Naar een eerlijk verloningskader voor de beeldende kunst

NAVA (c) Tanja Bruckner, 2017

In de herfst van 2020 startte een werkgroep met het opstellen van een afsprakenkader voor de correcte verloning van beeldend kunstenaars en freelance curatoren. De werkgroep houdt daarbij rekening met de principes van ‘Juist is Juist’, een online toolbox met heldere en eerlijke praktijken voor samenwerkingen in de kunstensector.

Daarnaast gaat de werkgroep ook het gesprek aan met overheden om de afspraken financieel haalbaar te maken voor alle partijen. Dit artikel licht hun werkwijze en stappenplan toe.

Een collectief afsprakenkader voor verloning: waarom? 

De sociaal-economische positie van de meeste beeldende kunstenaars en freelance curatoren is precair. Dat bevestigt het onderzoek ‘Loont Passie?’ uit 2016: beeldend kunstenaars zijn als groep uitgesproken de laagste verdieners van alle kunstenaars. 

Kunstenaars krijgen slechts sporadisch een subsidie (12% in 2014) voor een laag bedrag (gemiddelde subsidie van 6.800 euro). Slechts 30% van de kunstenaars geeft aan dat ze vergoed worden voor het maken van eigen werk en/of voor het tentoonstellen. 

Deze precaire positie werd tijdens de Covid-crisis extra bevestigd: vele (beeldend) kunstenaars hebben nauwelijks een sociaal vangnet. Dat is niet zozeer te wijten aan een gebrek aan ondernemerschap – integendeel zelf – maar wordt veroorzaakt door systemische kwesties rond verloning:

  • Er heerst een diepgewortelde traditie om kunstenaars en freelance curatoren uit te nodigen op basis van symbolisch kapitaal (“het project draagt bij aan faam en waarde” of “kunst beoefenen doe je niet voor het geld”), waardoor de samenwerking een onevenredig karakter heeft: je moet dankbaar zijn dat je aan een tentoonstelling mag werken, zonder er voldoende voor verloond te worden.

  • Gesubsidieerde kunstenorganisaties zijn verplicht om de Collectieve Arbeidsovereenkomst (CAO) te volgen voor verloning, maar die wordt niet steeds toegepast voor de verloning van kunstenaars en freelance curatoren. Omdat er in de beeldende kunst geen traditie is van verloning, hebben kunstenaars en curatoren weinig handvatten om een correct loon te onderhandelen. Wordt bijvoorbeeld de voorbereiding meegeteld? Oeuvre en creaties zijn immers het resultaat van een jarenlang rijpingsproces. Kunstenaars werken bovendien dikwijls aan meerdere projecten tegelijkertijd en zijn niet altijd fulltime met één project bezig. Naast de voorbereiding wordt er ook tijd geïnvesteerd in de productie van nieuw werk, het vervoer, de opstelling, het schrijven en nakijken van teksten … Wordt die tijd mee vergoed? En welke afspraken maken kunstenaars en kunstorganisaties indien een tentoongesteld werk verkocht of aangekocht wordt?

  • Door gebrek aan collectieve afspraken over het toepassen van de CAO hanteren kunstenaars en organisaties elk hun systeem rond verloning en staan kunstenaars alleen – en dus zwak – in een onderhandeling. 

  • Het ontbreken van een verloningskader zet zich ook door in de subsidieaanvragen: worden correcte lonen voor kunstenaars en curatoren ingeschreven in het budget, en hebben beoordelaars handvatten om die juist in te schatten? 

  • Als beeldend kunstenaars niet of te weinig verloond worden, heeft dat ook gevolgen voor hun toegang tot het kunstenaarsstatuut: volgens het onderzoek ‘Loont passie?’ heeft slechts 7% van de beeldend kunstenaar dat statuut. Bovendien is onbetaald werk onzichtbaar voor de sociale zekerheid en telt het niet mee in de opbouw van sociale rechten. 

Het goede nieuws? Deze kwesties zijn oplosbaar wanneer organisaties toereikende productie- en presentatie middelen voorzien met een correct loon voor kunstenaars en freelance curatoren; wanneer kunstenaars en freelance curatoren hun prijs en een correct loon mee opnemen in projectbudgetten en subsidieaanvragen; wanneer de subsidies van organisaties en projecten voldoen om correct te verlonen, en wanneer (private) opdrachtgevers de loonafspraken toepassen . 

Dat alles kan binnen een collectief afsprakenkader waar kunstenaars, freelance curatoren en organisaties mee akkoord gaan. Pas wanneer die afspraken worden toegepast, wordt de omslag gemaakt van onbezoldigd of onderbetaald werken, naar het waarderen van werk in de beeldende kunst volgens geldende arbeidsvoorwaarden waarmee kunstenaars ook sociale rechten opbouwen. 

Correct verlonen kadert dus in een cultuuromslag naar een eerlijke kunstpraktijk met evenredige relaties die gebaseerd zijn op wat beide partijen in alle transparantie, en met zin voor verantwoordelijkheid, voor elkaar kunnen betekenen in ruil voor een correcte verloning.

Er dient zich nu een momentum aan om die omslag te maken: een meerderheid van organisaties staat open voor overleg om zo’n collectief kader uit te werken voor de eerlijke verloning van kunstenaars en freelance curatoren. Kunstorganisaties die een werkingssubsidie aanvragen bij de Vlaamse overheid schrijven en berekenen hun plannen in december 2021 voor de periode 2023-2027: een uitgelezen kans om die omslag rond verloning te maken. 

Ook de minister van Cultuur engageert zich in zijn Visienota Kunsten (2020) voor ‘fair practice’, ‘fair pay’ en ‘cultural governance’ als leidende principes. En tenslotte heeft de Federale minister van sociale zaken Vandenbroucke besloten om het kunstenaarsstatuut te herzien in overleg met de sector. 

Een collectief afsprakenkader voor verloning: Hoe? 

Werkgroep

In oktober 2020 startte een werkgroep om een gedragen verloningskader uit te werken voor beeldende kunst. De leden bestaan uit:

  • de werkgroep beeldende kunst van Overleg Kunstorganisaties (oKo), begeleid door Els Vanheusden en Niek Verlinden 
  • NICC, vertegenwoordigd door Yannick Ganseman
  • State of the Art (SOTA), vertegenwoordigd door Katrien Reist 
  • voor Cultuurloket zit Marie-Louise Reedijk mee aan tafel als expert rond tewerkstelling, prijszetting en sociale statuten 
  • Dirk De Wit en Nikol Wellens van Kunstenpunt zitten de werkgroep voor 

Sociare, de Nederlandstalige werkgeversfederatie die socioculturele werkgevers overkoepelt (inclusief musea en beeldende kunstorganisaties), is op de hoogte van het traject. 

Het afsprakenkader zal vervolgens voorgesteld worden aan de subsidiërende overheden, eerst de Vlaamse overheid en vervolgens de steden en gemeenten. 

Fasering 

De werkgroep voorziet verschillende fasen. In een eerste fase wordt gepraat met de gesubsidieerde kunstenorganisaties en de musea voor hedendaagse kunst. Vervolgens wordt het gesprek aangegaan met de brede museumsector, de cultuurcentra en de private non-profit ruimtes. Ruimtes die in hoofdzaak gericht zijn op verkoop vallen buiten de scope van dit traject.

Binnen bestaande kaders: ‘Juist is Juist’

Het verloningskader beeldende kunst past binnen de afspraken die kunstenaars, kunstwerkers en kunstorganisaties hebben gemaakt rond eerlijk samenwerken in de kunsten door oKo: ‘Juist is juist’ (2020). Dit charter gaat uit van het principe dat iedereen die werkzaam is in de professionele kunsten recht heeft op een correcte vergoeding en een veilige werkomgeving, ook de groeiende groep freelancers.

Ook transparantie is een belangrijk principe van Juist is Juist, wat de werkgroep als volgt vertaalt:

  • Bij het opstellen van een projectbudget zou loon gescheiden moeten worden van andere posten zoals productie, presentatie, communicatie en de onkostenvergoeding voor kunstenaars en curatoren. Ook over de diensten die de organisatie ter beschikking stelt, maar niet in het projectbudget zijn opgenomen (omdat ze op andere begrotingsposten staan van de organisatie) moeten afspraken gemaakt worden.
  • De diverse inkomsten worden besproken door beide partijen, eveneens de verantwoordelijkheden indien het budget nog niet rond is, of wanneer het project en budget tijdens het proces wijzigt.

Binnen bestaande kaders: CAO PC 329

Als richtlijn voor een correcte verloning voor kunstenaars en curatoren baseert de werkgroep zich op de bestaande collectieve arbeidsovereenkomst (kortweg CAO) Cultuurspreiding met barema PC 329. Gesubsidieerde organisaties moeten die CAO toepassen.

Deze loonbarema’s gelden bijvoorbeeld voor cultuurcentra, musea en beeldende kunstorganisaties. Binnen de structuur van deze CAO bestaat echter geen apart barema voor de kunstenaar of curator. De functie ‘artistiek medewerker’ krijgt wel eigen loonvoorwaarden toegekend in de toepassing van barema B1c. 

De brutolonen in dit barema gelden als minimum voor musea en kunstorganisaties met een structurele subsidie, maar er is uiteraard ruimte om onderling een hoger loon overeen te komen.

Correcte verloning gebeurt vervolgens het best op basis van de inschatting van tijd voor diverse prestaties: de voorbereiding, de productie, de installatie en andere omkaderende activiteiten. Naast barema en tijd gelden ook anciënniteit en andere voordelen zoals vakantiegeld en eindejaarspremies.

Op termijn kan een CAO heronderhandeld worden, maar dat vraagt voorbereiding en tijd en is momenteel niet aan de orde.

Verloning volgens diverse sociale statuten

Er bestaan verschillende sociale statuten: als werknemer (vast of tijdelijk) of als zelfstandige. Je kan ook werken via een interimkantoor of een Sociale Bureau voor Kunstenaars. Zij kunnen op basis van gangbare CAO’s de aanwerving regelen.

Werken in loondienst veronderstelt werken onder gezag, wat voor sommige kunstenaars tegenstrijdig voelt met artistieke autonomie. Daarom bestaat voor kunstenaars een bijzondere regeling: artikel 1 bis. Daarbij word je als kunstenaar wel als werknemer beschouwd, maar is er geen sprake van gezag door een werkgever. Je bouwt wel sociale zekerheid op (pensioen, werkloosheid), maar je geniet niet alle beschermende voordelen van een arbeidscontract (eindejaarspremie, opzegtermijnen, verbrekingsvergoedingen …). Voorwaarde is wel dat de kunstenaar een kunstenaarsvisum heeft.

Buitenlandse modellen

Het verloningstraject beeldende kunst schrijft zich nadrukkelijk in in de Belgische wetgeving rond arbeid en sociale zekerheid, waarbinnen kunstenaars en curatoren maximale bescherming kunnen genieten. 

Buitenlandse voorbeelden kunnen wel inspireren, maar het heeft weinig zin om verloningskaders toe te passen die ontwikkeld werden binnen de specifieke wetgeving rond arbeid en sociale zekerheid die in elk land sterk verschillen. 

Vergoeding voor presentatie van bestaand werk

Naast verloning op basis van tijdsinvestering, kan een kunstenaar ook vergoed worden voor bestaand werk. Gebeurt dit in de vorm van een huur van een roerend goed (een diverse inkomstenbron) of als een vorm van auteursrecht? En hoe wordt het bedrag vervolgens berekend? Daar bestaan geen regels voor en wordt vastgelegd onder de kunstenaars en organisaties. 

Kwesties en vragen

Volgende kwesties en vragen kwamen bij de wekgroep naar boven tijdens dit traject: 

  • Is het noodzakelijk om, ondanks het berekenen van loon op basis van tijd, toch minimale tijdsbestedingen (en dus minimale lonen) op te stellen per type artistieke activiteit?
  • Ancienniteit: vindt de sector het belangrijk om anciënniteit mee te nemen in de berekening van verloning?
  • Andere loonbarema’s binnen PC 329 dan B1c (artistiek medewerker): werkgevers kunnen ook gebruik maken van barema’s met hogere loonschalen als ze vinden dat kunstenaars of curatoren meer verantwoordelijkheid hebben dan de functie ‘artistiek medewerker’. Wordt dit meegenomen in het verloningskader en hoe? 
  • Differentiatie: is er nood aan differentiatie op basis van het inkomen van kunstenaars? Kunnen kunstenaars hun loon storten in een fonds als ze geen loon nodig hebben? Wordt er onderscheid gemaakt tussen de betaalcapaciteit van organisaties, bijvoorbeeld op basis van budget en/of schaal? 
  • Hoe verhoudt verloning zich tot het (co)produceren van nieuw werk? 
  • Verkoop of aankoop van een werk: worden er collectieve afspraken gemaakt over de verkoop of aankoop van een werk dat gepresenteerd en/of ge(co)produceerd werd? 
  • Auteursrechten een plaats geven in het kader, hoewel je er geen sociale rechten mee opbouwt. Curatoriële concepten worden niet beschermd door het Belgische auteursrecht.
  • De nood aan een rekenmodel voor kunstenaars en curatoren om hun loon te berekenen en de nood aan een budgetteringsmodel voor een project en voor een jaarlijkse praktijk.

Een collectief afsprakenkader voor verloning: wanneer?

Het is de bedoeling dat kunstorganisaties die een werkingssubsidie aanvragen voor de periode 2023-2027 het collectief afsprakenkader gebruiken bij de berekening van hun artistieke plannen. Het afsprakenkader zal ook besproken worden met de overheden. 

De toepassing voor projectsubsidies wordt begin september besproken met de overheid. Vanaf het najaar 2021 bespreekt de werkgroep het kader met de musea, de cultuurcentra en de non-profit private initiatieven.

De werkgroep overweegt ook een testperiode bij de toepassing van het verloningskader zodat het bijvoorbeeld na een jaar kan geëvalueerd worden. 

Je leest: Naar een eerlijk verloningskader voor de beeldende kunst