Ruimte voor kunst – case #4: Leuven

Cas-co

Ook in centrumsteden zijn kunstenaars en kunstprofessionals op zoek naar ruimte voor creatie en ontmoeting. Kunstenpunt en Cas-co organiseerden een gesprek in Leuven rond ruimte voor kunst, met kunstenaars, kunstorganisaties, de stad Leuven en de KU Leuven.

Werkruimte voor kunstenaars

De voorbije 10 jaar werden heel wat initiatieven genomen om kunstenaars aan betaalbare werkruimte te helpen. Naast grotere atelierorganisaties met een langere geschiedenis zoals in Antwerpen (AAIR/Studio Start) en Gent (Nucleo) ontsproten ook vele nieuwe initiatieven in kleinere centrumsteden – zoals Brugge (Entrepot/Tank), Mechelen (Artenova), Hasselt en Genk (Vonk). Die hebben specifiek aandacht voor het creëren van ruimte voor kunstenaars en artistieke praktijken in de kern van hun stad en hun kunstenveld.

Ook in Leuven is het gegeven van de atelierorganisatie vrij recent. Cas-co werd opgericht in 2015 op initiatief van de stad en een aantal cultuurpartners. Zij ambieerden een plek voor een levendige kunstenaarsgemeenschap, de ‘missing link’ in het lokale kunstenveld in de stad.
Cas-co biedt kunstenaars de mogelijkheid om langere tijd te werken en te verblijven in het centrum en versterkt bestaande kunstenorganisaties via kritische dialoog.

Via een tijdelijke terbeschikkingstelling door projectontwikkelaar VIRIX vond de organisatie in 2016 haar thuisbasis in de Vaartstraat. Het modernistisch gebouw huisvest naast ateliers voor individuele kunstenaars ook gedeelde productiefaciliteiten en tijdelijke creatieplekken voor beeldende kunst, theater en performance. Sinds de start is het een plek waar verschillende dynamieken en partners, zoals M Leuven en 30CC, samenkomen rond ontwikkeling en ondersteuning van artistieke makers.

Cas-co

Vanaf 2013 stelt ook KU Leuven in haar cultuurbeleidsplan nadrukkelijk de interactie tussen kunst en wetenschap voorop, net als een stimulerend beleid naar cultuurparticipatie en creatie. Toen de universiteit in 2015 een nieuwe, tijdelijke invulling zocht voor het voormalig Bacteriologisch Instituut in de Vital Decosterstraat, was dit de ideale gelegenheid om deze twee ambities samen te brengen.

BAC Atelier – inmiddels BAC ART LAB – werd in maart 2016 boven de doopvont gehouden. Het biedt multidisciplinaire werkruimtes aan studenten en personeelsleden van KU Leuven en haar associatiepartners, zoals LUCA School of Arts. BAC ART LAB wil een context scheppen voor talentontwikkeling, uitwisseling en experiment. Nieuwe onderwijsvormen die praktijk en opleiding verbinden krijgen er een plek. Voor de universiteit is het een plek waar concreet vorm gegeven wordt aan de groeiende belangstelling op internationaal niveau voor de mogelijke verbindingen tussen kunst en wetenschap. Bovendien ontstaat zo een gemeenschap van kunstenaars die het beleid en programma helpen vernieuwen.

BAC ART LAB

Op een boogscheut van beide organisaties, in de J.P.-Minckelersstraat, bevindt zich Batiment A. Sinds 2010 organiseerden een tiental kunstenaars hier een gemeenschappelijke werkruimte in een leegstaand gebouw van de federale Regie der Gebouwen. Zij richtten een vzw op die een gebruiksovereenkomst sloot, waarbij de Regie instaat voor het onderhoud van het gebouw. Elk lid van de gemeenschap draagt bij aan de maandelijkse huur, nutsvoorzieningen, werkmateriaal, kennis en netwerk. Ondertussen is Batiment A een interdisciplinaire werkplaats geworden met o.a. een schildersatelier, 3D-ontwerpstudio, muziekstudio, vergader- en bureelruimte. Om het cultureel karakter van deze invulling te vrijwaren moeten nieuwe kandidaten een aanvraag indienen. 

Ook binnen de grotere kunsthuizen was er in Leuven al langer aandacht voor de aanwezigheid van kunstenaars in de stad. De tijdelijke residentiemodellen van o.a. STUK, Museum M, het Depot, Nieuwstedelijk, fabuleus en Cie Tartaren zijn al geruime tijd een manier om kunstenaars actiever bij het huis en de stad te betrekken.

De voorbije vijf jaar zijn Stad Leuven, de universiteit, kunstenaars en kunstensector erin geslaagd om een vruchtbare fysieke en artistieke omgeving te creëren voor kunstenaars in het centrum van de stad. BAC ART LAB legt de mogelijke verbindingen tussen kunst en wetenschap (een internationaal fenomeen) en atelierorganisaties zorgen vaak voor de verbinding tussen artistieke ideeën en projecten van kunstenaars, de kennis en expertise uit kunstenveld, en andere maatschappelijke domeinen.

Verschillende actoren in de stad erkennen het belang van plekken die ruimte geven aan kunstenaars en hun projecten. Als wendbare spelers zorgen atelierorganisaties in de stedelijke omgeving vaak voor de verbinding tussen artistieke ideeën en projecten van kunstenaars, en de kennis en expertise uit kunstenveld, wetenschap en andere maatschappelijke spelers. Denk aan masterclasses, studio visits, onderzoekstrajecten, allianties met presentatieplekken, een platform voor artist talks…

Batiment A

Vaste grond

Deze initiatieven die vanuit verschillende hoeken worden genomen missen voorlopig vooruitzichten op lange termijn en duurzame verankering op het vlak van infrastructuur en beleid. In 2019 besloot de Regie der Gebouwen om het gebouw van Batiment A te verkopen. Zonder de ruggensteun van een financieel-organisatorisch kader is het voor de individuele kunstenaars moeilijk om een gezamenlijke nieuwe locatie te vinden en die vanaf nul terug operationeel in te vullen. Toch is de organisatie vragende partij om actief bij te dragen aan oplossingen om haar werking te kunnen verderzetten.

Ook voor Cas-co is de toekomst onzeker: Cas-co wordt voor de komende stedelijke beleidsperiode structureel ondersteund, maar het tijdelijk karakter van de terbeschikkingstelling van een gebouw door een privé-eigenaar betekent in theorie dat de organisatie binnen de zes maanden een nieuwe plek zou moeten vinden als het contract ten einde loopt. De huur van het gebouw is weliswaar gratis, maar alle investering- en onderhoudskosten zijn voor rekening van de organisatie. Die worden gerealiseerd dankzij partnerschappen met 30CC en Museum M, die een deel van hun opdracht rond regionale talentontwikkeling in het huis waarmaken, en inkomsten via verhuur van ateliers en tijdelijke zalen. Maar het tijdelijk karakter van de infrastructuur bemoeilijkt keuzes op het vlak van langetermijninvesteringen en organisatie-uitbouw. 

Ook BAC ART LAB moet voorlopig rekening houden met een middellange termijnplanning. De Dienst Cultuur van KU Leuven kreeg het gebouw tot 2025 in beheer, in afwachting van de definitieve toewijzing. Toch vormt de ondersteuning van BAC ART LAB een belangrijke stap. Zowel op beleidsniveau als in de intensieve wisselwerking met de Technische Diensten van KU Leuven is stilaan een breed draagvlak ontstaan voor de atelierwerking van BAC ART LAB. Binnen het infrastructuurbeleid van KU Leuven zijn er vanuit die samenwerking al een aantal investeringen gedaan om de werking te optimaliseren.

Open Studios (c) Eva Donckers

Zichtbaarheid

Ruimte voor ontwikkeling en creatie is essentieel in de kunsten, maar de onzichtbaarheid ervan blijkt de achilleshiel te zijn van dergelijke initiatieven. Voor presentatie-instellingen zijn er wél stappen gezet naar structurele ondersteuning en naar een langetermijnperspectief voor infrastructuur. 

Voor residentie- en atelierorganisaties ligt dat in het algemeen moeilijker, zo blijkt ook in andere steden. Resultaten van hun ontwikkelingsinspanningen zijn niet meteen meetbaar, of worden in andere ruimtes en organisaties getoond. Het aantal bezoekers en publieke activiteiten van ateliers, werkplaatsen en kantoren van productieorganisaties is laag. Batiment A, BAC ART LAB en Cas-co zijn alle drie organisaties die de ondersteuning van de ontwikkeling en het productieproces van kunstenaars tot kerntaak hebben, maar het belang van hun werking is moeilijker meetbaar en hun positionering in de stad minder vanzelfsprekend.

Hoewel geen van de drie organisaties momenteel een heus presentatiebeleid kan dragen, zijn ze zich bewust van de beperkingen die de relatieve onzichtbaarheid van artistiek onderzoek, ontwikkeling en creatie met zich meebrengt. Zowel BAC ART LAB als Cas-co en Batiment A zoeken dan ook actief alternatieve manieren om zichtbaar te zijn.

BAC ART LAB organiseert jaarlijks een opendeurdag, waarbij de atelierwerking wordt opengesteld voor de universitaire gemeenschap en het brede publiek. Voor verschillende residenten-doctoraatsstudenten is de plek een platform om hun peers te ontmoeten en hun onderzoek in/met de kunsten aan hen te tonen. In het najaar van 2019 vonden ook drie keuzevakken uit KU Leuven en LUCA opleidingen plaats in BAC ART LAB, die telkens uitmondden in een intern of (semi)publiek toonmoment. Daarnaast is BAC ART LAB coproducent of gastheer van initiatieven die aansluiten bij haar werking.

Sinds 2017 werken Cas-co en STUK samen rond een presentatieplatform voor beeldend kunstenaars in STUKcafé. De vaak jonge Cas-co residenten presenteren er door STUK gecureerde solo shows. Met Off the, grid lanceerde Cas-co in overleg met beeldende kunstenoverleg Leuven in 2019 een publiek programma in het eigen residentiegebouw. Op die manier bouwt zich geleidelijk aan een breder netwerk van jonge makers en professionals op rond het huis. 

Ook de kunstenaars van Batiment A vinden het belangrijk om de dialoog met een publiek en buurtbewoners aan te gaan, en hun autonome stem en rol in de stad te vertalen vanuit een fysieke plek. 

Met Open Studio’s Leuven 2020 openen al deze werkplaatsen gedurende twee dagen de deuren voor publiek. Op die manier dragen de organisaties bij aan een brede visibiliteit van hun werking, en tonen ze de positie van de kunstenaar in de stad en aan de universiteit, en wordt de enorme verscheidenheid van de kunstenaars en culturele professionals zichtbaar. Open Studio’s genereert intern ook een grote synergie tussen de organisaties, die verdere kennisdeling en samenwerking mogelijk maakt. Open Studio’s plaatst het belang van ruimte voor kunst op de publieke agenda.

Open Studios (c) Eva Donckers
Into Limbo, a project for Off the, grid by Bram Van Breda (c) Matthijs van der Burgt

De stad als actieve speler.

Hoe verhoudt deze nood aan ruimte voor ontwikkeling en productie in de kunsten zich tot het stedelijk beleid? Stad Leuven erkent de meerwaarde van een dynamische culturele sector. “Ruimte voor cultuur en vrije tijd wordt het belangrijkste speerpunt deze legislatuur”, stelt schepen van cultuur Denise Vandevoort. [1] Het jaarlijkse budget om culturele activiteiten te ondersteunen wordt in de huidige legislatuur verhoogd voor projectondersteuning en infrastructuur, specifiek voor kleinere organisaties. 

“In Leuven kiezen we radicaal voor een andere aanpak (dan de knip van 60% projectsubsidies op Vlaams niveau), en maken we net extra budget vrij om jong talent meer kansen te geven. Jaarlijks voorzien we ruim 0,5 miljoen euro voor jonge makers en initiatieven van onderuit.” [2] Hoewel de stad ook de noodzaak van een transparante regelgeving erkent, bestaat de mogelijkheid nog niet om met open oproepen projecten financieel te versterken. In 2020 wordt daarom samen met organisaties in het veld een traject afgelegd, zodat het reglement in 2021 in voege kan treden.

De stad stelt zich ook op als matchmaker op verschillende niveaus. Ze verzamelt vragen uit de sector en verbindt organisaties met projectontwikkelaars. Op die manier worden oplossingen gevonden in de vorm van tijdelijk gebruik voor evenementen, of, zoals in het geval van de MaakLeerPlek, voor een tijdelijke invulling van leegstand. Ook verbindt de stad onderling organisaties die een gelijkaardige vraag hebben. Zo wil ze met een nieuwe podiumkunstensite een antwoord bieden op de vraag van verschillende organisaties naar een plek waar grote producties of producties met veel technische eisen terechtkunnen. [3]

Regisserend of faciliterend?

Wat is de rol van de Stad bij de invulling van dit dynamische cultuurbeleid? Ga je als stad samen met kunstenaars en hun organisaties op zoek naar nieuwe gebouwen die dan vrij door de kunstenaarsgemeenschap zelf worden ingevuld? Of toets je de inhoudelijke invulling ervan toch af aan ambities op stedelijk niveau?  

Het blijft een spanningsveld om artistieke noden, zelfs gedeeltelijk, af te stemmen op of met de lokale politiek. De vraag naar ruimte is immers groot. Verenigingen, socio-culturele organisaties en start-up bedrijven zoeken allemaal hun plekje in het centrum. Bepaalde initiatieven met een brede maatschappelijke socio-culturele invulling van een gebouw of een voortdurende zichtbaarheid bij een groot publiek hebben minder problemen om ruimte te vinden. Maar vele anderen, die ook vragende partij zijn voor ruimte en ondersteuning, hebben niet die zichtbaarheid en sociale impact op een gebouw en een buurt. 

Artistieke makers moeten ook, in dialoog met hun collega’s en het kunstenveld, tijd krijgen voor ontwikkeling en experiment. Daarom koppelen atelierorganisaties hun zoektocht naar maakruimte voor kunstenaars aan het ontwikkelen van een programma dat inzet op het creëren van meer mogelijkheden voor kwaliteitsvol experiment, de ontwikkeling van projecten en praktijken. 

Open Studios (c) Eva Donckers
Open Studios (c) Eva Donckers

Wie de hardware en wie de software?

De druk op initiatieven die werken rond ontwikkeling en productie wordt nog vergroot door het wegvallen van de ondersteuning voor cultuur door de provincies. Kunstenaars, organisatie en artistieke programma’s konden vroeger op relatief eenvoudige wijze financiële steun aanvragen voor programma’s rond regionale talentontwikkeling op het provinciale niveau. Na de laatste staatshervorming is deze ondersteuning weggevallen. 

Tussen het stedelijke en het Vlaamse niveau is een vacuüm ontstaan dat het huidige Bovenlokaal Cultuurdecreet voor uitdagingen stelt. De zoektocht naar de invulling van deze lacune is nog niet ten einde. 

Volgens atelierorganisaties, residenties en werkplaatsen zou een ideale werking bestaan uit een combinatie van stedelijke steun voor de infrastructuur en Vlaamse steun voor de organisaties met een (inter)nationaal inhoudelijk programma met begeleiding, curatoriële ondersteuning, inhoudelijke programma’s en residenties. Bovendien komt die vraag naar ruimte ook aan bod in de meerdere centrumsteden én kleinere steden. 

Initiatief

En wat met het spanningsveld tussen stedelijke initiatieven, de kunstensector en de snelheid waarmee projectontwikkelaars invulling geven aan een wijk of stad? In Leuven wil de stad met het stadsvernieuwingsproject Vaartopia in de vroegere industriële wijk met omliggende arbeiderswoningen aan de Vaartkom ‘meer fysieke en betaalbare ruimte geven aan ontwerpers, starters, kunstenaars, productiehuizen, culturele verenigingen en ambachtslui’. [4]

Hier lanceert de stad waardevolle initiatieven zoals de MaakLeerPlek, waar onderwijs, cultuur en economie samen de schouders zetten onder een stadsbreed project. Daarvoor investeren ze gezamenlijk in infrastructuur – hetzij tijdelijk, hetzij in ruimtes die deel uitmaken van het eigen stadspatrimonium. Ook het presentatieplatform Off the, grid waar kunstenaars zelf een kunstenprogramma maken, als aanvulling op het aanbod van kunsthuizen in Leuven, wordt de eerste jaren gerealiseerd dankzij Vaartopiamiddelen. Maar ook dat project is grotendeels afhankelijk van tijdelijke terbeschikkingstelling van infrastructuur door een projectontwikkelaar. De stad zelf heeft immers weinig vierkante meters van Vaartopia in volledig eigen beheer. Ook de kunstenaars van Batiment A vonden hier voorlopig nog geen betaalbare oplossing. 

Anderzijds is het zo dat grotere publiekshuizen vaker kunnen rekenen op het model van de erfpacht voor vijftig of honderd jaar. Zo heeft STUK voor haar gebouw een erfpachtovereenkomst met de KU Leuven. De stad bekijkt dergelijke mogelijkheden voor kleinere organisaties en initiatieven. Maar de sprong naar een eigenaarschap met alle verantwoordelijkheden van dien lijkt niet zo makkelijk te maken. Ook op dat vlak biedt een coöperatieve mindset wellicht groeipotentieel. 

Een model dat de stad reeds gebruikt in het kader van stadswoningen – waarmee de stad infrastructureel tegemoet wil komen aan de financiële realiteit van jonge mensen die zich voor een langere periode in Leuven willen vestigen [5] – dient zich aan. Daar onderhandelt de stad met privé-ontwikkelaars om een bepaalde hoeveelheid woningen te bouwen die onder de marktwaarde dienen verkocht te worden. Een dergelijk project biedt mogelijkheden om een bepaald percentage te onderhandelen voor betaalbare atelierruimtes. Anderzijds worden er vragen gesteld bij dergelijke modellen omdat het risico op latere verkoop aan marktprijzen niet geëlimineerd kan worden, en omdat er dan geen controle meer is dat de invulling bij verkoop cultureel blijft.

Het Autonoom Gemeentebedrijf Stadsontwikkeling Leuven is de dochteronderneming van de stad Leuven en werkt aan verschillende projecten rond stadsvernieuwing en -ontwikkeling. In het concrete voorbeeld van het herbestemmingsproject De Scheutsite (park, rusthuis en missiehuis in Kessel-Lo), onderhandelde het AGSL met de eigenaars voor de aankoop van de site en beheert zij administratief alle huurovereenkomsten voor de stad Leuven. Specifiek voor het tijdelijk gebruik van het missiehuis werkte de stad Leuven een systeem van prijsdifferentiatie uit, wat de huur verlaagt en toelaat dat kleinere verenigingen en organisaties met een maatschappelijk, sociaal, socio-cultureeel of artistiek karakter de ruimtes te betrekken. Gebruikers kunnen op basis van deze voorwaarden voor een maximum drie jaar delen van dit complex in huur nemen. [6]

Stroom Den Haag

Kunnen buitenlandse voorbeelden hier inspiratie bieden? Vooral steden in Nederland zoeken al langer naar verschillende modellen om kunstenaars in het centrum van de stad te houden en te zien als aandrijver van een levendige stad. 

Den Haag – qua profiel en oppervlakte vergelijkbaar met Leuven – is de voorbije 10 jaar onder jonge kunstenaars enorm in trek omdat de stad er aan kunstencentrum STROOM de opdracht heeft gegeven om een aantrekkelijk beleid uit te tekenen waar kunstenaars goed en betaalbaar kunnen wonen en werken. Vele kunstenaars uit Amsterdam verhuizen naar Den Haag omwille van de vruchtbare grond op vlak van infrastructuur, netwerk en inhoudelijke ondersteuningsprogramma’s. 

De Stad Rotterdam werkt eerder faciliterend en ontwerpt concrete beleidsinstrumenten waarmee initiatieven vanuit kunstenaars en kunstenaarsgerichte organisaties zelf de regie in handen kunnen nemen. Volgens wethouder Said Kasmi heeft Rotterdam de komende jaren vooral nieuwe kunstinitiatieven nodig. Daarbij wordt gedacht aan beginnende kunstenaars en innovatieve ideeën. Daarom komen er nu allerlei regelingen, zoals bijvoorbeeld een lening tegen een hele lage rente waar kunstenaars aanspraak op kunnen maken om een eerste stap te zetten. Verder is er het model van Pitcher perfect, waarbij kunstenaars en creatievelingen via peer beoordeling zelf bepalen welke artistieke projecten gefinancierd worden. [7]

Allianties

De huidige tendens in de groot- en centrumsteden is dat restruimte of tijdelijke leegstand steeds schaarser wordt en kortere periodes beslaat. De plaatsen waar kunstenaars kunnen wonen en werken in het centrum van de stad dreigen zich te verplaatsen naar de grenzen of de meer perifere, en dus commercieel minder aantrekkelijke, delen van de stad. Om die tendens tegen te gaan, is het vooral een kwestie dat stad, sectororganisaties en kunstenaars samen op zoek gaan naar concrete instrumenten. Huurmodellen op lange termijn kunnen een oplossing bieden aan minder kapitaalkrachtige spelers door allianties te vormen met elkaar, de stad en partners zoals de universiteit. Ten slotte is het belangrijk om in de regie en uiteindelijke uitvoering van stadsontwikkelingsprojecten de stem en noden van de kunstenaars mee te nemen. Zij zijn het die uiteindelijk voor de dynamische en vruchtbare voedingsbodem zorgen.

Noten

[1] persbericht: Leuven stelt 10 grote ambities voor komende jaren voor

[2] persbericht: Baanbrekend Leuven

[3] persbericht: Podiumkunstensite

[4] agsl.be/vaartopia

[5] agsl.be en leuven.be

[6] leuven.be/scheutsite

[7] Bekijk het filmpje Wethouder Said Kasmi wil het beginnende kunstenaars makkelijker maken

Dit artikel kwam tot stand dankzij bijdragen van Steven Vandervelden (algemeen en artistiek directeur van STUK, Huis voor Dans, Beeld en Geluid), Stefanie Lambrechts en Piet Forger (directie cultuur stad Leuven), Kristien Jacobs (hoofd Dienst Cultuur KU Leuven, coördinatie BAC ART LAB) & Christina Seyfried (projectmedewerker kunst en wetenschap Dienst Cultuur KU Leuven, coördinatie BAC ART LAB), Ief Spincemaille (kunstenaar, Batiment A) en Josine De Roover (coördinator Cas-co).

Het artikel werd geschreven door Alan Quireyns in samenspraak met de gesprekspartners. Dit gesprek werd ook gepubliceerd in een krant die uitgegeven werd naar aanleiding van Open Studio’s 2020 in Leuven.

A.Q.

Alan Quireyns


Je leest: Ruimte voor kunst – case #4: Leuven