Ondernemerschap
Dit woord roept in de kunstensector vaak weerstand op. Kunstenaars en kunstwerkers willen hun activiteiten niet in economische modellen uitgedrukt zien, al hebben ze wel middelen nodig om te werken. De aandacht die gaat naar het zoeken, vinden en beheren ervan wordt vaak gezien als een noodzakelijk kwaad. Misschien is het tijd voor een nieuwe kijk?
1. Strike a pose: ondernemen als houding
Die andere benadering vinden we in het onderzoek Ondernemen in Cultuur. Een beschrijvend, praktijkgericht onderzoek naar werken en ondernemen in en financieren van de Vlaamse cultuursector, begin 2019 uitgevoerd in opdracht van Cultuurloket. Op basis van een literatuurstudie bekijken de auteurs van Universiteit Antwerpen en IDEA Consult ‘ondernemen’ door een ruimere dan een puur economische bril, namelijk als een attitude. Dit concept blijkt herkenbaar voor de talrijke culturele en creatieve respondenten van de online bevraging. Van de 1054 respondenten (zowel individuen als medewerkers van een organisatie) vulden iets meer dan de helft alle vragen in. Uit dit onderzoek leren we dat de cultuursector ondernemender is dan algemeen gedacht.
1.1. Wat is cultureel ondernemerschap?
In het rapport lezen we dat academici er verschillende opvattingen op nahouden. Het onderzoek focust voornamelijk op twee specifieke omschrijvingen van ondernemerschap: ‘ambidexterity’ en ‘effectuation’. We lichten ze kort toe zonder veel jargon te gebruiken.
Ambidexterity
Dit concept – letterlijk vertaald: tweehandigheid – ziet ondernemerschap als het vermogen om een goede balans te vinden tussen exploratie en exploitatie. Exploratie is de inspanning voor ontwikkeling en vernieuwing, terwijl exploitatie gericht is op het verfijnen en versterken van de bestaande werking. Beide elementen zijn nodig voor de continuïteit en vragen daarom allebei aandacht en middelen. Deze balans kan dynamisch zijn; in de ontwikkeling van een werking of praktijk kunnen periodes van exploratie en exploitatie elkaar opvolgen. Het is ook mogelijk om in het ene project aan exploitatie te werken en afwisselend daarmee aan de exploratie te werken voor de ontwikkeling van een nieuw idee.
Uit de gegevens blijkt dat respondenten meer de nadruk leggen op exploitatie dan op exploratie. Die druk is zorgwekkend. Bij gebrek aan exploratie dreigt een constante overlevingsmodus, waarbij men van opdracht naar opdracht leeft zonder zicht op het geheel of op de langere termijn.
Effectuation
In het Nederlands soms vertaald als aftastend ondernemen. Volgens deze visie op ondernemerschap werkt men met wat er al is aan kennis, middelen en contacten om experimenten op te zetten en die al doende, organisch, uit te werken. Verrassingen worden gezien als extra kansen waar men flexibel op inspeelt als ze kunnen bijdragen aan de realisatie van het project. Samenwerkingen gebeuren op tijdelijke basis, ad hoc en op maat. Met het oog op de realisatie van een project is men in beperkte mate bereid om berekende risico’s te nemen. Dit is een totaal andere benadering dan traditioneel projectbeheer dat op een causale logica gebaseerd is: een doel stellen en dat volgens plan realiseren met de hoogst mogelijke opbrengst.
De cultuur- en creatieve sectoren zijn sterk vernetwerkt en er wordt veel samengewerkt; weliswaar vaker door organisaties dan individuele praktijken. De samenwerkingen situeren zich vooral binnen de eigen sector en minder met andere maatschappelijke of economische sectoren. De auteurs zien hier nog nieuwe kansen.
1.2. Specifieke visie
Beide concepten tonen dat ‘ondernemerschap als houding’ een dynamische notie is, die zich niet beperkt tot de eigenaar van een vennootschap. Ook kunstenaars, medewerkers en vrijwilligers van een vzw meten zich deze houding aan. In deze benadering gaat het trouwens ook niet alleen over de financiële kant van ondernemerschap en spelen kennis, ervaring, samenwerkingen en netwerken een belangrijke rol. De onderzoekers stellen vast dat het ondernemend gedrag om kansen in de omgeving te zoeken, te vinden en te benutten zeer gelijkend is over alle culturele en creatieve sectoren heen. Er werd ook weinig verschil vastgesteld tussen de ondernemende attitude in organisaties en in praktijken van individuen in de sectoren.
Verrassend genoeg blijkt de zin voor ondernemen in alle subsectoren van de diverse Vlaamse cultuursector even groot. Hoewel een individuele beeldend kunstenaar voor de ontwikkeling van een eigen praktijk helemaal anders tewerk zal gaan dan een museum, een mode-ontwerper of een sociaal-cultureel project, loopt hun ondernemersattitude behoorlijk gelijk.
https://www.cultuurloket.be/sites/default/files/2019-06/rapport_ondernemenincultuur.pdf
Gevraagd naar de belangrijkste doelstelling zetten organisaties hoge kwaliteit op de eerste plaats en kiezen individuen voor het ontwikkelen van de eigen praktijk. Financiële doelstellingen komen daarna pas. Dit is een punt van onderscheid met een traditionele economische context en de bevestiging van de sterke intrinsieke motivatie van cultuurwerkers.
Het onderzoek benoemt ook de factoren die een beperkende rol spelen: de moeilijke toegang tot financiering, administratieve verplichtingen, gebrek aan zakelijke en juridische kennis en de kleine Vlaamse ‘markt’. Omgaan met deze factoren vraagt een continu leerproces. Een beschrijving van dit proces komt aan bod in het lemma Zich organiseren.
1.3 Al doende levenslang leren
Leren kent een dynamisch verloop waarin elke ervaring bewust of onbewust een leerervaring kan zijn. Door observatie of samenwerking leren mensen van elkaar en uit de praktijk. Intuïtieve praktijkervaring kan geëxpliciteerd worden: uitgedrukt via tekst, beeld, geluid wordt iets wat je eigenlijk al wist bewuste kennis. Deze kan in een aangepaste omgeving onderling uitgewisseld en gecombineerd worden. Nieuwe inzichten krijgen en die vervolgens ook eigen maken, verwerken en toepassen leidt tot verandering.
Opleidingen en bijscholingen zijn meestal gericht op het verwerven van bepaalde persoonlijke vaardigheden: strategisch denken, netwerking, leiderschap, financiële analyse, personeelszaken… Theoretische inzichten dienen alsnog in de praktijk gebracht te worden. Dit is vaak geen individueel traject, maar een samenwerking met anderen: collega’s of partners. De vraag is dan of verandering ook voor hen een prioriteit is. Het in de praktijk brengen van nieuwe vaardigheden botst dan op weerstand of vraagt meer tijd.
Het denkkader van Dave Snowden kan ons extra aanknopingspunten bieden. Naast het in de organisatiekunde gekende onderscheid tussen geordende en chaotische systemen, plaats hij een derde: complex adaptive system. Geïnspireerd door kennis uit de chemie en de biologie beschrijft hij hoe individuen en groepen in zo’n systeem samen evolueren en tegelijk het systeem zelf veranderen. Co-evolution verloopt zelden lineair of causaal: hindsight does not necessarily lead to foresight. Een complex adaptive system maakt binnen bepaalde grenzen een veilige experimenteerruimte voor leer- en werkprocessen in de richting van de doelen die het zichzelf stelt, al zoekt het daarbij soms bewust niet naar evenwicht.
Kenmerken die hij beschrijft, bijvoorbeeld dat veranderingen onverwacht en plots kunnen ontstaan, dat kleine aanpassingen grote gevolgen kunnen hebben, dat het geheel nooit gelijk, maar groter of kleiner dan de som van de delen kan zijn, klinken iedereen die ooit betrokken was in een artistieke creatieproces bekend in de oren.
Aftastend ondernemerschap kunnen we in dit kader plaatsen, omdat het vertrekt van de middelen die er al zijn. Dit fundament geeft houvast bij de organische ontwikkeling van nieuwe vaardigheden binnen artistieke experimenten en trajecten. Hierbij kan men ook aandacht besteden aan het evenwicht tussen exploratie en exploitatie. Al doende leren is per definitie sociaal leren. In de arbeidsintensieve kunstensector is de uitkomst daarvan ook, naast de gerealiseerde output, meer vakkennis en vernieuwing.
2. Financiële structuren in de kunsten: de case van organisaties met werkingssubsidies Kunstendecreet
Deze tekst zoomt in op de financiële kant van ondernemerschap in de kunstensector. Welke middelen gebruikt men om te werken? En welke kosten houdt dit werk in?
Meer bepaald analyseren we de opbrengsten- en kostenstructuur van kunstenorganisaties met werkingssubsidies van het Kunstendecreet.
De voornaamste reden van deze focus is beschikbaarheid van data. Een vzw die werkingssubsidies ontvangt, moet verantwoording afleggen aan de Vlaamse overheid: over de verwezenlijkte activiteiten, over de mensen die tewerkgesteld worden en over de boekhouding.
Dat laatste is specifiek een dubbele boekhouding. Dat geldt ook voor organisaties die — volgens de regels voor vzw’s — slechts een vereenvoudigde boekhouding hoeven neer te leggen bij de Nationale Bank van België.
De financiële structuren (de ‘ins’ en de ‘outs’) van deze groep van kunstenorganisaties zijn al jaren het onderwerp van onderzoek. Zie o.a. Leenknegt 2018a; Hesters 2013; Janssens en Moreels 2011; Marx 2009.
Onderstaande analyse kan je zien als de opvolger van genoemde studies. Hier ligt de focus op 2023-2024. Dit zijn de eerste jaren van de werkingssubsidieronde 2023-2027. Op het moment van schrijven beschikte Kunstenpunt nog niet over recentere data. Waar relevant, maken we vergelijkingen met cijfers over oudere subsidierondes.
De focus op topics is deels gestuurd door wat er in oudere analyses aan bod komt (m.a.w.: onderwerpen die al geruime tijd meegaan). Een ander deel is gestuurd door de vragen en kwesties die momenteel leven in kunstensector en het cultuurbeleid.
Deze analyse van Kunstenpunt kwam mede tot stand dankzij feedback en input van Cultuurloket, oKo, Prof. Dirk De Corte (Uantwerpen) en het Departement Cultuur, Jeugd en Media.
Een uitgebreide analyse van de vorige ronde 2017-2022 lees je in een oudere versie van deze tekst.
Lees de analyse van financiële structuren van kunstenorganisaties met werkingssubsidies 2017-2022
Voor inzichten over de inkomsten en uitgaven van individuele kunstenaars kan je terecht op een andere pagina van deze kenniswiki.
2.1 Gebruikte data
Kunstenpunt kreeg de geanalyseerde data ter beschikking van de Vlaamse overheid. Die gebruikt de financiële verantwoordingen (uit de zogenaamde ‘cijferbijlages’) van organisaties om de besteding van subsidies te controleren.
Dat de data voldoen voor controle door de overheid wil nog niet zeggen dat ze voldoen voor onderzoek. Voor bepaalde analyses zijn de beschikbare gegevens niet toereikend (bv. exacte berekeningen van hoeveel mensen tewerkgesteld worden door deze kunstenorganisaties). Aan de datakwaliteit kan Kunstenpunt weinig veranderen. Wel geven we door aan de overheid wat er wel en niet mogelijk is met de huidige gegevens.
Zoals in eerder onderzoek, zijn de gegevens uit de gerapporteerde boekhoudingen de bruikbaarste om een kwantitatieve inkijk te krijgen in hun zakelijke werking.
We schrijven ‘inkijk’ omdat de onderzochte resultatenrekeningen desondanks geen volledig zicht geven. Een deel van de kosten en opbrengsten van de artistieke activiteiten van deze organisaties wordt niet gevat door deze data. Bijvoorbeeld als er Tax Shelter mee gemoeid is.
Bijna alle 236 organisaties met werkingssubsidies zijn vertegenwoordigd (inclusief de kunstinstellingen). In 2023 ontbreken we data van één organisatie, in 2024 van vier organisaties. Kunstenpunt kan niet achterhalen wat de redenen voor deze lacunes zijn. Evenmin kunnen we verifiëren of de organisaties altijd volledig juist hebben gerapporteerd.
De meeste cijfers zijn gebaseerd op de gerapporteerde resultatenrekeningen (klassen 6 en 7). Specifiek gaat het over de jaarlijkse afrekeningen van 2023 en 2024.
De geanalyseerde bedragen hebben betrekking op dat deel van de organisatie dat met werkingssubsidies Kunstendecreet wordt ondersteund. Bij de meeste organisaties valt dat samen met de hele werking. Maar in een aantal gevallen niet. Denk bijvoorbeeld aan een cultuurhuis waarvan de artistieke werking maar een deel van het geheel is. Bij een viertal organisaties valt op dat men in 2023 bedragen rapporteert die betrekking hebben op de volledige werking. In 2024 rapporteren ze dan wel specifiek de artistieke werking. Omdat dit de analyses nauwelijks vertekent, filteren we ze niet weg.
Voor een berekening van de grootte van organisaties beroepen we ons op de gerapporteerde balansrekeningen (klassen 1 tot en met 5). Die gaan, in tegenstelling tot de bedragen uit de resultatenrekeningen, altijd over het geheel van de organisatie. (Bij het cultuurhuis in het voorbeeld wordt dan verwezen naar de volledige werking, niet alleen de artistieke deelwerking.)
Let wel: het kan zijn dat een bepaalde werking in de praktijk over meerdere officiële organisaties is gespreid. Bijvoorbeeld een werking die gesplitst is in twee aparte vzw’s. De balans zal in zo’n geval alleen gaan over de vzw die de Kunstendecreetsubsidies ontvangt.
2.2 Grootte van de organisaties
Het gros van de organisaties met werkingssubsidies Kunstendecreet is klein tot zeer klein. Toch als je hun jaarlijkse balanstotalen van 2023-24 vergelijkt met de officiële richtlijnen van de Europese Commissie over de grootte van ondernemingen:
- 60% van de onderzochte organisaties is een micro-vereniging (met een jaarlijks balanstotaal van minder dan 450.000 euro)
- 33% is een kleine vereniging (tussen 450.000 en 5 miljoen euro op de balans)
- 15 organisaties zijn middelgroot (tussen 5 en 25 miljoen euro op de balans)
- Alleen kunstinstelling Opera Ballet Vlaanderen (vóór de fusie met Antwerp Symphony Orchestra) is volgens deze richtlijnen een grote vereniging (meer dan 25 miljoen euro op de balans).
N.B.: deze indeling gebruikt de richtlijnen die gelden vanaf 1 januari 2024. Daarvoor lagen de drempelbedragen lager. In de oude indeling zouden iets meer organisaties als ‘groot’ worden bestempeld.
Maar zoals in de subsidieronde 2017-2022 is meer dan 9 op 10 kunstenorganisaties met werkingssubsidies micro tot klein. Dat ligt ook in het verlengde van ouder onderzoek naar ondernemingen in de bredere cultuursector (Van Andel, Demol en Schramme 2014).
Binnen de groep van micro- en kleine kunstenorganisaties is er dan nog eens diversiteit. De helft van deze groep van meer dan 200 organisaties heeft een jaarlijks balanstotaal onder de 260.000 euro. De kleinste bedragen liggen onder de 25.000 euro.
Bij de subsidieronde 2023-2027 werd voor het eerst een onderscheid gemaakt tussen vijf- en tienjarige ondersteuning. Samen met de kunstinstellingen en de organisaties met een specifieke kernopdracht (Kunstenpunt, VI.BE, Kunst in Huis, VAi) zijn er nu vier categorieën binnen de werkingssubsidies.
- De micro-organisaties zijn allemaal vijfjarig gesubsidieerd. Niet onlogisch, want een voldoende grote ‘schaal’ (weliswaar berekend op basis van het subsidiebedrag) was een criterium om in aanmerking te komen voor tienjarige ondersteuning.
- De meeste kleine organisaties hebben ook vijfjarige subsidies. Maar twaalf van de zestien tienjarig gesubsidieerden zitten ook in deze groep. En met deSingel ook één kunstinstelling (let wel: dit gaat over de kunstenwerking; de infrastructuur-vzw van deSingel valt buiten deze analyse). Alle organisaties met een specifieke kernopdracht zijn eveneens ‘kleine’ organisaties.
- De groep van middelgrote bevat 6 vijfjarig gesubsidieerde organisaties, 5 kunstinstellingen en 4 tienjarig gesubsidieerde.
‘Vijfjarig gesubsidieerd’ valt dus niet volledig samen met ‘kleinere schaal’. Ook al wordt die connotatie gevoed in discussies of beleidsdocumenten over het kunstenveld (zie bv. de strategische visienota van Minister Gennez of die van voormalig Minister Jambon).
Strikt genomen moet je volgens de Europese richtlijnen ook het aantal werknemers en de omzet in rekening brengen om de grootte te bepalen. Met de beschikbare data is het niet mogelijk om het juiste aantal werknemers te becijferen. Een groot deel van de tewerkgestelde kunstenaars en kunstwerkers is bovendien geen werknemer in loondienst (zie onder en zie ook hier). Daarnaast is de omzet (klasse 70) vaak niet de grootste opbrengstenpost. De vraag is dus of dit überhaupt representatief is voor deze groep, die voornamelijk uit vzw’s bestaat.
2.3 Opbrengsten
Als je de opbrengsten van alle organisaties met werkingssubsidies Kunstendecreet optelt, kom je aan 425 miljoen euro in 2023 en 430 miljoen euro in 2024.
Die bedragen zijn letterlijk de optelsom van alle 7-rekeningen uit de resultatenrekeningen van die respectieve kunstenorganisaties. In zekere zin is dit een boekhoudkundige fictie.
Een presenterend huis rapporteert bijvoorbeeld een subsidie als opbrengst in zijn resultatenrekening. Als het die opbrengst aanwendt om de uitkoopsom van een theatergezelschap mee te betalen, dan komt dat bedrag terug in de opbrengsten van het theatergezelschap. Je zou dan kunnen zeggen dat hetzelfde bedrag in werkelijkheid twee keer wordt geteld. En dan ook nog eens als twee verschillende soorten opbrengsten (de ene keer als subsidie, de andere keer als inkomst uit uitkoopsommen; zie ook De Corte 2018, 287-289). In de data werd zo’n bedrag niet geconsolideerd tussen de verschillende rekeningen.
De lezer moet dit in het achterhoofd houden bij het interpreteren van tabel 1. Die zoomt in op de verschillende soorten opbrengsten.
Tabel 1: Soorten opbrengsten van organisaties met werkingssubsidies Kunstendecreet (2023-2024) (klik op symbool rechtsboven voor schermvullende weergave)

Kolom A geeft een inzicht in de gemiddelde samenstelling van de opbrengsten van een organisatie met werkingssubsidies Kunstendecreet. Alle voorhanden resultatenrekeningen uit 2023 en 2024 werden samengeteld. Vervolgens werd berekend wat het aandeel van een bepaald soort opbrengst in dit totaal is.
- Subsidies via het Kunstendecreet zijn gemiddeld 43,2% van de totale opbrengsten. Dat gaat in hoofdzaak over de werkingssubsidie. De internationale presentatieprojecten of tegemoetkomingen die bepaalde organisaties ontvangen zijn ook meegeteld in dit percentage. Ze zijn slechts een zeer beperkt deeltje van dit type van opbrengst.
- De tweede grootste stroom van subsidies zijn die van lokale overheden: 9,1%. Subsidies van de Vlaamse gemeenschapscommissie of VGC zijn hierin meegeteld.
- Alle andere soorten overheidssubsidies nemen elk een beduidend kleiner aandeel in.
- Samen staan directe subsidies in voor 59,1% van de totale opbrengsten van structureel gesubsidieerde kunstenorganisaties in 2023-2024.
- Daarmee nemen alle andere soorten opbrengsten dan directe subsidiëring 40,9% in van de gemiddelde opbrengststructuur (zie onderaan kolom A).
- Die ‘eigen inkomsten’ worden in tabel 1 opgesplitst in categorieën die de verschillende detailposten in de 7-rekeningen overzichtelijk samenvatten.
- Als we de restcategorie (7,6%, onderaan kolom A) buiten beschouwing laten, komen de meeste eigen opbrengsten uit ticketverkoop, abonnementen of inschrijvingsgeld (9,6%), uitkoopsommen (6,5%) en coproducties en andere samenwerkingen (4,4%).
Kolom A geeft je een gemiddeld beeld. Tussen kunstenorganisaties onderling kunnen er grote verschillen zijn qua samenstelling van de opbrengsten. Kolommen B tot en met E werpen een licht op die diversiteit.
- In kolom B zie je het aantal organisaties dat een bedrag bij een opbrengst rapporteert. Alle 236 onderzochte organisaties rapporteren natuurlijk dat ze subsidies Kunstendecreet ontvangen.
- Maar dat geldt niet voor alle andere soorten subsidies. 176 kunstenorganisaties geven aan lokale subsidies (projectmatig of structureel) te krijgen in 2023 en/of 2024. Maar dat betekent dat er 60 organisaties zijn die geen enkele vorm van lokale ondersteuning krijgen.
- Bijgevolg zie je in Kolom C bij de meeste soorten subsidies 0% als minimum vermeld.
- Binnen de groep die een bepaald type van opbrengst ontvangt is er ook nog eens grote diversiteit. Dat zie je aan de verschillen tussen kolom D (minimum indien niet 0%) en kolom E (het maximale aandeel dat een bepaalde opbrengst inneemt in het totaal). Onder de 176 kunstenorganisaties nemen lokale subsidies bij sommige slechts 0,2% in. Terwijl andere voor meer dan de helft van hun opbrengsten afhangen van lokale ondersteuning.
- 235 kunstenorganisaties geven aan ‘eigen’ opbrengsten te genereren. Eén organisatie vermeldt dus alleen directe overheidssubsidies als inkomstenbron. En krijgt daarmee een uitzondering op de regels over het percentage eigen opbrengsten.
- Maar onder de 235 andere organisaties nemen eigen opbrengsten soms ook maar een klein aandeel in (kolom D).
- Daartegenover staan organisaties die net een relatief hoog aandeel van andere opbrengsten dan directe overheidssubsidies rapporteren. Het maximum in 2023-2024 ligt op 82,3% (kolom E).
Die laatste vaststellingen liggen in lijn met oudere studies. Die stelden ook vast dat gesubsidieerde kunstenorgansiaties sterk verschillen in hun capaciteit om eigen opbrengsten te genereren (zie bv. Van de Velde, Hesters en Van Looy 2013).
De cijfers in Kolom B helpen bij de interpretatie van die in kolom A.
- Zo vertegenwoordigen subsidies uit VIA en sociale maribel (en gelijkaardig) slechts 1% van het totaal aan opbrengsten van organisaties met werkingssubsidies Kunstendecreet. Maar bijna tweederde (172) van deze organisaties doet wel een beroep op deze middelen.
- Vergelijk dit met opbrengsten uit kapitaal- of intrestsubsidies, die 1,4% van het totaal vertegenwoordigen, maar door een minderheid (45) van de organisaties worden aangewend.
- Opbrengsten uit coproducties of andere samenwerkingen vertegenwoordigen ‘slechts’ 4,4% van het totaal aan opbrengsten. Tegelijk rapporteren wel 8 op 10 organisaties met werkingssubsidies dit soort opbrengsten.
Organisaties met verschillende deelwerkingen
Zoals eerder uitgelegd, gebruiken we in deze analyse bedragen die betrekking hebben op de kunstenwerking waarvoor men Kunstendecreetsubsidies ontvangt. Als de organisatie bv. ook een erfgoedwerking heeft, dan zijn de opbrengsten van dat deel van de werking niet opgenomen in tabel 1.
Het gaat over een beperkt aantal onderzochte organisaties dat naast de kunstenwerking ook een andere deelwerking heeft. Als we hun opbrengsten van de andere deelwerkingen mee in rekening brengen dan:
- zouden sommige cijfers in kolom A slechts licht wijzigen. Het gaat doorgaans over 0,1 procentpunt meer of minder. Het opvallendste verschil ligt bij de Vlaamse overheidssubsidies uit andere beleidsdomeinen dan Cultuur. Als je de hele werking in rekening brengt, zou dat gemiddelde percentage veranderen van 1,3% naar 2,2% (0,9% procentpunt verschil dus).
- In kolom E zouden de meeste maxima dezelfde blijven met de cijfers van de hele werking. De opvallendste verschillen in maxima zouden liggen in het maximum van andere subsidies uit Cultuur, Jeugd en Media dan kunstendecreet en in de subsidies van andere landen.
Let wel: bepaalde opbrengsten kunnen binnenkomen via een andere, verwante organisatie. Denk aan een kunstenorganisatie die ook een erfgoedwerking heeft die in een aparte vzw of stichting is ondergebracht. Of denk aan opbrengsten uit de Tax Shelter die via een extern productievennootschap verlopen.
Op deze opbrengsten bieden de onderzochte resultatenrekeningen geen zicht. Bijgevolg zijn ze niet meegeteld in tabel 1.
Opbrengsten uit Tax Shelter?
Opbrengsten uit de Tax Shelter kunnen we niet rechstreeks afleiden in de gegevens uit de cijferbijlages. Ofwel om bovengenoemde redenen (de opbrengsten komen niet binnen via de onderzochte organisatie). Ofwel omdat ze verspreid werden opgenomen in bredere opbrengstenposten (zoals coproducties en samenwerkingsverbanden of ‘andere bedrijfsopbrengsten’).
In 2023-24 waren 35 van de 236 organisaties met werkingssubsidies erkend als productievennootschap. 34 voor de Tax Shelter podiumkunsten en één voor de Tax Shelter voor audiovisuele producties. In 2025 werden nog eens twee organisaties erkend als productievennootschap. Zij kunnen zelf het beheer van Tax Shelter-projecten doen.
Maar ook in deze groep vind je organisaties die een beroep doen op externe productievenootschappen. Dat kan je afleiden uit de verantwoordingsverslagen die ze jaarlijks aanleveren bij de Vlaamse overheid. M.a.w.: zelfs resultatenrekeningen van erkende productievennootschappen bieden niet per se een volledig zicht op de (eigen) opbrengsten.
Dat verklaart wellicht het geringe verschil qua aandeel eigen opbrengsten tussen de resultatenrekeningen van de groep van 35 en deze van de rest. Onder de erkende productievennootschappen ligt dat gemiddeld op 42,6% van de totale opbrengsten. Iets hoger dan het gemiddelde (40,4%) van de meerjarig gesubsidieerde kunstenorganisaties die in 2023-24 geen erkend productievennootschap zijn.
Opbrengsten uit infrastructuur?
Maken inkomsten ‘uit de infrastructuur’ een groot verschil? Bijvoorbeeld in het binnenhalen van eigen opbrengsten?
De opbrengsten uit verhuur van infrastructuur worden samen met die van verhuur van (technisch) materiaal gerapporteerd (post 7030 in de resultatenrekeningen). Daarmee is er geen exact zicht op de inkomsten uit infrastructuurverhuur.
95 (40%) van de 236 organisaties rapporteren opbrengsten uit verhuur van infrastructuur en materiaal (zie tabel 1):
- Bij bijna de helft daarvan gaat het om minder dan 1% van hun totale opbrengsten.
- Slechts twaalf organisaties halen 5% of meer uit dit soort opbrengsten (het maximum ligt op 34,7). Het gaat over een diverse groep. De twaalf organisaties vertegenwoordigen verschillende disciplines. Vijf ervan zijn middelgroot van schaal, de rest is klein tot micro.
- Dat alles verklaart waarom deze slechts 1,8% vertegenwoordigen van het gemiddelde geheel van opbrengsten.
De exacte inkomsten uit horeca-inrichtingen kan je evenmin afleiden uit de resultatenrekeningen. Die zitten verscholen in de bredere categorie van opbrengsten uit de verkoop van producten:
- Meer dan de helft van de organisaties (132) rapporteert dit type van opbrengsten (tabel 1). Gemiddeld staan ze voor 3,7 van de totale opbrengsten.
- Bij twintig organisaties gaat het over meer dan 10% van hun totale opbrengsten. Bijna al deze kunstenorgansiaties specialiseren zich in pop, rock, dance traditionele muziek en/of jazz. Het gaat ook overwegend over kleine en micro-organisaties.
Infrastructuur exploiteren gaat over meer dan alleen inkomsten genereren. Daarom geven we nog bevindingen mee uit andere analyses en trajecten van Kunstenpunt:
- Het beheer en gebruik van infrastructuur hangen nauw samen met de missie van een organisatie. Het verhuren van ruimtes of het uitbaten van horeca moet kloppen met de principes en de artistieke identiteit en doelstellingen van een kunstenorganisatie. Denk bijvoorbeeld aan een organisatie die residentie- of atelierruimte aanbiedt aan kunstenaars en fair practices wil huldigen. Die moet goed nadenken over de hoogte van de kosten die ze doorrekend aan de kunstenaars.
- De opbrengsten (en kosten) verbonden aan infrastructuur zijn niet noodzakelijk zichtbaar in de resultatenrekeningen. Het infrastructuurbeheer kan ondergebracht zijn in een aparte organisatie (zie ook boven). Als die aparte organisatie geen Kunstendecreetsubsidies ontvangt, dan biedt deze analyse geen zicht op de infrastructuurgebonden financiën.
- Infrastructuur exploiteren is niet voor elke kunstenorganisatie of voor elke ruimte de facto mogelijk. Een minderheid van de gesubsidieerde kunstenorganisaties is zelf eigenaar of doet een beroep op formules zoals erfpacht. Onderzoek suggereert dat huurovereenkomsten de norm zijn in het (gesubsidieerde) kunstenveld. Bovendien zijn veel van deze overeenkomsten van beperkte of van onbepaalde duur (waabrij dat laatste niet gelijk staat aan ‘lange termijn’).
- Infrastructuur brengt ook kosten met zich mee. In het bepalen van het officiële percentage eigen opbrengsten zet de Vlaamse overheid opbrengsten af tegenover kosten (zie sectie 2.4). De opbrengsten uit verhuur, horeca of andere infrastructuurgebonden voorzieningen moeten dus worden afgewogen ten opzichte van de (personeels)kosten die het onderhoud en beheer van een gebouw met zich meebrengen. (Zie ook Van de Velde, Hesters en Van Looy 2013, 22.)
2.4 Percentage eigen opbrengsten
Organisaties met werkingssubsidies via het Kunstendecreet moeten een bepaald minimumpercentage aan eigen opbrengsten halen. Volgens de geldende regelgeving zijn dit alle opbrengsten die niet direct uit overheidssubsidies komen (art. 76 van het BVR van 16 juli 2021). De berekening van het percentage zet de eigen opbrengsten af tegen de kosten.
Dat levert een ander cijfer op dan tabel 1, waar het percentage aan eigen opbrengsten wordt berekend ten opzichte van het totaal aan opbrengsten.
Voor organisaties die inzetten op de functies productie en presentatie (al dan niet in combinatie met andere functies) ligt het minimum op20%. Voor organisaties die inzetten op participatie, reflectie of ontwikkeling en die geen productie of presentatie doen is dat 7,5%. Tenzij een organisatie in haar aanvraag beargumenteert waarom dit niet haalbaar is en de aanvraag toch wordt goedgekeurd.
Een andere uitzondering zijn de kunstinstellingen en de organisaties met tienjarige werkingssubsidies. In hun beheersovereenkomsten kunnen afwijkende minimumpercentages worden vastgelegd. Bij vijftien organisaties is dit het geval. Deze afwijkingen liggen altijd hoger dan de percentages vermeld in het Kunstendecreet.
De officiële berekening neemt de hele beleidsperiode (2023-2027) als referentie. In pincipe weten we het definitieve percentage eigen opbrengsten dus nog niet. Maar hier doen we al de berekening voor de jaren 2023-2024.
In grafiek 1 staat elke staaf voor één organisatie. Ze zijn geordend van het kleinste naar het grootste percentage eigen opbrengsten.
De blauwe staven staan voor organisaties die op productie en/of presentatie inzetten volgens hun aanvraag (en dus 20% moeten halen). De oranje staven zijn organisaties die niet inzetten op productie of presentatie (en dus 7,5% moeten halen).
De meeste oranje staven bevinden zich aan de linkerkant. Maar niet allemaal: er zijn wel degelijk organisaties die volledig inzetten op participatie, reflectie of ontwikkeling en boven de mediaan van 34% eigen opbrengsten uitkomen
Grafiek 1: Percentage eigen opbrengsten in 2023-2024, per organisatie

In lijn met de cijfers uit tabel 1, zie je veel verschil tussen wat organisaties rapporteren: van 0% (links) tot 89% (rechts).
- 8 organisaties vallen onder de drempel van 7,5%. Het gaat over 7 organisaties die inzetten op participatie, ontwikkeling en/of reflectie (en niet op productie of presentatie). Eén zet wel in op productie.
- 19 organisaties die inzetten op productie en/of presentatie halen in 2023-2024 niet het minimumpercentage van 20%. De andere organsiaties die onder dit percentage vallen, zetten niet in op productie of presentatie.
- Dat betekent dat 26 organisaties de drempels niet halen in 2023-2024.
Ter verduidelijking: de officiële berekening van het percentage eigen opbrengsten gebeurt voor de jaren 2023-2027. Grafiek 1 is dus een voorlopige becijfering, die in latere jaren nog kan veranderen.
Kunstinstellingen en tienjarig ondersteunde organisaties met afwijkende minimumpercentages zijn niet apart gemarkeerd in grafiek 1. Elk van de vijftien organisaties in kwestie komt boven haar minimumpercentage uit in 2023-2024.
De 35 erkende productievennootschappen voor de Tax Shelter (zie boven) komen ook allemaal uit boven de minimumpercentages.
Voor de volgende ronde van werkingssubsidies wordt de definitie van “eigen opbrengsten” aangepast. In 2028-2032 zullen subsidies van buitenlandse overheden, van de Europese instellingen of van andere multilaterale organisaties daar ook onder vallen. In 2023-2024 vertegenwoordigen deze samen 1,2% van de totale opbrengsten (zie tabel 1).
Ongeveer de helft van de organisaties met werkingssubsidies rapporteert deze internationale subsidies. Afgaande op de minima en maxima in tabel 1, kan het aandeel van deze opbrengsten sterk variëren binnen deze groep.
De vernieuwde definitie zal wellicht voor een beperkte groep organisaties een groot verschil maken in de volgende ronde. Wanneer een organisatie bijvoorbeeld de opbrengsten van een Europese subsidie inboekt, zal dat geen negatieve impact meer hebben op het percentage eigen opbrengsten.
Om een idee te geven, passen we de nieuwe definitie al toe op de resultatenrekeningen van 2023-24. Elf organisaties zouden hun percentage eigen opbrengsten met meer dan tien procentpunten zien stijgen. Bij 56 andere organisaties stijgt het tussen de één en tien procentpunten. Bij nog eens 51 organisaties zou het een verschil van minder dan één procentpunt betekenen. Vijf organisaties zouden in dit hypothetische geval toch boven de minimumpercentages uitkomen.
2.5 Kosten
Tabel 2 geeft alle kosten (de 6-rekeningen) weer van de organisaties met werkingssubsidies Kunstendecreet in 2023-2024. Indien nodig, werden verschillende kostenposten samengenomen in een behapbare verzamelcategorie.
Als je alle kosten in de onderzochte resultatenrekeningen optelt, kom je in 2023 aan ca. 417 miljoen euro. In 2024 is dat ca. 423 miljoen euro. Dit is simpelweg de optelsom van 236 verschillende resultatenrekeningen. Tussen die resultatenrekeningen gebeurde geen consolidatie van bedragen (zie ook uitleg bij tabel 1).
Tabel 2: Soorten kosten van organisaties met werkingssubsidies Kunstendecreet (2023-2024) (klik op symbool rechtsboven voor schermvullende weergave)

Zo’n tweederde van de uitgaven gaat naar personeel en medewerkers:
- Bezoldigingen, sociale lasten en pensioenen van personeel in loondienst (post 62) nemen 45,2% van het geheel van kosten in. Het gros van de uitgaven aan personeel en medewerkers gebeurt dus via verloning in dienstverband. (Een onderscheid tussen vast of tijdelijk dienstverband is niet mogelijk.)
- Daarnaast werken ook zelfstandigen, interimarissen of ‘freelancers’ die op andere manieren worden vergoed mee aan de activiteiten van de kunstenorganisaties. De kosten aan deze ‘medewerkers niet in in loondienst‘ vertegenwoordigen samen 20,6%. Ook de kosten aan vrijwilligers (0,5%) namen we mee onder deze verzamelcategorie.
- De kosten aan zelfstandigen zijn goed voor 11,6% van de totale kosten. Na verloning in dienstverband neemt facturatie aan zelfstandigen het grootste aandeel in van de uitgaven aan personeel en medewerkers.
- Deze cijfers zijn een onderschatting: kunstenaars en andere medewerkers worden ook (indirect) via uitkoopsommen en coproductiebedragen vergoed (respectievelijk 4,9% en 3,4%). Die worden in tabel 2 onder de productiekosten gezet.
- Bij medewerkers aan projecten met Tax Shelter-financiering kan de loonsadministratie gebeuren door een extern productievennootschap. Dat zijn dus kosten aan medewerkers die niet in de onderzochte resultatenrekeningen zichtbaar zijn.
De uitgaven aan personeel en medewerkers beperken zich voor alle duidelijkheid niet tot zuiver artistieke profielen. Ook de kosten aan zakelijke medewerkers, boekhouders, kuispersoneel enzovoort zijn hierin vervat. Een verder onderscheid in de verloonde profielen kunnen we niet maken in deze data.
Bovenstaande bevindingen gelden voor het geheel van organisaties met werkingssubsidies Kunstendecreet. Onderling is er veel variatie in het gewicht dat een bepaalde uitgave heeft in het totale kostenplaatje:
- Zo’n tiental kunstenorganisaties maakt geen kosten aan personeel in dienstverband. Onder de 226 organisaties die dat wel doen, varieert het aandeel van post 62 tussen 7,9% en 86,8% van de totale kosten.
- Bijna alle (233) organisaties maakten kosten aan diensten van zelfstandigen. In deze groep varieert het aandeel van deze uitgaven van 0,1% tot meer dan driekwart van de totale kosten.
- Uitgaven aan uitzendpersoneel (dat is inclusief mensen tewerkgesteld via een SBK) staan in voor slechts 1,7% van alle kosten in 2023-2024. Bij de meerderheid van de 162 kunstenorganisaties die deze uitgaven deden ligt dat aandeel onder 1,7%. Bij twaalf andere organisaties vertegenwoordigen de uitgaven aan uitzendpersoneel echter meer dan 10% van hun totale kosten — met een uitschieter boven de 30%.
De werkelijke kosten aan infrastructuur kan je niet afleiden uit de resultatenrekeningen. Kosten aan personeel voor het beheer van gebouwen kan je bijvoorbeeld niet afzonderen in de data. Wel is er zicht op kosten aan specifiek huur of onderhoud van infrastructuur: 4,2% van het geheel van kosten in 2023-2024. Water en energie nemen 1% van de totale kosten in.
Verhouding werkingssubsidies – kosten aan verloning
De regelgeving verplicht organisaties om minstens de helft van hun werkingssubsidie Kunstendecreet te besteden aan de verloning van “medewerkers en kunstenaars” (art. 76 van het BVR van 16 juli 2021).
Voor de officiële berekening hiervan telt de Vlaamse overheid de bezoldigingen, sociale lasten en pensioenen (post 62) samen met de wat in tabel 2 kosten aan ‘medewerkers niet in loondienst’ wordt genoemd. Ze voegt daaraan nog de kosten aan uitkoopsommen en aan coproducties en andere samenwerkingen toe.
Dat bedrag komt in 2023 en in 2024 ruim boven de 300 miljoen euro uit voor alle 236 resultatenrekeningen samen. Een veel groter bedrag dan de opbrengsten uit werkingssubsidies Kunstendecreet, die zich tussen de 180 en 190 miljoen euro bevinden.
Geen enkele van de onderzochte organisaties valt onder de drempel van 50% in 2023 of 2024. Bij de meerderheid van de organisaties gaat er meer buiten aan verloning van “medewerkers en kunstenaars” dan er binnenkomt aan werkingssubsidies.
3. Referenties
- Andel, Walter van, Marlies Demol, en Annick Schramme. ‘DE MISSING MIDDLE IN CREATIEVE INDUSTRIEËN’. Antwerp Management School/Flanders DC, 2014. https://flandersdc.be/uploads/media/5893a4df80eab/2014-03-ams-demissingmiddleincreatieveindustrieen.pdf?production-23e709f.
- De Corte, Dirk. Financieel Management. Bij Kunst- en Cultuurbedrijven en Ondernemingen uit de Creatieve Industrie. Antwerpen: Universiteit Antwerpen, 2018.
- De Graeve, Rita. ‘Financial accounting in de ccs’. In Cultuurmanagement. De regels van de kunst, 248-86. Tielt: LannooCampus, 2020.
- Ferwerda, Jan, Mart Willekens, Jessy Siongers, Matilde Willemyns, en John Lievens. ‘Loont passie? Deel 2 – Meting 2021’. UGent, CuDOS, 2022. https://www.vlaanderen.be/publicaties/loont-passie-meting-2-2021.
- Hesters, Delphine, red. Kunstzaken. Financiële en zakelijke modellen voor de kunsten in Vlaanderen. Brussel: BAM/MCV/VAi/VTi, 2013. https://www.kunsten.be/kunsten-in-vlaanderen-brussel/publicaties/4712-kunstzaken-financi-le-en-zakelijke-modellen-voor-de-kunsten-in-vlaanderen.
- Hesters, Delphine. D.I.T. (Do It Together). De positie van de kunstenaar in het hedendaagse kunstenveld. Kunstenpocket 3. Brussel: Kunstenpunt, 2019. https://www.kunsten.be/kunsten-in-vlaanderen-brussel/publicaties/10287-kunstenpocket-3-d-i-t-do-it-together-.
- Janssens, Joris, en Dries Moreels. De ins & outs van het Kunstendecreet. Een blik op de opbrengsten en uitgaven van Kunstendecreetstructuren (2007-2008). BAM/MCV/VAi/VTi, 2011. https://www.kunsten.be/kunsten-in-vlaanderen-brussel/publicaties/5683-de-ins-outs-van-het-kunstendecreet-een-blik-op-de-opbrengsten-en-uitgaven-van-kunstendecreetstructuren-2007-2008.
- Leenknegt, Simon. ‘De ins en outs revisited. Analyse van de opbrengsten en kosten van organisaties met meerjarige subsidies via het Kunstendecreet (2010-2016)’. In Cijferboek Kunsten 2018, 335-66. Brussel: Kunstenpunt, 2018a. https://www.kunsten.be/kunsten-in-vlaanderen-brussel/publicaties/9473-cijferboek-kunsten-2018.
- Leenknegt, Simon. ‘The only way is up? Cijferanalyse van de internationalisering van de productie en de spreiding van de Vlaamse podiumkunsten (2000-2016)’. In Cijferboek Kunsten 2018, 41-70. Brussel: Kunstenpunt, 2018b. https://www.kunsten.be/dossiers/internationaal-samenwerken-2/rtifacts/4552-the-only-way-is-up-.
- Marx, Steven. Er zit muziek in de subsidies. Brussel: MCV, 2009. https://www.kunsten.be/kunsten-in-vlaanderen-brussel/publicaties/6546-er-zit-muziek-in-de-subsidies.
- Schramme, Annick, Dries Van Doninck, Isabelle De Voldere, Veerle Vermeyen, Eveline Durinck, en Kristof Mertens. ‘Ondernemen in cultuur. Een beschrijvend, praktijkgericht onderzoek naar werken en ondernemen in en financieren van de Vlaamse cultuursector.’ Universiteit Antwerpen/ IdeaConsult/Cultuurloket, 2019. https://cultuurloket.uat.wijsproject.be/sites/default/files/2019-06/rapport_ondernemenincultuur.pdf.
- Siongers, Jessy, Astrid Van Steen, en John Lievens. ‘Loont passie? Een onderzoek naar de sociaaleconomische positie van professionele kunstenaars in Vlaanderen’. UGent, 2016. http://hdl.handle.net/1854/LU-8174138.
- Swinnen, Evi. ‘Overhead en omkadering bij Vlaamse podiumkunstenorganisaties: een toepassing van twee kostencalculaties voor structureel gesubsidieerde podiumkunstenorganisaties’. Universiteit Antwerpen, 2006. http://data.kunsten.be/references/overhead-en-omkadering-bij-vlaamse-podiumkunstenorganisaties.
- Van de Velde, Ward, Delphine Hesters, en Bart Van Looy. ‘Kunstenorganisaties op zoek naar inkomsten. Welke businessmodellen zijn haalbaar?’ In Kunstzaken. Financiële en zakelijke modellen voor de kunsten in Vlaanderen, 4-25. Brussel: Kwarts, 2013. https://www.kunsten.be/kunsten-in-vlaanderen-brussel/publicaties/4712-kunstzaken-financi-le-en-zakelijke-modellen-voor-de-kunsten-in-vlaanderen.
Bekijk een overzicht van andere relevante bronnen via onze Zotero bibliotheek.
Beleid - Effectuation - Eigen opbrengsten - Fair Practices - Financieringsmix - Kunstenbeleid - Lokale afstemming - Markt - Ondernemerschap - Professionalisering - Samenwerking - Sociaal-economische positie - Sociale zekerheid - Subsidies - Tewerkstelling - Verdienmodellen - Verfreelancing - Verloning - Zich organiseren .