Landschap in zicht: samenvatting van het panelgesprek over de toekomst van het Vlaams kunstenveld

(c) Nisran Azouaghe

De cijfers van de werkingssubsidies binnen het Kunstendecreet vertellen op het eerste gezicht een vrij positief verhaal, maar ondertussen weten we dat het de komende jaren geen business as usual wordt. Op welke manier kunnen we als sector samenwerken, een signaal geven en nadenken over wat er moet en kan gebeuren?

Hieronder krijg je een korte analyse van de cijfers, gevolgd door een samenvatting van het publiek gesprek over de toekomst van het Vlaams kunstenveld op de sectordag van 9 september 2022.

Herbekijk het publieke gesprek

We proberen hier content te tonen van Vimeo.

Kunsten.be gebruikt minimale cookies. Om inhoud te zien die afkomstig is van een externe site, kan die site bijkomende cookies plaatsen. Door de inhoud te bekijken, aanvaard je deze externe cookies.
Lees meer over onze privacy policy.

Bekijk de video op Vimeo

Herbekijk het publieke gesprek Landschap in zicht: de toekomst van het Vlaams kunstenveld na de werkingssubsidies 2023-2027 · Bekijk in de videozone

Sprekers

  • Moderator Delphine Hesters: cultuursocioloog en onderzoeker
  • Haider Al-Timimi: theatermaker, artistiek directeur bij Antigone
  • Claïs Lemmens: zakelijk leider bij B.O.X. en Gonzo Circus
  • Sandra Sara Raes Oklobdzija: artivist, kunstenaar en producer
  • Steven Vandervelden: algemeen en artistiek directeur van STUK
  • Christa Criel: consulent psychosociaal welzijn Sociaal Fonds Podiumkunsten

Een subsidieronde met een grote slaagkans

Bij de verdeling van de structurele middelen in juni 2022 maakte de minister van Cultuur 25,3 miljoen extra budget vrij. Heel wat organisaties die na de eerste adviesronde uit de boot leken te vallen werden zo alsnog opgepikt, waardoor de kans dat een aanvraag gehonoreerd werd steeg tot 80%.

Ook de “budgettaire slaagkans” ligt met 80% (het percentage van het gevraagde bedrag dat uiteindelijk werd toegekend) een stuk hoger dan vorige ronde. Traditioneel “ondergesneeuwde” functies, zoals bijvoorbeeld participatie, doen het deze ronde goed.

Wel is er een sterke spreiding in de mate waarin commissies aangevraagde bedragen zijn gevolgd of er net op hebben ingegrepen. Zeker bij instromers en bij kleinere organisaties (met middelen onder de 300.00 euro) zijn die ingrepen groot, al zien we daar evengoed een grote groep aanvragers die wel hun integrale vraagbedrag krijgen toegekend. Een dubbel verhaal dus…

De gemiddelde kunstenorganisatie met werkingsmiddelen in het Kunstendecreet heeft een enveloppe van 500.000 euro. De mediaan ligt op 300.000 euro.

Dat betekent dat ongeveer de helft van de gehonoreerde organisaties (111 om precies te zijn) 300.000 euro of minder aan werkingsmiddelen ontvangt. Deze groep kent een evolutie die verschilt van de grotere spelers in het veld. Daarom beschouwen we ze apart, onder de roepnaam “Club 300”.

De volledige analyse die Kunstenpunt maakte van de cijfers kan je nalezen in deze infobundel of op onze online kennismodule.

Groei is niet per se een groei

Al bij al mooie cijfers, maar toen in december 2021 ingediend werd stond de wereld nog niet in brand zoals nu. Dat maakt dat er al meteen grote kanttekeningen zijn.

Door ongezien hoge energiekosten, inflatie en loonindexeringen blijkt een groei op papier niet per se een groei in realiteit. Wat betekent dat voor de verhoudingen en samenwerkingen in het veld?

Volgens Steven Vandervelden (STUK) komt er veel druk op de presenterende instellingen. Niet alleen is de groei in de middelen van deze organisaties eerder beperkt, vaak gaat het ook om grote infrastructuren die de energieproblemen des te harder voelen.

Tegelijk groeit de pot van projecten en beurzen, én kennen de kleinere organisaties uit Club 300 een duidelijke budgettaire groei. Dat betekent dat we meer werk mogen verwachten dat getoond zal willen worden. De vraag is hoe, in welke omstandigheden en waar.

Sharing is caring

Moeten we het systeem herbekijken waarbij presenterende huizen makers uitnodigen die in hun programma passen? Kunnen we op een andere manier omgaan met of nadenken over het delen van infrastructuur? En hoe behoud je in dat geval als instelling toch nog een eigen profiel?

Misschien kan je als presenterende structuur deels inzetten op een programma waarmee je jezelf profileert, terwijl je voor een ander stuk je infrastructuur ter beschikking stelt voor anderen. Zulke denkpistes moeten op zijn minst geopend worden.

Steven Vandervelden

Claïs Lemmens durft die stelling verder te extrapoleren: het zijn de presenterende huizen die tickets moeten verkopen, niet de producerende ensembles. Bestaat er dan geen risico dat huizen liever hun deuren openen voor commerciële verhuur dan voor een heel experimenteel project? Als het al zoveel kost om überhaupt die deuren te openen, dan kiezen ze misschien liever voor een project met meer zekerheid dat de zaal vol zit?

Ook Haider Al Timimi vraagt zich af of huizen zullen beslissen wat er wel en niet mag komen op basis van de verwarming van een zaal: “Zullen we tegen het publiek moeten zeggen: ‘pak een jas mee of het gaat niet door’…?”.

Op de vraag “mogen we de zaal gebruiken” kan je ineens niet meer gewoon “ja graag!” zeggen, wat je eigenlijk zou willen. Er is meteen een financiële repercussie die je eerder niet had voorzien.

Haider Al Timimi

Christa Criel van Sociaal Fonds voor de Podiumkunsten denkt dat er misschien te winnen valt op het delen van andere resources. Daar is ook Haider Al Timimi voor te vinden: “Ik hoop op meer ideeën waarbij individuele organisaties met te weinig middelen en menskracht samen het werk gaan verdelen en radicaal kiezen: hier gaan we sowieso voor gaan, en daar moeten we dan maar tijd voor maken.”

Sandra Sara Raes Oklobdzija stelt vast dat er ongeveer ⅓ van de organisaties in Club 300 (de 111 organisaties met het mediaan subsidiebedrag van 300.000 euro of minder) wel middelen hebben gekregen, maar niet voldoende om de plannen uit te voeren die ze vooropgesteld hadden. Zijn er andere dingen mogelijk met dat geld? Er is nog net tijd om hierover de koppen bij elkaar te steken.

En dan is er nog een enorme groep kunstenaars die niet in Club 300 zit en op zoek gaat naar middelen om te kunnen groeien en spelen. Zij zetten in op projectsubsidies en zijn de eersten die aankloppen bij Club 300. Of zoals Sandra het formuleert: “de zwaksten zoeken de iets minder zwakken”.

De geactualiseerde beleidsplannen zijn nog niet ingediend. Gaan we springen om toch maar aan te tonen dat we al onze plannen kunnen uitvoeren met minder middelen? Of zeggen we ‘nee, daarmee kunnen we dat niet waarmaken’ en proberen we bruggen te bouwen met anderen? Dat lijkt me een duurzamere manier van werken.

Sandra Sara Raes Oklobdzija

Ze ziet concrete mogelijkheden: grotere huizen met infrastructuur zouden een online kalender kunnen beheren met lege ruimtes die beschikbaar zijn voor anderen. Een solidair idee, maar Steven Vandervelden nuanceert: STUK heeft meer dan 80% zaalbezetting, dus zoveel lege ruimtes zijn er niet.

Claïs Lemmens, Haider Al Timimi, Sandra Sara Raes Oklobdzija, Christa Criel, Steven Vandervelden en Delphine Hesters (c) Nisran Azouaghe

Veel instromers en dynamiek

Positief aan de cijfers is dat er veel ruimte gecreëerd is voor instromers. Dat zorgt voor een veld dat dynamisch wordt, of blijft. Die instromers, vaak artiesten of gezelschappen die eerder ook al werk maakten, zitten veelal in Club 300.

Moderator Delphine Hesters oppert dat deze groep kunstenaars dankzij de structurele middelen meer continuïteit kunnen inbouwen, en daardoor niet per se meer, of misschien zelfs minder werk zal produceren in plaats van telkens weer naar het volgende project te springen.

Claïs twijfelt: “Ik kan me inbeelden dat organisaties die niet het bedrag krijgen waarop ze hadden gehoopt, liever de planlast van projectsubsidies dragen dan met deze magere troost een duurzame werking op te gaan bouwen.”

Volgens Sara brengen structurele middelen ook heel wat andere zaken met zich mee: een organisatie leiden, alles verantwoorden, vaste kosten voldoende ruim begroten, misschien op zakelijk of communicatief vlak versterking aantrekken … waardoor de kunstenaars uiteindelijk zichzelf weer niet kunnen uitbetalen. “Ik heb de indruk dat structurele middelen er makkelijk voor kunnen zorgen dat de artiest alles zal doen behalve maken – althans betaald.”

Steven pleit ervoor om op 15 oktober een realistisch geactualiseerd beleidsplan in te dienen. Als je toegekende middelen niet volstaan om je plannen te realiseren zoals ingediend, dan is het belangrijk dat je ze herzet om verkeerde verkeerde verwachtingen te vermijden.

Coproducties (nog meer) onder druk

In recente gesprekken met kunstencentra en grotere huizen merkte Delphine dat coproductiebudgetten meer dan ooit onder druk staan.

Haider merkt op dat je in het middelgrote veld soms meer steun vindt dan bij grotere structuren. Je kan elkaar inhoudelijk vinden in een cocreatie, waardoor er meer mogelijk wordt.

Steven licht toe dat STUK grosso modo een derde van hun middelen voorziet voor personeel, een derde voor overhead en een derde artistiek budget. In de huidige context van inflatie en indexeringen exploderen zowel de personeels- als overheadkosten en komt het artistiek budget – ook voor coproducties – onder druk.

“Er komen harde keuzes aan. De artistieke budgetten wil je gebruiken om dingen te tonen, want die functie is ook belangrijk en kan enkel ingevuld worden door wie een infrastructuur heeft.”

Herstelnood en uitstroom

Terugkerende thema’s de voorbije jaren zijn welzijn op het werk, de toenemende werkdruk en de herstelnood die mensen ervaren. Burn-out heeft voor een groot stuk met onzekerheid te maken, met onduidelijke perspectieven en met een systeem van energie en beloning dat niet langer goed in elkaar zit.

Het Sociaal Fonds voor de Podiumkunsten deed een bevraging rond werkbeleving in de podiumsector, een her-meting van een onderzoek uit 2016. 47% van de ondervraagden zei toen regelmatig oververmoeidheid en nood aan rust te ervaren. Nu zien we een stijging naar 51%.

Meer dan de helft van de mensen die aan het werk zijn zeggen dat ze geregeld uitgeput zijn, waarvan 31% in een risicogebied zitten. Dat is veel. En een stuk ongunstiger dan in de Belgische arbeidsmarkt in het algemeen.

Christa Criel

Ook al geven werknemers in de kunstensector over het algemeen aan veel engagement en plezier te vinden in hun werk, heeft dat ook een gevaarlijke kant: als je heel betrokken bent, is het moeilijker om je eigen grenzen te bewaken.

Eén van de redenen voor die hoge vermoeidheidsgraad is het werktempo: hoeveel kunnen en willen we blijven doen? Je kan wel middelen hebben om je organisatie te laten draaien, maar je mensen moeten het volhouden.

Sandra Sara Raes Oklobdzija en Christa Criel (c) Nisran Azouaghe

Zeker voor organisaties die minder middelen hebben gekregen dan verwacht is dat een aandachtspunt: het werktempo lager leggen begint met een aantal dingen niet meer te doen. Maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan, zo geven ook Claïs en Haider aan.

Minder doen kan misschien wel voor wie maandelijks uitbetaald wordt, maar voor de kunstenaar die korter wordt aangenomen is dat wel problematisch. Ik zit ermee gewrongen. Ik wil graag een collectief signaal geven, maar wat dat moet zijn weet ik niet goed.

Claïs Lemmens

Volgens Haider zou “minder doen” voor Antigone betekenen “minder kunstenaars, minder projecten”, terwijl je als organisatie vooral iets wil betekenen voor kunstenaars.

Maar alles hangt met elkaar samen: “ga je in première, dan wil je publiek hebben en dan moet er een goede communicatiemachine zitten… Je moet op alle vlakken scoren om dat ding draaiende te houden, en dat brengt nu eenmaal veel werk met zich mee.”

Conclusie

Een diepgaande blik op de werkingsmiddelen voor 2023-2027 levert een dubbel beeld op: het budget werd drastisch opgehoogd – en dat was nodig – maar we begeven ons in economisch onzekere tijden, waarin we als veld samen zullen moeten opvolgen hoe nieuwe evenwichten “herzet” kunnen worden.

Hoe kan wederzijdse versterking eruit zien in die nieuwe realiteit? Voorstellen hiervoor variëren van: (1) een herverdeling van inspraak in de artistieke programmatie van huizen, (2) manieren om ruimte nog verder en vollediger te delen en (3) samenwerkingsverbanden waarbij organisaties samen prioriteiten bepalen.

Want, en dat maakt het geheel nog ingewikkelder: de herstelnood is de voorbije jaren nog sterker gestegen. In combinatie met een sterk engagement en hoog werkplezier is dat een gevaarlijke cocktail. Tegelijkertijd staat “activiteit terugschroeven” doorgaans gelijk aan “minder kansen geven aan makers”, die net de hoeksteen vormen van ons kunstbeleid.

En daarmee kennen we gelijk een aantal belangrijke topics voor gesprekken de komende jaren.

Je leest: Landschap in zicht: samenvatting van het panelgesprek over de toekomst van het Vlaams kunstenveld