Kunstenaarsstatuut

Kunstenaars bevinden zich in het centrum van de kunstensector en toch is hun professionele positie kwetsbaar. Beroepsartiesten leven vaak in onzekerheid: over de erkenning van hun werk, over de financiering van hun praktijk, over de combinatie van korte of deeltijdse contracten van verschillende werk- en opdrachtgevers. In de periodes tussen kunstopdrachten of -contracten kunnen ze in bepaalde gevallen een uitkering aanvragen. De toegang tot deze sociale zekerheid kon beter. In 2024 ging de laatste fase van een grote hervorming in: het kunstwerkattest voor kunstenaars en kunstwerkers. Was een basisinkomen beter geweest?



Geef feedback

Inhoud
  1. Sociaaleconomische positie
  2. Werken zonder grenzen
  3. Inkomensbescherming in België
    1. Statuut bepaalt vervangingsinkomen
    2. “kunstenaarsstatuut” = werkloosheidsstatuut?
    3. Hervorming: naar een “kunstwerkattest”
    4. Andere thema’s
  4. Basisinkomen
    1. Ontwerpproces BIA Pilot Scheme (2020-2022)
    2. Ontwerpmodel BIA Pilot Scheme
    3. Selectie door anonieme loting
    4. Verloop BIA Pilot Scheme (2022-2026)
    5. Voordelen BIA
    6. Nadelen BIA
    7. Welke minister is bevoegd?
    8. Permanent BIA (2026-2029)
    9. Draagvlak
    10. Basisinkomen in België
    11. Bronverwijzingen

1. Sociaaleconomische positie

Vele kunstenaars kiezen bewust een hybride pad, uit artistieke interesse en/of uit financiële noodzaak. Ze zijn freelancers of tijdelijke medewerkers met zowel autonoom als projectmatig werk, binnen en buiten de kunsten. Multiple job holding, het gelijktijdig uitoefenen van verschillende jobs, door kunstenaars is de laatste jaren wetenschappelijk in kaart gebracht.

Het onderzoek ‘Loont passie?’ (2014-2016) brengt vanuit het perspectief van de individuele kunstenaars hun atypische beroepsleven in beeld. De studie polst via een online-enquête naar het sociaal-demografisch profiel van de kunstenaars in Vlaanderen, hun diverse activiteiten (artistiek en niet-artistiek), de inkomsten die daar tegenover staan, hun beroepskosten, arbeidstevredenheid en hun noden aan ondersteuning. Het onderzoek stelt vast dat het inkomen van alle kunstenaars laag is in vergelijking met dat van de Belgische bevolking. Er komt gehoor voor de oproep om fair practices in de sector. In 2021 wordt een tweede keer gemeten. De coronapandemie maakt de flexibele werkorganisatie en het zoeken naar inkomsten fysiek en mentaal nog lastiger.

Het tweede onderzoek vraagt o.a. naar de verschillende soorten van artistieke tewerkstelling in 2019: als werknemer, als interim, als zelfstandige in hoofd- of bijberoep, als ambtenaar. Respondenten kunnen meerdere opties selecteren en doen dat ook. Opmerkelijk is dat in bijna alle disciplines de som van de antwoorden meer dan 100 als resultaat geeft, wat de combinatie van statuten aantoont. Concreet voorbeeld: een muzikant kan zelfstandige in bijberoep zijn én ambtenaar met een deeltijdse lesopdracht in het kunstonderwijs of werknemer, al dan niet als interim. Een deel van de muzikanten/componisten melden ook als zelfstandige in hoofdberoep te werken. Acteurs en podiumkunstenaars vermelden het meest directe tewerkstelling én interimwerk en minder vaak ambtenaar, zelfstandige in hoofd- of bijberoep. Beeldend kunstenaars vermelden overwegend zelfstandige in hoofd- of bijberoep en minder vaak werknemer, interim of ambtenaar. Het Departement Cultuur Jeugd Media geeft opdracht om in 2027 een derde meting uit te voeren.

2. Werken zonder grenzen

Artistieke, economische en sociale motieven stuwen kunstenaars over de landsgrenzen op zoek naar inspiratie, middelen en publiek. Internationaal samenwerken heeft eigen sociale, juridische en zakelijke consequenties. Ook hier botsen kunstenaars op ingewikkelde procedures en beperkende voorwaarden. De taal is daarbij een extra barrière: correcte informatie over verblijfs- en werkvergunningen, sociale zekerheid, belastingen en auteursrechten is niet voor iedereen toegankelijk. Internationaal werkende kunstenaars komen soms onbewust in precaire, zelfs illegale situaties terecht.

UNESCO en andere internationale instellingen en belangenbehartigers ondersteunen de roep om aangepaste beleidsmaatregelen. De ‘1980 Recommendation’ van UNESCO roept staten niet op om kunstenaars specifieke voorrechten te verlenen, maar om hen dezelfde rechten te verlenen als elke andere sociaal-professionele groep. Dit is mogelijk in de domeinen opleiding, inkomen, fiscaliteit, sociale zekerheid, welzijn, internationale mobiliteit en vrijheid van meningsuiting. Deze opsomming vat quasi alle arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden van kunstenaars. Daarnaast zien we ook een uitbreiding van de aandacht naar de hele culturele en creatieve sector en iedereen die daarin werkt. Tegelijk blijft het zo dat het beleid hiervoor voornamelijk op nationaal niveau wordt bepaald.

3. Inkomensbescherming in België

Het onderzoek ‘Loont Passie?’ bevestigt dat het inkomen van kunstenaars laag is in vergelijking met dat van de Belgische bevolking. De sociale zekerheid biedt inkomensbescherming via herverdeling van sociale bijdragen die werkgevers, werknemers en zelfstandigen betalen. In dit stuk brengen we in kaart hoe dit systeem werkt voor kunstenaars en kunstwerkers.

3.1. Statuut bepaalt vervangingsinkomen

Binnen het Belgisch arbeidsrecht bestaan er drie sociale statuten: werknemer, zelfstandige en ambtenaar. Het beleid gaat uit van de doorsnee organisatie van arbeid: werknemers met een voltijds contract van onbepaalde duur bij een werkgever, een zelfstandige die onafhankelijk werkt voor klanten, een ambtenaar met een aanstelling bij een overheid. Voor elk van deze statuten gelden andere regels en daarop zijn er dan weer uitzonderingen mogelijk. Een werknemer of ambtenaar kan bijvoorbeeld tegelijk zelfstandige in bijberoep zijn.

Elk sociaal statuut bepaalt mee de sociale zekerheid. Die biedt een vangnet met een vervangingsinkomen bij loonverlies door werkloosheid, ziekte of pensionering. Solidariteit is het centrale begrip van dit systeem: iedereen die werkt, draagt eraan bij. Deze sociale bijdragen verschillen echter voor elk statuut en dus is ook het vangnet naargelang de bijdrage groter of kleiner. 

Vergeleken met andere werkers, hebben kunstenaars het in verschillende dimensies moeilijk: betaald worden voor hun werk, in een wettelijk statuut en als dat er niet is een gepast vervangingsinkomen kunnen aanvragen. Voor het werk waarop er sociale bijdragen betaald werden, zouden ze ook toegang moeten hebben tot het vangnet van de sociale zekerheid. Het overzicht houden over rechten en plichten vraagt van kunstenaars die onregelmatig werken echter heel wat studiewerk. 

De toepassing van de algemene regels op de werksituatie van kunstenaars leidde vaak tot administratieve en financiële problemen. Vanwege de tijdelijke tewerkstellingsperiodes en de wisselende werkgevers vallen ze vaak door de mazen van het vangnet. Kunstenaars hebben dan wel gewerkt en sociale bijdragen betaald, maar ze komen toch niet in aanmerking voor een vervangingsinkomen. Na jarenlang onderzoek en onderhandeling, komt er in 2002 een akkoord over een aangepaste regeling: het sociaal statuut van de kunstenaar, in de volksmond ‘het kunstenaarsstatuut’.

3.2. “kunstenaarsstatuut” = werkloosheidsstatuut?

Een geheel van maatregelen geven kunstenaars sindsdien betere toegang tot werk en sociale zekerheid binnen de bestaande systemen. Er komt een uitbreiding op de interimarbeid zodat kunstenaars en technici via een Sociaal Bureau voor Kunstenaars (SBK) makkelijker tijdelijke jobs konden aannemen, ook van opdrachtgevers die zelf geen werkgever zijn. De berekening en uitbetaling van het vakantiegeld van de verschillende jobs wordt jaarlijks gecentraliseerd bij de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie. 

De belangrijkste aanpassingen gebeuren in de werkloosheidsreglementering. De verschillende voordeelregels maken het mogelijk om in beperkte mate een uitkering te combineren met een artistieke activiteit, niet-artistieke jobs te mogen weigeren, tussen tijdelijke jobs een uitkering aan te vragen. Voor elk van de voordeelregels gelden andere voorwaarden en dat maakt het beheren van een dossier bij een uitbetalingsinstelling (vakbond of hulpkas) tot een administratief kluwen. Volgens De Standaard hebben in 2021 4.852 mensen een ‘kunstenaarsstatuut’.

Voor kunstenaars en technici met een onregelmatig inkomen uit werk, is het van levensbelang om deze financiële bestaanszekerheid te behouden. In de praktijk leidt dit vaak tot onderhandelingen met opdracht- of werkgevers over contracten die rekening houden met de voorwaarden van de werkloosheidsreglementering.

3.3. Hervorming: naar een “kunstwerkattest”

Ook al zijn er sinds juli 2003 een aantal belangrijke aanpassingen op maat van de kunstenpraktijk ingevoerd, toch zijn er klachten over de toepassing in de praktijk. De juridische en administratieve kaders worden door zowel kunstenaars als opdrachtgevers als te ingewikkeld ervaren. Niet voor alle kunstenaars, zoals jonge starters of oudere instromers, is de drempel tot een vervangingsinkomen lager. Financieel is er onvoldoende compensatie voor de onzekerheid en flexibiliteit van de tijdelijke contracten. Technologische omwentelingen grijpen in op de aard van de artistieke creatie, de ontmoeting met het publiek en dus het inkomen. De sector verwacht oplossingen van beleidsmakers.  

De regering zal in overleg met de sector en de sociale partners bekijken hoe het sociaal statuut voor de artiesten verder hervormd kan worden. De overheid formuleert precieze, objectieve en eerlijke voorstellen voor bestaande en opkomende kunstenaars, die alle stadia van het creatieve werk versterken, van repetitie tot performance, publicatie en verkoop.

Federaal regeerakkoord 2020-2024, 30 september 2020, p. 45

Al in het voorjaar van 2021 start een online participatieproces Working in the Arts. Tegelijk gaat een technische werkgroep aan de slag met de ideeën dit op het platform worden gepost en de praktijkervaring van experten uit het hele land. Dit leidt tot een hervormingsvoorstel dat vanaf juli 2021 een politiek en formeel advies proces doorloopt. In mei 2022 worden de ontwerpteksten over het nieuwe kunstwerkattest gepubliceerd. 

De focus ligt minder op het verantwoorden van hoeveel en wanneer je in de kunsten hebt gewerkt, maar op hoeveel je in totaal bijdraagt binnen een periode van meerdere jaren. Er is slechts een aanspreekpunt, de Kunstwerkcommissie en hun beslissing is bindend voor alle actoren in de sociale zekerheid. Houders van een kunstwerkattest krijgen daarbij zekerheid voor een langere termijn: drie jaar voor een starter die voor het eerst aanvraagt, en vijf jaar voor alle andere. Een opvallende hervorming houdt in dat het kunstwerkattest niet enkel geldt voor kunstenaars, maar dat het spreekt over “kunstwerkers”: ook wie kunstenaars artistiek of technisch ondersteunt kan in aanmerking komen. 

Het uiteindelijk resultaat van dit hervormingsproces werd vormgegeven in de loop van 2022 en 2023. Tijdens die periode gelden overgangsmaatregelen. De nieuwe regels voor werkloosheid en startende zelfstandigen in hoofdberoep gaan in op 1 oktober 2022. Wie in 2022 automatisch overschakelt naar een kunstwerkuitkering, moet die na drie jaar, ten laatste in september 2025, zelf verlengen.

De Kamer stemt op 1 december 2022 het wetsontwerp. In 2023 ontwikkelt de FOD Sociale Zekerheid de nodige online tools en communicatie. Er wordt ook een Kunstwerkcommissie samengesteld, voor de helft met leden van erkende kunstenfederaties. In de memorie van toelichting bij het goedgekeurde wetsontwerp wordt een evaluatie van de werking van de Kunstwerkcommissie voorzien na drie jaar. Het team Working in the Arts van FOD Sociale Zekerheid coördineert dit onderzoek (2026-2027).

In 2023 zijn er volgens cijfers van RVA 7.252 volledig werkloze kunstwerkers, tegenover 5.038 in 2022. Het budget is 109 mio euro in 2023. Deze cijfers citeert de bevoegde minister in een antwoord op een vraag van een volksvertegenwoordiger in de Commissie voor Sociale Zaken, Werk en Pensioenen in april 2025 (p. 60 van het online verslag van 8 april 2025). Dit illustreert hoe moeilijk het is om toegang te krijgen tot deze informatie. De methodologie van de dataverzameling door de RVA ontbreekt, waardoor het moeilijk is om te begrijpen welke betekening dit cijfer heeft en wat het zegt over de overgangsperiode. Is het geciteerde cijfer voor 2022 alleen van toepassing op van de nieuwe maatregel in het laatste kwartaal van het jaar? Als het hogere cijfer voor 2023 op een heel jaar slaat, kunnen we dat niet vergelijken met een lager cijfer voor slechts een kwart van het jaar. Of het zo is of niet, kunnen we niet weten…

De hervorming treedt op 1 januari 2024 volledig in werking. Volgens het Jaarverslag 2024 van de Kunstwerkcommissie worden in dat eerste jaar 3.046 aanvragen ingediend en 1.864 nieuwe kunstwerkattesten uitgereikt. Het aantal volledig uitkeringsgerechtigde werkloze kunstwerkers is volgens de RVA dat jaar 8.560.

Het Jaarverslag 2025 van de Kunstwerkcommissie vermeldt dat er in het tweede jaar 3.257 aanvragen worden ingediend, waarvan er 2.432 worden uitgereikt. Dat is een stijging van 30% in vergelijking met 2024. Ter herinnering: kunstwerkers die op 1 oktober 2022 automatisch overschakelden naar een kunstwerkuitkering, moeten een aanvraag voor het kunstwerkattest indienen voor eind september 2025. Het document vermeldt ook dat de kunstwerkuitkering in 2024 stijgt tot een bedrag van 134,6 miljoen euro. Ter vergelijking: in 2022 was dat nog 68 miljoen euro (9 maanden kunstenaarsstatuut RVA en 3 maanden overgangsperiode kunstwerkuitkering). Die stijging is niet alleen het gevolg van de hervorming, want ook de vele indexeringen in die periode dragen bij aan de toename.

De beperking van de werkloosheidsuitkering tot maximaal twee jaar die vanaf 2026 in voege gaat, heeft geen impact op de kunstwerkuitkering. Toch werkt de regering in oktober 2026 aan hogere inkomensvoorwaarden voor het aanvragen van kunstwerkattest ‘plus’ dat toegang geeft tot de kunstwerkuitkering. We weten niet of en wanneer deze maatregel ingaat.

De hervorming voorziet een evaluatie en daarvoor loopt tot juni 2027 een onderzoek.

3.4. Andere thema’s

Als onderdeel van de pensioenhervorming heeft de vorige federale regering bepaald dat de pensioenen van kunstenaars en kunstwerkers zullen berekend worden op basis van de nieuwe regels. In 2025 maakt de federale regering plannen voor een algemene pensioenhervorming, maar de impact daarvan op de eerder gemaakte afspraken is nog niet duidelijk en dat is een zorg voor kunstenaars en hun organisaties.

In de periode mei-juni 2022 loopt op het participatief platform een proces rond auteurs- en nevenrechten. Een nieuwe technische werkgroep buigt zich over de voorstellen. Op 1 januari 2023 wijzigen de fiscale regels een eerste keer. Voor inkomsten uit auteursrechten gelden sinds 1 januari 2026 nieuwe fiscale regels. Vanaf dan kan je de regeling van het kostenforfait enkel toepassen op inkomsten uit auteurs- en naburige rechten uit (erkende) activiteiten waarvoor je beschikt over een kunstwerkattest (gewoon of plus). Het WITA-platform voorziet een vereenvoudigde aanvraagprocedure.

Vanuit de sector komt de vraag naar de bestaanszekerheid van kunstenaars met een kwetsbare gezondheid. In februari 2024 neemt de federale overheid een maatregel om het financieel risico te verlagen als langdurig werkloze mensen met een handicap terug aan de slag gaan.

De vragen vanuit de sector over het wegnemen van de drempels die internationaal samenwerken bemoeilijken bleven zonder antwoord.

4. Basisinkomen

‘Basisinkomen’: wat verstaan jullie daaronder, wat is het verschil met een vergoeding, subsidie of uitkering? Deze vraag stel ik als opwarmer aan vier collega’s. Zij antwoorden spontaan deze twaalf associaties: 

geld – onvoorwaardelijk – voorwaardelijk – langere duur – bed bad brood – niche – tests – complementaire munt – Milton Friedman – Philippe Van Parijs – luilekkerland – vooroordelen

Waarom dit thema? Sinds 2016 ondersteunt Kunstenpunt de ontwikkeling van fair practices in de kunstensector. We zijn betrokken bij het ontwerp van de tweede meting van Loont Passie? (2022) en vertalen online de resultaten naar de  praktijk in de sector. Bij de hervorming van de sociale bescherming van kunstwerkers naar een kunstwerkattest deel ik deze kennis met de leden van de technische werkgroep FOD Sociale Zekerheid (2021-2022). Duurzame loopbanen, zorg en welzijn zijn thema’s die in de Landschapstekening Kunsten (2025) een belangrijke plaats innemen. Daarbij steunen we op ervaringen van kunstwerkers en onderzoek naar werktevredenheid van de fondsen voor bestaanszekerheid (Sociaal Fonds voor de Podiumkunsten en mediarte). Al deze acties zijn onze bijdrage aan het versterken van de bestaanszekerheid in de kunsten. Naast het vervullen van basisbehoeften, bed bad brood, van kunstwerkers vat dit begrip ook de middelen en kansen om een artistieke praktijk te kunnen blijven ontwikkelen.

Concrete aanleiding voor deze tekst is het Basic Income for the Arts Pilot Scheme (BIA) dat de Ierse regering in oktober 2022 invoert. Kort samengevat: gedurende drie jaar ontvangen 2.000 kunstenaars een inkomen van 325 euro per week. Het belangrijkste doel van de regeling is het aanpakken van de financiële onzekerheid van veel kunstenaars in Ierland. Na een open online oproep volgt een controle van de kandidaturen aan vooraf bepaalde formele criteria. De effectieve selectie van de 2.000 ontvangers gebeurt door loting. Parallel loopt een wetenschappelijk onderzoek met de ontvangers én een controlegroep van 1.000 aanvragers om de impact van deze beleidsmaatregel te meten.

Onze Erasmus+-accreditatie voor individuele leermobiliteit maakt het mogelijk om ter plaatse de resultaten in kaart te brengen. Eind maart 2026, na afloop van het BIA, reis ik naar Dublin voor interviews en een expertmeeting. Ik spreek er tien onderzoekers, beleidsmedewerkers, kunstenaars die wel of niet het BIA ontvingen en belangenbehartigers.

Welke antwoorden biedt het BIA op deze twee onderzoeksvragen:
– verlaagt het BIA de drempels tot een professionele kunstenpraktijk voor mensen die op andere levensdomeinen al extra drempels ervaren (door handicap, langdurige ziekte, armoede, migratie…)? Toegankelijkheid van de beroepspraktijk in de kunsten is een van de doelen van onze Erasmus+-aanvraag.
– is de verbetering van de stabiliteit van inkomens in de kunstensector een bevoegdheid van het cultuurbeleid of van het sociaal beleid? Deze onderzoeksvraag is met name relevant vanwege de specifieke staatsstructuur van België, waar (anders dan in Ierland) deze bevoegdheden door verschillende overheden worden opgenomen. Bovendien kennen we in 2026 een hervorming van de sociale zekerheid (werkloosheid, arbeidsongeschiktheid, pensioenen) door de federale regering.

4.1. Ontwerpproces BIA (2020-2022)

Hoe krijgt het BIA concreet vorm? Dat verhaal begint met de parlementsverkiezingen in februari 2020 en gesprekken over het vormen van een coalitieregering daarna. Een tweede factor is de pandemie: op 12 maart 2020 beslist de regering om de kinderopvang, scholen en andere onderwijsinstellingen te sluiten. Een volledige lockdown volgt op 27 maart 2020. In april 2020 stelt de National Campaign for the Arts (NCFA) een basisinkomen voor alle burgers voor om de gevolgen van deze lockdown op te vangen. NCFA is een ledenorganisatie van kunstenaars en kunstwerkers die in 2009 ontstaat tijdens de financiële crisis en volledig gedragen wordt door vrijwilligers.
In het regeerakkoord dat in juni 2020 de coalitieonderhandelingen afsluit, vermeldt de rubriek Anti-poverty and Social Inclusion Measures: a universal basic income pilot. De nieuwe minister van cultuur stelt een Arts and Culture Taskforce aan. Hun rapport doet in oktober 2020 o.a. de aanbeveling pilot a Basic Income scheme for a 3-year period. In juni 2021 beslist de Ierse regering over een National Economic Recovery Plan met o.a. een toezegging voor een Basic Income Pilot Scheme for artists. In de begroting voor 2022 schrijft ze er een budget van 25 mio euro voor in.

Op korte tijd komt binnen de regering en het departement cultuur een beleidsproces op gang om doelstellingen, toelatingsvoorwaarden en selectieproces te bepalen. Op 15 december 2021 organiseert de minister van cultuur een Stakeholder Forum om met meer dan 150 mensen, individuele kunstenaars en vertegenwoordigers van 50 organisaties, de plannen te bespreken. Tussen 6 en 27 januari 2022 geven 1.269 respondenten hun mening via een online Public Consultation. Het rapport dat hierover in maart 2022 verschijnt, geeft aan dat 89% van de respondenten actief zijn in de kunsten en de creatieve sector. Tussen 12 april en 12 mei 2022 kunnen kandidaten voor het BIA zich online aanmelden.

4.2. Ontwerpmodel BIA

Het departement wil een gebrek aan data over de kunstensector in Ierland invullen en de impact van deze nieuwe beleidsmaatregel in kaart brengen. Het pilootproject is daarom opgebouwd als een randomised control trial, een standaard voor experimenteel onderzoek. Bedoeling is om de impact van het BIA op het leven en de praktijk van de 2.000 ontvangers te vergelijken met gegevens van 1.000 aanvragers die het BIA niet ontvangen (de controlegroep). De selectie voor beide groepen gebeurt volledig toevallig, via loting uit alle goedgekeurde aanvragen. Een extern onderzoeksbureau doet toezicht op de anonimiteit van het selectieproces. Deze 3.000 mensen engageren zich om halfjaarlijks dezelfde online vragenlijst in te vullen. 

Naast de drie rapporten met kwantitatieve analyses door het onderzoeksteam van het departement, loopt er in het najaar van 2024 een onafhankelijk kwalitatief onderzoek (52 interviews en een focusgesprek). In september 2025 verschijnt een apart uitgevoerde kosten-batenanalyse. Alle onderzoeksrapporten zijn toegankelijk via de website van de Ierse overheid.

De totale kosten van het pilootproject voor de periode 2021-2025 worden geraamd op 114 miljoen euro (uitbetaling BIA, vergoeding controlegroep, opstart- en administratiekosten, gespecialiseerde diensten, wetenschappelijke onderzoeken).

4.3. Selectie door anonieme loting

Deze manier van selecteren is weinig courant en daarom zetten we eerst de voorwaarden van deze procedure op een rij voor we naar de voor- en nadelen kijken. We nemen het standpunt in van de grootst mogelijke gelijke kansen voor elke deelnemer.

Belangrijkste voorwaarde om die gelijke kansen te garanderen is dat er een grote verzameling kandidaturen moet zijn. Deze voorwaarde is met meer dan 8.000 goedgekeurde deelnemers voor de loting van het BIA voldaan. Om die goedkeuring vlot te laten verlopen, zijn duidelijke en feitelijke criteria waaraan een kandidaat moet voldoen én een heldere communicatie erover noodzakelijk. Kandidaten die drempels ervaren tot het online platform konden beroep doen op individuele telefonische ondersteuning door een medewerker van het departement. De beoordeling van de kandidaturen gebeurt met respect voor de privacy van de indiener. Het beheer en de verwerking van alle gegevens gebeurt in volledige anonimiteit met gespecialiseerde software en met extern toezicht bij elke selectieronde.

Als aan deze voorwaarden voldaan zijn, hebben alle deelnemers aan de loting gelijke kansen en weerspiegelt de selectie de diversiteit (leeftijd, kunstdiscipline, persoonlijke achtergrond) die in de hele verzameling aanwezig is. Deze snelle vorm van selectie is tegelijk objectief. Het resultaat van de loting is voor iedereen aanvaardbaar. Achteraf zijn er geen discussies over de reden van wel of niet geselecteerd te zijn. Van de deelnemers die na de loting toegang krijgen tot het BIA of lid worden van de controlegroep, wordt als enige tegenprestatie de deelname aan de zesmaandelijkse survey verwacht.

Hoe we het draaien of keren: de loting blijft een selectie. Er zijn meer mensen teleurgesteld dan er uitgeloot zijn. Het indienen van de kandidatuur geeft geen garantie op selectie. De selectie voor het BIA houdt geen rekening met de individuele financiële noden van de kandidaten. Afhankelijk van hun artistieke discipline, persoonlijke situatie en andere inkomsten kunnen die noden sterk verschillen. Bij de beoordeling van de kandidaturen is de artistieke kwaliteit van het werk geen criterium. In de rapporten zien we ook dat er bij de loting van de controlegroep een grote uitval is en er meerdere selectierondes nodig zijn om het streefdoel van 1.000 deelnemers te benaderen.

4.4. Verloop BIA (2022-2026)

Kandidaten voor het ontvangen van een BIA hebben een maand om zich online aan te melden. Het departement voorziet toegankelijke informatie over de voorwaarden en begeleiding bij de indiening. Meer dan 9.000 aanvragen worden in de zomer van 2022 getoetst aan de toelatingsvoorwaarden. Hierbij is de privacy van de gegevens en de anonimiteit van de aanvragers een aandachtspunt. 8.206 goedgekeurde kandidaturen komen in aanmerking voor de selectie door loting. Het departement doet hiervoor beroep op gespecialiseerde dienstverleners en statistische software. Na uitval van kandidaten, 27 voor het BIA en 408 voor de controlegroep, blijken extra lotingen noodzakelijk met respect voor de gelijke kansen van alle kandidaten. Het nemen van deze voorzorgen leidt op korte tijd tot een objectieve selectie. In oktober 2022 ontvangen 2.000 aanvragers de eerste maandelijkse BIA-betaling van 1.417 euro op hun rekening. De enige voorwaarde is dat ze twee keer per jaar de vragenlijst invullen. De leden van de controlegroep die dat ook doen, ontvangen een jaarlijkse vergoeding van 650 euro voor hun tijd. Het BIA is een belastbaar inkomen, wat impact kan hebben op sociale uitkeringen.

De eerste dataverzameling gebeurt in oktober 2022, voor de eerste uitbetaling, om gegevens te verzamelen over het voorbije half jaar sinds het indienen van de kandidatuur in april van dat jaar. Het online invoeren van persoonsgegevens en informatie over inkomen, gewerkte uren, leven, welzijn en mentale gezondheid enz. gebeurt volledig anoniem. De vragenlijst is voor beide groepen identiek en het beantwoorden van de meer dan 80 vragen vraagt veel tijd. Een tweede bevraging wordt afgenomen in april 2023. Het onderzoeksteam publiceert de analyse van beide gegevensbronnen in december 2023. De publicatie van het volgende rapport met de bevraging na een jaar BIA is in mei 2024 mee aanleiding voor de organisatie van een conferentie. 

Na de verkiezingen in november 2024 komt er in januari 2025 een nieuwe regering met een andere minister van cultuur. Deze ontvangt in mei het rapport met een onafhankelijk kwalitatief onderzoek naar de ervaringen van ontvangers van het BIA. Het vult de rapporten op basis van de surveys van het eigen onderzoeksteam aan. De minister gaat in overleg met de NCFA en belooft in de regering het vervolg van het BIA te agenderen. In juni 2025 kondigt de minister een verlenging van het BIA met zes maanden aan, tot eind februari 2026. In het najaar verschijnt het rapport met de impact na twee jaar en de cost-benefit analyse. 

4.5. Voordelen BIA

Het belangrijkste doel van de regeling is het aanpakken van de financiële onzekerheid van kunstwerkers. De diversiteit van de samenstelling van de geselecteerde deelnemers geeft aan dat het ontwerp van de beleidsmaatregel gelijke kansen voor aanvragers heeft gerealiseerd. Ontvangers ervaren de maandelijkse betalingen als een erkenning en onvoorwaardelijke steun. De regelmaat van het inkomen en de horizon van drie jaar, geven hen de mogelijkheid om plannen voor de toekomst te maken en te investeren in hun artistieke ontwikkeling, productie en presentatie. 

De kwantitatieve analyses van de dataverzameling zetten deze getuigenissen om in cijfers. Als illustratie kijken we in het rapport na twee jaar (cijfers van vijf surveys). 31% van de ontvangers van het BIA geven aan dat ze kunnen leven van hun kunstpraktijk. Bij de leden van de controlegroep is dat aandeel kleiner en blijft het stabiel rond 22%. Ontvangers van het BIA besteden wekelijks gemiddeld 11 uur meer aan hun artistieke praktijk dan leden van de controlegroep. Ze geven gemiddeld 250 euro per maand meer uit aan materialen, werkruimte en mobiliteit dan de leden van de controlegroep. Het BIA had geen effect (noch positief, noch negatief) op de tarieven voor contracten of opdrachten, op onbetaald werk, op fondsenwerving en subsidieaanvragen. 

Het onderzoek peilt naar de levensstandaard op basis van een bestaand statistisch meetinstrument. Bij de eerste bevraging ervaart 56% van alle respondenten (ontvangers én controlegroep) deprivatie op minstens twee van de elf indicatoren. In oktober 2024 is dit nog het geval bij 30% van de ontvangers van het BIA en 50% van de leden van de controlegroep. Ter vergelijking: in de statistiek van de algemene bevolking in Ierland is dat 15,7% (2024). 

De survey peilt naar het psychologisch welzijn en de rapporten geven een positieve evolutie voor de ontvangers van het BIA. Toch valt het op dat zowel de ontvangers van het BIA (54%) als de leden van de controlegroep (75%) hoger scoren op depressieve gevoelens dan de algemene bevolking (34%) in Ierland.

De kosten-batenanalyse neemt alle effecten mee in rekening: 1 euro BIA levert 1,39 euro op aan toegenomen maatschappelijke waarde en economische activiteit, bijdrage aan belastingen, minder zorgkosten en sociale uitkeringen.

4.6. Nadelen BIA

Dat het programma beperkt is tot 2.000 deelnemers wordt door velen als nadeel genoemd. Er zijn veel meer kandidaten die ervoor in aanmerking komen. Terwijl in de periode van de indiening van kandidaturen iedereen erover spreekt, blijft het na de loting stil. De ontvangers van het BIA zwijgen over hun selectie. Alle anderen zijn teleurgesteld. De leden van de controlegroep observeren tijdens het invullen van de survey het verschil met hun vroegere plannen en herbeleven die teleurstelling.

Ander nadeel is de beperking in de tijd tot drie jaar. Er is nog geen zicht op de effecten van het BIA op langere termijn. Of het werkt als toeleiding tot meer betaald werk in de kunsten is voorlopig onzeker. Het BIA is een belastbaar inkomen. Daardoor is het niet combineerbaar met middelengetoetste sociale uitkeringen (bv. ziekte, handicap, mantelzorg). Aanvragers en dossierbeheerders konden de impact van het BIA op dat vervangingsinkomen vooraf niet inschatten.

Het BIA is geen Universeel Basisinkomen (UBI). Er verandert niets aan de structurele problemen van de kunstensector in Ierland: gebrek aan fair pay in de kunsten, de huisvestingscrisis en jeugdwerkloosheid in Ierland, het tekortschieten van algemeen beleid tegen ongelijkheid en voor inclusie, de kritiek op het functioneren van The Arts Council Ireland met een jaarbudget van 140 mio. euro. Naast een inkomen hebben kunstenaars ook een bloeiend cultuurleven nodig voor de ontwikkeling van hun praktijk: kunstopleidingen, werkplekken, technisch materiaal en gespecialiseerde bediening ervan, toegankelijke presentatieruimtes, toeschouwers en kopers, media-aandacht…

4.7. Welke minister is bevoegd?

In het Ierse regeerakkoord (2020) stond een universal income pilot ingeschreven onder sociale inclusie. De  minister van cultuur is binnen de regering de trekker om de pilot te ontwerpen voor de kunstensector. Na de goedkeuring van dit voorstel is de volgende vraag: wie is verantwoordelijk voor de uitvoering? Ook na de beslissing dat dit onder de bevoegdheid van de cultuurminister zou vallen, dient uitgezocht of het ministerie de uitvoering ervan zelf zou doen of zou delegeren naar The Arts Council Ireland. Het antwoord bestaat uit de samenstelling van een nieuw team binnen het cultuurdepartement. 

Er blijven raakvlakken met de bevoegdheden van andere ministeries. Het BIA is een belastbaar inkomen, op basis van persoonlijke omstandigheden. Ontvangers die nog niet geregistreerd zijn bij de belastingdienst, worden dat ambtshalve als zelfstandige. In Ierland geeft dit statuut toegang tot meer sociale zekerheidsstelsels dan in België. Er komen al snel vragen over de combinatie van het BIA met subsidies en uitkeringen. Waar subsidies van The Arts Council Ireland combineerbaar zijn, is dat minder duidelijk voor sociale uitkeringen. Bepaalde sociale uitkeringen zijn inkomensafhankelijk. Mensen die een uitkering ontvangen vanwege bijvoorbeeld ziekte, beperking of mantelzorg worden na ontvangst van het BIA geconfronteerd met een verlaging of zelfs volledig verlies van die uitkering. Bovendien kunnen ze deze impact bij het indienen van de aanvraag nog niet inschatten. Ondanks dit heikel punt verkiezen respondenten in interviews het BIA boven een uitkering. De erkenning als kunstenaar en de onvoorwaardelijke toekenning van het BIA wegen door in die positieve evaluatie. Sociale uitkeringen ervaren ze als stigmatiserend vanwege de middelentoetsing en medische controles die ermee gepaard gaan. Deze voorkeur bevestigt ook mee het belang van het beheer van deze maatregel door de minister van cultuur.

4.8. Permanent Basic Income for the Arts (2026-2029)

Na de beslissing over de verlenging van het BIA bereidt het departement de toekomst van een permanent BIA voor. Tussen 12 augustus en 5 september 2025 loopt een online public consultation. Op 2 oktober maakt de minister een aantal resultaten bekend. Meer dan 17.000 respondenten spreken zich over het thema uit, wat een idee geeft van het toegenomen draagvlak. 97,39% is voorstander van een permanent BIA en 53,47% vindt het bedrag van 325 euro correct. Dit resultaat is verrassend: dit bedrag blijft onveranderd sinds 2022 terwijl Ierland in de periode tot 2025 een daling van de koopkracht kende. Het land kent een structureel begrotingsoverschot, 12,4 miljard in 2025, waarmee een verhoging gefinancierd kan worden. Dat Ierland geen automatische indexering van sociale uitkeringen kent, zou deze respons kunnen verklaren.

Op 10 februari 2026 keurt de regering de parameters voor een BIA 2026-2029 goed. Het doel blijft om kunstenaars te helpen omgaan met een precair inkomen en te vermijden dat ze de kunsten verlaten om economische redenen. Concrete informatie over de voorwaarden is beschikbaar op 1 april en twee weken later kunnen kandidaturen ingediend worden tot 12 mei. De toegang wordt in de oproep strikt omschreven: professionele kunstenaars vanaf achttien jaar die een actieve kunstpraktijk in Ierland kunnen bewijzen. 100 plaatsen worden gereserveerd voor starters (afgestudeerd tussen 2024-2026). Alle aanvragers moeten een survey invullen om de dataverzameling van het departement uit te breiden. 

Tijdens de zomer van 2026 worden de kandidaturen nagekeken voor men de loting doet voor de ontvangers en voor de leden van de controlegroep. Voor eind 2026 zullen 2.000 aanvragers hun eerste betaling ontvangen. Daarna zal de survey jaarlijks ingevuld moeten worden.

4.9. Draagvlak

Tweemaal gaf de Ierse overheid opdracht voor een public consultation. In 2022 vraagt men feedback over het ontwerp van het BIA. In 2025 wil men weten hoe groot het draagvlak voor een permanent BIA was. Deelname aan de survey is vrijwillig. Het gaat hier niet over een bevraging van een representatieve steekproef van de Ierse bevolking. Over de resultaten van beide online consultaties is een rapport gepubliceerd en we besteden hier aandacht aan het tweede rapport van april 2026. 

De verschillen met de bevraging in 2022 kunnen onder andere verklaard worden door de grotere bekendheid van de maatregel. De analyse houdt rekening met antwoorden van 17.083 deelnemers, waarvan 44,99 % burgers. De ontvangers van het BIA (#1.459) zijn in vergelijking met de eerste consultatie een nieuwe groep en de hoge participatie (72,95% van alle ontvangers van het BIA) valt op. De analyse kijkt daarnaast apart naar de data van vertegenwoordigers van mensen met een beperking (#42). Door het kleine aantal, hebben die resultaten een indicatieve waarde. Deze analyse houdt rekening met vijf in plaats van drie stakeholders. Respondenten zijn verdeeld over kwesties zoals: de selectie van aanvragers, het bedrag van het BIA en de duur ervan. De auteur stelt dat het een uitdaging is om conclusies te trekken. 

Op de vraag of het BIA permanent moet worden is het antwoord wel duidelijk: 98% van de respondenten is voorstander. Dat ontvangers van het BIA en andere kunstenaars bijna unaniem ‘ja’ antwoorden is geen verrassing. De positieve respons van de drie andere groepen ligt wat lager. De analyse staat stil bij de negatieve reacties van vertegenwoordigers van kunstorganisaties en van burgers. Een ‘nee’ op deze vraag kan betekenen dat die respondenten het BIA zoals het nu is niet willen voortzetten, of dat die moeite hebben met het onderscheid dat BIA maakt tussen kunstenaars en de rest van de bevolking. De kwalitatieve analyse van bijdragen in open tekstvelden brengt nuance. Een tegenstem blijkt vooral gemotiveerd door fiscale en administratieve bedenkingen over ongelijkheid of fraude. Zelf na deze diepgaande analyse van de 3,3% tegenstanders, blijft het grote draagvlak voor een permanent BIA overtuigend.

4.10. Basisinkomen in België

Tot slot deze vraag: bestaat er hier bij ons een draagvlak voor een basisinkomen, al dan niet alleen voor kunstenaars? Het BAsic income in BELgium (BABEL) project, een interuniversitair onderzoek, analyseert voor het eerst of en in welke mate verschillende voorstellen voor een basisinkomen op publieke steun kunnen rekenen. Het onderzoek is gefinancierd door de federale overheid en moet dus passen binnen haar bevoegdheden: sociale zekerheid, sociale bijstand, armoedebestrijding. De dataverzameling gebeurde in 2021 bij een representatieve steekproef van 3.000 Belgen.

Dat de persoonlijke situatie van respondenten een rol speelt is geen verrassing: jongeren, mensen met een laag inkomen, kortgeschoolden en vrouwen betuigen over het algemeen meer steun voor een basisinkomen dan respondenten met een ander profiel.
De analyse legt drie breuklijnen bloot. De taalgrens is een eerste: Franstalige respondenten zijn meer voorstander dan Nederlandstalige. Politieke en ideologische voorkeur is een tweede: linkse kiezers zijn meer voorstander dan rechtse. De voorstanders kiezen trouwens niet allemaal voor het onvoorwaardelijk universeel basisinkomen: over alle partijen heen is de steun groter voor een participatie-inkomen: een voorwaardelijk basisinkomen, gekoppeld aan het vervullen van maatschappelijk nuttige taken. Tenslotte is er een tendens dat de respons gekleurd wordt door de mening of de welvaartsstaat burgers nog in voldoende mate bescherming biedt. Vooral bij respondenten die vinden dat de sociale zekerheid arbeid ontmoedigt, is steun voor een basisinkomen laag.

Het rapport illustreert de vaststellingen in ander onderzoek naar de evolutie van de welvaartsstaat. De verbetering van de levensstandaard leidt tot een toename van de middenklasse en dat heeft politieke impact. Er is sprake van een paradox: als meer mensen het goed hebben, is er minder steun voor herverdeling. Sinds de jaren 1980 krijgt de welvaartsstaat daardoor geleidelijk een andere architectuur. Het beleid gaat zich richten op arbeidsactivering, onderwijs en de combinatie van werk en gezin. Het recht op uitkeringen voor sociale risico’s die de middenklasse minder treffen, zoals werkloosheid, ziekte of armoede, wordt steeds strenger toegekend door bijkomende voorwaarden en herhaalde controles. Sociale zekerheid en maatschappelijke bijstand worden, in wat men de ‘actieve welvaarsstaat’ noemt, minder beschermend voor mensen in de lagere middenklasse en de onderste klasse.

Het belang dat burgers in de middenklasse en de politici die ze kiezen, hechten aan arbeid en werkwilligheid zien we weerspiegeld in het groter draagvlak voor een participatie-inkomen dan voor een basisinkomen. Als we nadenken over een toepassing van het Ierse BIA in België, kunnen we ons de vraag stellen of de arbeid van kunstenaars en kunstwerkers aan de definitie maatschappelijk nuttige taken van het participatie-inkomen beantwoordt. We vinden het antwoord in iets wat er al is: het kunstwerkattest.

In de regelgeving voor het kunstwerkattest dat toegang geeft tot een aantal sociale voordelen voor kunstwerkers kan de aanvrager sinds 2024 zogenaamd onzichtbaar en onbetaald artistiek noodzakelijk werk inbrengen in de mate dat het aantoonbaar is met documenten. Dit kan bijvoorbeeld een subsidie-aanvraag of projectontwerp zijn waarvoor een kunstenaar geen bezoldiging ontving, ongeacht het resultaat van het gedane werk. Het was niet vanzelfsprekend om deze maatregel in de wet op te nemen. Deze hervorming kwam, net als het BIA, tot stand tijdens de pandemie (2020-2022). De ontwerptekst leidde tot debat in het parlement en de media. De aan het kunstwerkattest gekoppelde kunstwerkuitkering zou de kunstwerker volgens de tegenstanders vrijstellen van het zoeken naar betaalde opdrachten en de clichés van kunstenaars als ‘luieriken’ en ‘subsidieslurpers’ bevestigen.

De integratie van onzichtbaar en onbetaald werk in de sociale regelgeving is de reden dat in het buitenland met interesse naar dit model van sociale zekerheid op maat van de culturele en creatieve sector gekeken wordt. De Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid werkt aan een eerste onderzoek naar de effecten van de hervorming en de ervaringen van kunstwerkers. De resultaten worden verwacht in 2027.

4.11 Bronverwijzingen

Bekijk een overzicht van relevante literatuur via onze Zotero bibliotheek.

Je leest: Kennispunt: Kunstenaarsstatuut
wiki 8