Loont passie?

Een onderzoek naar de sociaal-economische positie van professionele kunstenaars in Vlaanderen.

Het gros van de professioneel actieve bevolking heeft vandaag een vrij traditionele en stabiele loopbaan. De arbeidsmarkt van de kunsten vormt hierop een opvallende uitzondering; ze wordt gekenmerkt door een hoge mate van projectmatig werk, waarbij creaties op eigen initiatief en een aaneenschakeling van opdrachten van korte duur en bij verschillende opdrachtgevers de norm is.

De antwoorden van meer dan 2.700 kunstenaars op een online-enquête werpen een licht op de sociaal-economische realiteit van de kunstenaars in hun atypische arbeidsomgeving. De resultaten laten interessante verschillen zien tussen de onderzochte disciplines ‒ film, beeldende kunsten, literatuur, muziek en podiumkunsten. Maar er zijn ook algemene vaststellingen te maken.

1. Sociaal-demografisch profiel

LEEFTIJD

De jongste beroepsgroep in het onderzoek is die van de podiumkunstenaars. Ruim een derde (36%) van hen is jonger dan 35 jaar en zo’n 70% is jonger dan 45. De groep van scenaristen en regisseurs is de op een na jongste groep en kent 60% respondenten jonger dan 45 jaar. Die 60% evenaart het aandeel 45-minners op de globale arbeidsmarkt. De literatuur, muziek en beeldende kunsten kennen een lager percentage jongere kunstenaars onder de respondenten. In alle disciplines zijn er naar verhouding meer oudere respondenten actief (55-plussers) dan op de globale Vlaamse arbeidsmarkt, hoewel dit per discipline nog verschilt. De oudste populatie vinden we bij de schrijvers en illustratoren. Ruim een derde is hier ouder dan 55 jaar en 10% van de ondervraagde schrijvers heeft de pensioenleeftijd al overschreden (tegenover maar 0,5% van de actieven op de ruime Vlaamse arbeidsmarkt).

GENDER

De kunstenaarsberoepen binnen de muziek en de film blijken erg mannelijke beroepen. In beide disciplines is meer dan 70% van de respondenten een man, bij de muzikanten gaat het zelfs om meer dan driekwart van de populatie. De andere disciplines hebben een min of meer evenwichtige man-vrouwverdeling. Bekijken we de genderverhoudingen per leeftijd, dan krijgen we evenwel een ander beeld. Binnen elk van de disciplines vinden we een groter aandeel vrouwen bij de jongste leeftijdsgroepen. De daling van het aandeel vrouwen gebeurt evenwel niet voor elke discipline lineair met de stijging van de leeftijd en is niet voor elke discipline even sterk. De audiovisuele kunsten en muzieksector mogen dan op elkaar gelijken in hun globale man-vrouwverhouding, ze kennen een andere genderverdeling naar leeftijd: de daling van het aandeel vrouwen is bij regisseurs en scenaristen lang niet zo spectaculair als bij muzikanten en componisten. Bij deze laatsten verdwijnen oudere vrouwen volledig uit het beeld en is bij de 55-plussers meer dan 90% man (i.t.t. 53% op globale Vlaamse arbeidsmarkt). Binnen de beeldende kunsten, podiumkunsten en literatuur geldt grosso modo dat de verdeling bij de 35-minners 40%-60% is, met een overwicht aan vrouwen (i.t.t. 49% op de globale Vlaamse arbeidsmarkt voor deze leeftijdsgroep), terwijl dat bij de leeftijdsgroep van 65+ net omgekeerd is (i.t.t. 47% op de globale Vlaamse arbeidsmarkt voor deze leeftijdsgroep). De uitval van vrouwen doorheen de jaren is opmerkelijk groter dan op de Vlaamse arbeidsmarkt. (Het lagere aandeel vrouwen in de oudere leeftijdsgroepen is zowel het gevolg van uitval doorheen de carrière als van een beperktere instroom op de arbeidsmarkt decennia geleden).

OPLEIDINGSNIVEAU

Artiesten zijn beduidend hoger geschoold dan de globale bevolkingRuim driekwart van de respondenten heeft een diploma hoger onderwijs tegenover 40% van de werkende bevolking in België. Bij de respondenten met een diploma hoger onderwijs, heeft bovendien de meerderheid een masterdiploma op zak (61% van alle respondenten of 71,5% van alle hoogopgeleide respondenten). Kunstenaars komen in elk van de disciplines verhoudingsgewijs meer uit het aso en kso ‒ tussen 80 en 90% ‒ en veel minder uit het bso en tso.

Het zou niet juist zijn te denken dat zowat alle kunstenaars een artistieke opleiding volgden. 68% van de beeldend kunstenaars volgde een artistieke opleiding. Bij de film, podiumkunsten en muziek zakt dat aandeel tot respectievelijk 58%, 56% en 51%. Onder de schrijvers en illustratoren heeft slechts 37% een artistieke opleiding genoten.

2. Activiteiten, vergoedingen en tijdsbesteding

Het onderzoek polste de diverse activiteiten die de kunstenaars uitvoerden en de mate waarin daar vergoedingen tegenover staan. Vier types van activiteiten werden onderscheiden:

  • Type 1. Artistieke activiteiten binnen de eigen artistieke discipline, kernartistieke activiteiten.
  • Type 2. Activiteiten gerelateerd aan de eigen discipline maar die niet tot de kern van de artistieke activiteiten behoren (bv. lesgeven binnen de discipline, techniek of productiewerk).
  • Type 3. Artistieke activiteiten binnen andere disciplines (bv. een scenarist die ook romans schrijft of een beeldend kunstenaar die ook in een band speelt).
  • Type 4. Andere activiteiten die zich buiten het kunstenveld afspelen.

Aangezien de activiteiten werden gespecificeerd per kunstenaarsgroep, verwijzen we voor de activiteitenprofielen en de mate waarin bepaalde activiteiten worden vergoed naar de fiches van de afzonderlijke disciplines die op deze algemene samenvatting volgen. Er zijn wel enkele algemene observaties te maken m.b.t. de activiteiten en vergoedingen over de disciplines heen.

VERGOED OF NIET?

Artistieke ontwikkeling, prospectie, onderzoek, preproductie en zakelijk werk dat de kunstenaars uitvoeren worden in alle disciplines weinig vergoed. Vaker vergoed zijn voorstellingen of presentaties. Dat laatste geldt echter vooral in de muziek en de podiumkunsten, niet in de beeldende kunsten. Creatiewerk op eigen initiatief is in alle disciplines voor meer kunstenaars eerder niet dan wel vergoed. Expliciet opdrachtwerk wordt doorgaans wel betaald, al is ook dat niet altijd het geval. Binnen de beeldende kunsten is voor 14% van de kunstenaars ook opdrachtwerk niet vergoed.

ARTISTIEKE EN NIET-ARTISTIEKE ACTIVITEITEN

Lesgeven (gerelateerd aan de eigen artistieke discipline) is voor heel wat professionele kunstenaars een belangrijke activiteit naast hun artistieke activiteiten. Binnen elke discipline verzorgde minimaal 40% van de respondenten lessen of workshops in referentiejaar 2014. Bij podiumkunstenaars en muzikanten was dat zelfs om en bij de 60%. Het hoger kunstonderwijs en privélessen en workshops buiten het formele onderwijscircuit blijken voor elke discipline belangrijk. DKO vormt een belangrijke lescontext voor muzikanten en beeldend kunstenaars.

Ruim 40% van de beeldend kunstenaars heeft (noodgedwongen?) een niet-kunstgerelateerde job. Dat geldt ook voor ongeveer 40% van de schrijvers en illustratoren, 30% van de muzikanten en componisten en 25% van de podiumkunstenaars. Deze extra jobs situeren zich het vaakst in onderwijs en vorming (buiten de kunsten), maar ook in de ruimere sector van ‘kunst, amusement en recreatie’. Ook lesgeven buiten het artistieke vormt met andere woorden een belangrijke bron van inkomsten.

Verschillende kunstenaars zijn niet alleen actief binnen hun eigen ‘hoofddiscipline’, maar beoefenen ook activiteiten in de andere disciplines (al dan niet vergoed). De podiumkunstenaars onderscheiden zich daarbij sterk van de andere: maar liefst driekwart van de podiumkunstenaars geeft aan ook in minstens één andere discipline actief te zijn (vooral beeldende kunst, muziek en film) en een meerderheid geeft aan dat ook betaald te hebben gedaan in referentiejaar 2014. Muzikanten zijn dan weer het minst actief in andere kunstdisciplines. ‘Slechts’ 31% van de muzikanten was in 2014 ook actief in een andere discipline en een vijfde haalde ook inkomsten uit andere artistieke disciplines.

TIJDSBESTEDING

De job van professioneel kunstenaar bestaat niet uitsluitend uit artistieke activiteiten, maar uit een mix van allerlei werkzaamheden. Professioneel kunstenaars zijn in de regel ‘multiple job holders’, met diverse jobs binnen en buiten de kunsten. De mapping van de tijdsbesteding laat de gemiddelde verhoudingen in bestede tijd zien tussen de verschillende soorten activiteiten. Gemiddeld genomen nemen de kernartistieke activiteiten (type 1) iets meer dan de helft van de totale werktijd van de kunstenaars in (van 53% voor regisseurs en scenaristen en beeldend kunstenaars tot 59% voor schrijvers en podiumkunstenaars).

Op basis van een verdere statistische analyse werd nagegaan of de verschillen in tijdsbesteding tussen disciplines ook samenhangen met factoren zoals geslacht, leeftijd en de mate waarin men zich erkend voelt. Uit die analyse blijkt dat vrouwen in vergelijking met mannen minder tijd aan hun artistieke activiteiten besteden. De oudere leeftijdsgroepen en ook kunstenaars die zich meer erkend voelen, kunnen meer tijd aan hun kunst besteden. Brengen we deze factoren in rekening, dan blijkt dat beeldend kunstenaars, literatoren en podiumkunstenaars significant meer tijd aan hun artistiek werk (kunnen) besteden dan muzikanten en filmmakers.

In de samenstelling van de andere niet-kunstgerelateerde werkzaamheden doen er zich ook verschillen voor tussen de disciplines. Beeldend kunstenaars, podiumkunstenaars en schrijvers en illustratoren besteden naast hun werk binnen de kunsten meer tijd aan niet-artistieke jobs buiten de kunsten (type 4) dan filmmakers, muzikanten en componisten (gemiddeld zo’n 23% van de werktijd).

3. Inkomen en statuten

STATUUT BIJ HET UITOEFENEN VAN ARTISTIEKE ACTIVITEITEN

We stellen grote verschillen vast in de sociale statuten waarin de kunstenaars uit de verschillende disciplines hun artistiek werk voornamelijk uitoefenen. Zo beoefenen schrijvers en beeldend kunstenaars hun artistieke activiteiten zelden in loondienst (resp. 7% en 12%), terwijl ruim de helft van de podiumkunstenaars (57%) artistieke activiteiten in loondienst uitoefent en ook de helft als werknemer via een sociaal bureau voor kunstenaars (SBK) of uitzendbureau. Regisseurs, scenaristen en muzikanten nemen een middenpositie in met respectievelijk 30% en 35% in loondienst en respectievelijk 40% en 30% tewerkstelling met contracten via een SBK of uitzendbureau. Zelfstandigen treffen we verhoudingsgewijs het meest aan bij schrijvers en illustratoren, hetzij in hoofdberoep, hetzij in bijberoep.

De betaling via de kleinevergoedingsregeling (KVR) blijkt het courantst bij muzikanten en podiumkunstenaars.

NETTO JAARINKOMEN UIT ALLE ACTIVITEITEN

Volgende tabellen geven de netto jaarinkomen per discipline weer, apart voor drie groepen kunstenaars: zij die al hun activiteiten – dus niet alleen de artistieke – als werknemer uitoefenen, zij die zelfstandig zijn in hoofdberoep en zij die als zelfstandige in bijberoep werken.

Aan respondenten die volledig onder het sociaal statuut van werknemers opereren werd gevraagd een inschatting te maken van het totale persoonlijk inkomen (zonder partner) uit alle vergoede activiteiten samen. Netto-inkomen uit werk (artistiek en niet-artistiek) is de som die iemand effectief op zijn/haar rekening krijgt gestort. Inkomsten uit beurzen, prijzen, auteursrechten, KVR, werkloosheidsuitkeringen, vakantiegeld, eindejaarspremie, vervangingsinkomens, niet-gedeclareerd werk en pensioenen worden hier ook meegeteld. 

De beeldend kunstenaars met het statuut van werknemer hebben het laagste netto jaarinkomen van alle kunstenaars, met een mediaan op € 13.786. Een kwart van de beeldend kunstenaars die onder het statuut van werknemer opereren, heeft een jaarinkomen van € 7.000 of minder. (Te weten: het leefloon voor alleenstaanden bedraagt ongeveer € 10.400). Daarop volgen de mediaan netto-inkomens van de podiumkunstenaars (€ 17.142), de regisseurs en scenaristen (€ 18.000) en de acteurs (€ 19.000 – uit de studie van 2014). De kunstenaars uit de literatuur en de muziek die onder het statuut van werknemer werken, zitten het hoogst met een mediaan van het netto jaarinkomen van ongeveer € 20.000. In vergelijking met andere sectoren zijn dit beperkte inkomsten. Zo ligt de mediaan van het netto belastbaar inkomen van alle belastingsplichtigen in inkomstenjaar 2013 op € 24.664.

Vergelijken we de inkomens van de kunstenaars met lonen voor gelijkaardig gewogen functies in andere sectoren, dan wordt nog duidelijk dat de kunstenaars weinig verdienen. De (niet-gepubliceerde) benchmarkingstudie van de HAY group, uitgevoerd in opdracht van de sociale partners van PC 304 (het paritair comité voor het ‘vermakelijkheidsbedrijf’), concludeerde dat voor vergelijkbare profielen de mediaan op respectievelijk € 21.826 (voor uitvoerend artiesten), € 27.979 (niveau van creërend artiesten) en € 38.975 (niveau van regisseurs in de podiumkunsten) ligt. (De omrekening van de brutobedragen uit de HAY group-studie naar nettobedragen is gebeurd met de Jobatcalculator, uitgaand van gehuwden.)

De inkomens van de respondenten die het werknemersstatuut hebben in hoofdberoep en zelfstandige zijn in bijberoep liggen globaal genomen hoger dan die van hun collega’s-werknemers. Het deel inkomens dat ze onder hun werknemersstatuut halen, is systematisch hoger dan dat van de kunstenaars die alleen werknemer zijn, behalve bij de podiumkunstenaars. Het mediaaninkomen van de podiumkunstenaars ligt op € 17.500. De mediaaninkomens als werknemer van de andere disciplines liggen tussen € 25.000 en € 30.000.

Daarbij komt het inkomen dat wordt verdiend als zelfstandige in bijberoep, via facturatie. Bij de beeldend kunstenaars die zelfstandige in bijberoep zijn, lag het mediaaninkomen uit facturatie het laagst op ongeveer € 2.000 in 2014. De podiumkunstenaars rapporteerden als groep het hoogste mediaaninkomen uit facturatie als zelfstandige in bijberoep met een mediaan van € 8.500.

(In de tabel valt te lezen dat de aantallen respondenten die zich als zelfstandige in bijberoep meldden in sommige disciplines klein zijn. Dat maakt deze cijfers gevoeliger voor de eventuele impact van atypische profielen.)

Ook het netto-inkomen voor zelfstandigen in hoofdberoep werd bevraagd voor het referentiejaar 2014. Onder ‘netto-inkomen’ uit zelfstandig werk verstaan we de omzet (exclusief btw) min beroepskosten, inkomstenbelasting, premies en socialezekerheidsbijdragen. Inkomsten uit beurzen, prijzen, auteursrechten, niet-gedeclareerd werk en uitkeringen tellen ook mee. Ook onder de zelfstandigen hebben de beeldend kunstenaars de laagste inkomens. De helft van de beeldend kunstenaars met zelfstandigenstatuut verdient minder dan € 12.000, de helft verdient meer dan € 12.000. Een kwart van de zelfstandige beeldend kunstenaars heeft een inkomen van € 4.000 of lager. De schrijvers en illustratoren met het statuut van zelfstandige hebben een mediaaninkomen van € 17.000. De zelfstandige filmmakers hebben als groep het hoogste inkomen, met een mediaan van € 26.677. Een kwart van de zelfstandige regisseurs in de dataset heeft meer dan € 50.000 netto verdiend in 2014. De muzikanten liggen qua mediaan het dichtst bij de filmmakers.

VERDELING INKOMSTEN NAAR ACTIVITEITEN

Hoewel kunstenaars (net) meer dan de helft van hun tijd aan artistiek werk besteden, zijn hun inkomsten voor minder dan de helft afkomstig uit die activiteiten. Beeldend kunstenaars halen gemiddeld de minste inkomsten uit artistieke kernactiviteiten (26%), podiumkunstenaars het meest (47%). Nemen we alle activiteiten binnen het kunstenveld samen (de som van artistiek werk in de eigen discipline en in andere disciplines en niet puur artistiek werk binnen de eigen discipline), dan zijn het de beeldend kunstenaars (47%) samen met de schrijvers en illustratoren (49%) die het laagste aandeel inkomsten uit de kunsten halen en de filmmakers het meest (71%). Keerzijde daarvan is dat het de beeldend kunstenaars en literatoren zijn die het hoogste aandeel van hun inkomen uit ander betaald werk buiten de kunsten halen (resp. 30 en 36%).

Inkomsten uit werkloosheidsuitkeringen zijn eerder beperkt. Schrijvers en illustratoren halen gemiddeld slechts 5% van hun jaarinkomsten uit werkloosheidsuitkeringen. Het cijfer van de podiumkunstenaars ligt het hoogst op 19%. Bijna de helft van de podiumkunstenaars geeft aan te kunnen terugvallen op de voordeelregelingen van het kunstenaarsstatuut en 7,6% op een andere werkloosheidsuitkering in periodes zonder inkomsten uit werk. Een vierde van de filmmakers kan terugvallen op het kunstenaarsstatuut en 10% op een andere werkloosheidsuitkering. Bij de schrijvers en illustratoren kan amper 10% terugvallen op een werkloosheidsuitkering.

LEVEN VAN DE KUNST?

Een kleine groep van kunstenaars haalt zijn volledige inkomsten enkel en alleen uit artistieke kernactiviteiten (type 1). Voor acteurs was dat 8% (in 2014). Volgens dezelfde berekeningen zien we dat 20% van de filmmakers hun volledige inkomsten uit filmwerk halen. 11% van de beeldend kunstenaars haalt zijn volledige inkomen uit artistiek werk. Voor auteurs, muzikanten en podiumkunstenaars zijn de percentages respectievelijk 12%, 12% en 10%.

Kijken we naar alle activiteiten binnen de artistieke sector (de som van type 1, 2 en 3), dan zien we dat de helft van de filmmakers en artiesten uit de muziek hun volledige inkomen uit de artistieke sector haalt, bijna een derde van de beeldend kunstenaars en ongeveer een vierde van de literatoren en podiumkunstenaars.

INKOMEN NAAR LEEFTIJD EN GENDER

Voor de respondenten die werken onder het statuut van werknemer hebben we ook het gemiddelde inkomen naar leeftijd en gender onderzocht. (Zelfstandigen en werknemers die ook zelfstandige in bijberoep zijn, werden met andere woorden niet meegenomen in deze cijfers). Het gemiddelde loon van de werknemers stijgt met de leeftijd voor de filmmakers, schrijvers, illustratoren en muzikanten. Bij de beeldend kunstenaars en podiumkunstenaars zien we echter dat het gemiddelde netto jaarloon gelijk blijft op ongeveer € 20.000 vanaf de leeftijd van 35 jaar tot 65 jaar. Dat impliceert dat de beeldend kunstenaars en podiumkunstenaars in onze steekproef met een leeftijd van 55-65 jaar gemiddeld ongeveer de helft verdienen van hun muzikale collega-kunstenaars en minder dan een derde van de filmmakers van dezelfde leeftijd.

De genderkloof die we kennen van de reguliere arbeidsmarkt, tekent zich ook duidelijk af onder kunstenaars, min of meer volgens een gelijkaardig patroon bij de verschillende disciplines. De genderloonkloof is het kleinst bij de jongste groep (35-minners), en wordt groter bij de oudere groepen. Wel opmerkelijk: bij zowel muziek als podiumkunsten is de kloof weer op z’n kleinst bij de 55-64 jarigen. Podiumkunstenaars (uit de studie van 2016, zonder de acteurs) zijn hierop de uitzondering: al bij de jongste groep is er een duidelijk verschil tussen de inkomsten van de vrouwen en de mannen, maar dat verschil wordt niet meer groter met de leeftijd.

Film en muziek zagen we eerder als ‘mannelijke sectoren’ op basis van het aandeel mannen onder de artiesten. Maar dat impliceert niet dat ook de loonkloof tussen mannen en vrouwen het grootst is. Voor beide sectoren geldt dat hun genderkloof in inkomsten kleiner is dan die in de beeldende kunst en literatuur. Daar zijn de verschillen het grootst. In de leeftijdsgroepen van 35-44 jaar en 55-64 jaar verdienen de mannelijke literatoren zelfs bijna het dubbele van de vrouwelijke. De genderkloof is het kleinst in de filmberoepen.

EVALUATIE INKOMEN

In de vragenlijst werd ook gepolst in welke mate men ervaart te kunnen rondkomen op basis van het werk als kunstenaar. Daar werd een onderscheid gemaakt tussen alleenstaanden en kunstenaars die samenwonen met een partner. Aan de samenwonenden werd ook gevraagd naar het rondkomen op basis van de eigen inkomsten en die van de partner. Bij alleenstaanden kan naar eigen verklaring slechts 38% (goed, redelijk of net) rondkomen van de inkomsten als kunstenaar alleen. Wel slaagt bijna driekwart (74%) erin om rond te komen met de aanvulling van andere inkomsten. Dat betekent ook wel dat er bij de alleenstaanden toch nog een kwart (26%) niet in te slaagt rond te komen met zijn volledige inkomen. Bij kunstenaars die samenwonen of gehuwd zijn, is het beeld wat rooskleuriger dankzij de aanvulling van de inkomsten van de partner. 63% gaf aan (goed, redelijk of net) te kunnen rondkomen met de eigen inkomsten als kunstenaar en die van de partner samen. Daar geeft slechts 5% aan niet te kunnen rondkomen van de eigen inkomens en die van de partner samen.

4. Beroepskosten

Naast de inkomsten zijn er ook de kosten verbonden aan het beroep die het financiële plaatje danig kunnen beïnvloeden. In de enquête werden diverse types van beroepskosten gepolst. (We merken op dat bij het bevragen van de netto-inkomsten ‒ zie boven ‒ alle inkomsten in rekening werden gebracht en dat gevraagd werd de beroepskosten af te trekken.)

De gemiddelde beroepskosten, voor de respondenten die kosten rapporteerden, zijn aanzienlijk bij alle kunstenaarsgroepen, al zien we ook duidelijke verschillen tussen de disciplines. De beroepskosten liggen duidelijk het hoogst voor muzikanten (gemiddeld € 29.000 op jaarbasis) en beeldend kunstenaars (€ 27.000). Ongeveer een derde daarvan bestaat uit vergoedingen aan derden. Voor de andere disciplines schommelen de beroepskosten rond € 14.000 op jaarbasis. Kosten voor werkruimte en materiaal- en uitrustingskosten zijn belangrijke posten voor alle disciplines – al kunnen we vaststellen dat de atelierkosten vooral voor de beeldend kunstenaars het hoogst zijn.

5. Arbeidstevredenheid en de combinatie arbeid-gezin

Kunstenaars zijn bijzonder tevreden over de inhoudelijke kenmerken van hun job. Negen op de tien kunstenaars vinden hun werk als kunstenaar inhoudelijk uitdagend en interessant en zijn tevreden over de artistieke aspecten gerelateerd aan de job. Ruim acht op de tien loven de mogelijkheden tot zelfontplooiing. Deze grote mate van inhoudelijke tevredenheid vinden we terug in alle disciplines. Daartegenover staat de ontevredenheid over de extrinsieke aspecten van de job (o.a. verloning en werkzekerheid). Ruim de helft van de ondervraagde kunstenaars (54%) is ontevreden over de hoogte van het totale inkomen. Het ongenoegen over de werkzekerheid is nog groter, 61% uit zich als ontevreden. Toch blijft nog ruim een derde positief ingesteld wat betreft de eigen toekomstperspectieven als kunstenaar.

Schrijvers en illustratoren vinden significant meer dan regisseurs en scenaristen, muzikanten en componisten en podiumkunstenaars dat hun loopbaan goed tot zeer goed combineerbaar is met hun persoonlijk en familiaal leven. Vrouwen en kunstenaars met kinderen vinden hun loopbaan minder goed combineerbaar met hun persoonlijk en familiaal leven.

6. Overweging om te stoppen als kunstenaar

Ruim de helft van de kunstenaars stelt nooit te hebben overwogen om te stoppen. Slechts een minderheid stelt dat vaak te overwegen (6%), een aanzienlijke groep (39%) stelt dat soms te doen. Daarbij zijn er wel verschillen tussen de onderscheiden disciplines. In elk van de disciplines blijft het aandeel artiesten dat reeds vaak heeft overwogen om de kunstenaarscarrière stop te zetten of te veranderen van carrière onder de 10 %. Bij de podiumkunstenaars is de groep respondenten die soms of vaak overweegt te stoppen het grootst met ruim 60%.

Of men overweegt te stoppen met het kunstenaarsberoep hangt samen met de uiteenlopende aspecten van arbeidstevredenheid. Wie tevredener is over de werkcondities (verloning, werkzekerheid), over de inhoudelijke aspecten van het kunstenaarschap en/of over de aangeboden vorming en ondersteuning, is minder geneigd te overwegen om te stoppen als kunstenaar.

7. Ondersteuning, lidmaatschap en advieskanalen

Heel wat respondenten kaarten het ontbreken van zakelijke informatie in hun initiële opleiding aan als een gemis. Ze vinden het daarbij niet alleen belangrijk dat men als student meer informatie meekrijgt over de zakelijke en praktische kant van het kunstenaarschap, maar ook dat men al tijdens de opleiding meer praktijkervaring kan opdoen, zodat de overgang van opleiding naar praktijk niet te abrupt is.

Een meerderheid van de kunstenaars is wel tevreden met de mogelijkheden tot bijscholing op artistiek vlak. Minder positief zijn de kunstenaars over de mogelijkheden om bij te scholen op zakelijk vlak, de ondersteuning vanuit SBK’s en uitzendbureaus voor de zakelijke aspecten van de job en de ondersteuning die geboden wordt vanuit beroepsorganisaties. Hier dient wel te worden opgemerkt dat de grootste groepen zich doorgaans in de middencategorie tussen tevreden en ontevreden plaatst, wat mogelijk meer wijst op een minder vertrouwd zijn met de bijscholings- en ondersteuningsmogelijkheden dan op ontevredenheid.

Kunstenaars die lid zijn van een belangenorganisatie zijn merkelijk tevredener. Door het inbrengen van het lidmaatschap van belangenverenigingen verklaren we tevens een deel van het verschil tussen regisseurs en scenaristen enerzijds en muzikanten anderzijds. Regisseurs en scenaristen zijn in vergelijking met de andere groepen vaker lid van een belangenvereniging en dat verklaart ten dele hun sterkere tevredenheid. Dat geldt ook voor schrijvers en illustratoren.

Er bestaan meerdere kanalen ter ondersteuning van de kunstenaars, bv. vakbonden, beheersvennootschappen, belangenbehartigers. Met uitzondering van de vakbond en SMart zijn deze kanalen doorgaans zeer disciplinespecifiek. Bekijken we de mate waarin de bevraagde kunstenaars aangesloten zijn bij deze organisaties, dan valt de lage lidmaatschapsgraad op bij beeldend kunstenaars. Van de beeldend kunstenaars is slechts de helft lid van minimaal een van de voorgelegde organisaties, terwijl bij de vier andere disciplines driekwart of meer lid is van minstens een van de beroepsondersteunende organisaties. Daarnaast verschilt ook de aard van de organisaties waarvan men lid is. Zo zijn podiumkunstenaars opvallend meer aangesloten bij vakbonden. Lidmaatschap van beheersvennootschappen die instaan voor de inning en verdeling van auteurs- en uitzendrechten, stellen we meer vast bij regisseurs en scenaristen, bij schrijvers en illustratoren en bij muzikanten.

De belangrijkste kanalen voor advies of informatie vormen de collega’s en de boekhouder. Daarnaast vervullen werkgevers en opdrachtgevers en ‒ waar relevant voor specifieke disciplines ‒ ook producenten, uitgevers en galeriehouders een belangrijk persoonlijk advieskanaal. Ook het Kunstenloket wordt door een aanzienlijk aantal kunstenaars als informatiekanaal vermeld. Toch blijken die kanalen niet voor alle groepen even belangrijk te zijn. Zo wenden schrijvers en illustratoren zich er minder toe en winnen ze meer dan kunstenaars in andere disciplines persoonlijk advies in via hun belangenorganisatie.

Over dit onderzoek

Het onderzoek ‘Loont passie? Een onderzoek naar de sociaal-economische positie van professionele kunstenaars in Vlaanderen’ is een initiatief van Kunstenpunt, Kunstenloket, Vlaams Audiovisueel Fonds (VAF), Vlaams Fonds voor de Letteren (VFL), Sociaal Fonds voor de Podiumkunsten (SFP), ACOD-Cultuur, Overleg Kunstenorganisaties (oKo) en het Departement Cultuur, Jeugd, Sport en Media. Het onderzoek werd uitgevoerd door Jessy Siongers en Astrid Van Steen van de onderzoeksgroep CuDOS (Universiteit Gent).

Kunstenpunt wil de positie van individuele kunstenaars versterken, zowel artistiek als sociaal-economisch. Dit onderzoek draagt bij aan de uitvoering van deze actielijn.

K.P.

Kunstenpunt

Je leest: Loont passie?