverre spoort het bijvoorbeeld met de Visienota Kunsten (maart 2020), waarin de minister zich engageert om de individuele kunstenaar te versterken, evenals de disciplines beeldende kunst en fotografie? 

Om dat debat te onderbouwen vanuit de recente praktijk, dook Kunstenpunt in de cijfers. We analyseerden het aantal toegekende beurzen en de courante bedragen tussen 2001 en 2018. Hoeveel beursgeld ontvingen kunstenaars? En in welke fase van hun loopbaan gebeurde dat?

Wat vertellen onze statistieken?

Een paar conclusies uit onze cijfers:

  • Beurzen blijken voor beeldend kunstenaars een even noodzakelijke steun als projectsubsidies. Tussen 2006 en 2018 werden er aan deze groep bijna 900 beurzen toegekend, en ook iets meer dan 900 projecten. 
  • Beurzen gaan vooral naar kunstenaars tussen 29 en 38 jaar oud. Onder de leeftijd van 24 zijn er nauwelijks aanvragen noch toekenningen. Na de leeftijd van 45 jaar daalt het aantal toekenningen. Dat suggereert dat beurzen lange tijd noodzakelijk blijven.
  • Kunstenaars ontvangen tijdens hun loopbaan gemiddeld vier beurzen, en een substantieel aandeel ontvangt er vijf tot tien. Kunstenaars die meer dan vier beurzen toegekend krijgen, zijn vaak de (internationaal) erkende kunstenaars: ze kiezen voor een beurs op verschillende momenten in hun loopbaan, vaak enkele jaren na elkaar.
  • Beursbedragen stijgen met de leeftijd: het gemiddelde bedrag bij starters is 5.000 euro, oplopend tot gemiddeld 15.000 euro per toegekende beurs bij kunstenaars boven 35 jaar. Als je de verschillende beurzen per kunstenaar optelt, bedraagt dat totaal gemiddeld 33.000 euro, met een substantieel aandeel kunstenaars die tijdens hun loopbaan 60.000 euro of meer aan beurzen ontvangen. 

Bekijk hieronder enkele grafieken. Download de pdf onderaan deze pagina voor een uitgebreidere context en analyse.

We proberen hier content te tonen van Tableau.

Kunsten.be gebruikt minimale cookies. Om inhoud te zien die afkomstig is van een externe site, kan die site bijkomende cookies plaatsen. Door de inhoud te bekijken, aanvaard je deze externe cookies.
Lees meer over onze privacy policy.

Een kunstpraktijk ontwikkelen is een levenslang proces

Met een beurs kopen kunstenaars vooral tijd om hun praktijk te ontwikkelen en te verdiepen, en om nieuw werk te maken dat nog niet in een concreet project gegoten kan worden. Dat is een levenslang proces, waaraan kunstenaars met regelmaat behoefte hebben.

Wanneer precies, daar valt moeilijk een lijn in te trekken: dat verschilt van kunstenaar tot kunstenaar en van praktijk tot praktijk. Een loopbaan is ook geen rechtlijnig proces. Omdat beeldend kunstenaars vaak alleen werken, neemt de opstart soms meerdere jaren in beslag. En ook bevestigd talent moet zich regelmatig kunnen heruitvinden, zonder dat het die investering noodzakelijk zelf kan financieren.

Een kleine internationale benchmark bevestigt minister Jambons analyse in de Visienota Kunsten dat beeldende kunst en fotografie ‘ondergesneeuwd’ zijn. De beschikbare totaalbedragen voor beurzen aan beeldend kunstenaars liggen in Vlaanderen ongeveer 40 à 50% onder de bedragen die bijvoorbeeld in Nederland (2.033.000 euro) of in Denemarken (2.440.000 euro) jaarlijks ter beschikking worden gesteld. Beurzen spelen er een belangrijke rol naast projectsubsidies: 1.292.000 euro in Nederland en 3.210.000 euro in Denemarken.

Verregaande gevolgen

Als de voorliggende forfaitaire beursbedragen en de limiet van aantal beurzen per kunstenaar daadwerkelijk verankerd worden in het nieuwe Kunstendecreet, dan zouden zij – zeker voor beeldend kunstenaars – verregaande gevolgen kunnen hebben.

  • De levenslange ontwikkeling van erkende oeuvres van kunstenaars steunt vaak op meerdere beurzen, tijdens opeenvolgende jaren: een herdenking van het beurzensysteem moet daarmee rekening houden.
  • Het totale beursbedrag dat beeldend kunstenaars nu ontvangen op basis van de onderzochte cijfers, kan in vele gevallen oplopen tot 60.000 euro, terwijl het huidige voorstel de grens op 40.000 euro legt. Dat is een aanzienlijke daling, terwijl de globale levenskosten net gestegen zijn. Ook de beursbedragen slinken: waar een gemiddeld beursbedrag voor een kunstenaar van 35 jaar tot nog toe 15.000 euro bedroeg, mikt het voorstel op 10.000 euro op jaarbasis. Tenslotte zien we dat de toegekende bedragen verschillen, afhankelijk van de noden van kunstenaars.
  • De beperking in beurzen tijdens de hele loopbaan kan niet opgevangen worden door projecten. Die laatste hebben een andere, meer resultaatgerichte finaliteit, terwijl beurzen open blijven voor experiment en risico. Voor beeldend kunstenaars zijn beide vormen van steun van even groot belang: beurzen worden afgewisseld met projecten.
  • De beurs ‘opkomend talent’ is een goede zaak, zolang het selectiecriterium niet gestoeld zal zijn op al meerdere aantoonbare projecten en tentoonstellingen: startende kunstenaars hebben die immers nog niet.
  • Meer algemeen stelt zich de vraag hoe de onderfinancering uit het verleden kan gecorrigeerd worden bij het vastleggen van die enveloppe waarmee de beoordelingscommissies die samengesteld zijn per kunstdiscipline zullen werken.

Meer weten?

Lees het artikel met alle cijfers en de diepgaande analyse.