Frederik Serroen over ruimte in Brussel

Frederik Serroen, stedenbouwkundige bij het team van de Brusselse Bouwmeestermaitrearchitecture, gaf onderstaande lezing over ruimte in Brussel op het onderzoeksseminarie Tijd voor ruimte in maart 2020.

De Brusselse BOUWMEESTERMAITREARCHITECTE BMA hecht veel belang aan het hergebruiken, vanuit een circulaire gedachte. Net als Brussel zijn ook andere steden in het buitenland de voorbije 10 jaar die weg ingeslagen. De uitgangspunten voor deze visie zijn drieërlei. De doorlooptijd van bouwprojecten is vaak lang, waardoor er in de tussentijd kansen liggen. Tegelijkertijd stelt BMA vast dat er veel mensen op zoek zijn naar ruimte om dingen te realiseren. BMA wil tenslotte inzetten op hergebruik het ongebreidelde uitbreiden van de stad ten koste gaat van de open ruimte in de stad.

1.Wat speelt er zich vandaag af in de stad? Welcome to the pop-up City

Het tijdelijk gebruik van infrastructuur is een modeverschijnsel geworden in diverse sectoren en segmenten van de stad. Van de trendy pop-up bars zoals bijvoorbeeld ‘Les Guinguettes’ in  Brusselse parken, over het ‘KANAL Centre Pompidou’ project in de Noordwijk, tot ‘Parckfarm’ dat fungeert als ecologisch labo en sociaal laboratorium in de superdiverse buurt op de grens tussen Laken en Molenbeek.

Parckfarm

Parckfarm wordt gepresenteerd als een voorbeeld van bottom-up stadsontwikkeling op het terrein van een nieuw park tussen het kanaal en het stadhuis van Laken, maar dat is niet helemaal correct. Het Brussels Instituut voor Milieu gaf deze impuls tijdens Parckdesign 2014, een stadsfestival rond openbare groene ruimte. In een ongebruikte spoorwegbedding naar de Thurn & Taxis site werd een tijdelijke infrastructuur geplaatst. Die plek werd erdoor opgeladen, en enthousiasmeerde de Stad Brussel en de ontwikkeling rond Thurn & Taxis.

Het lijkt allemaal rozengeur en maneschijn, maar er is ook een andere kant van de medaille. Een groot aantal vierkante meter van gebouwen in Brussel is ongebruikt: voor woonruimte varieert dat van 15 tot 30.000 vierkante meter (precieze cijfers zijn niet voorhanden en dat is frustrerend) en in de kantorenmarkt staat er zelfs tot 1 miljoen vierkante meter vrij. Dan is er het industrieel erfgoed aan de Kanaalzone, maar ook kerken, leegstaande winkels, verdiepen boven winkels enzovoort. Al die vierkante meter samen vormt een oppervlakte die bijna zo groot is als Elsene. De sensibiliseringscampagne ‘St-Vide-Leegbeek’ stelt de vraag waarvoor die 20ste Brusselse gemeente zinvol zou kunnen ingezet worden? Vanuit de burgersamenleving worden al jaren vragen gesteld bij die leegstand, verkommering en speculatie, terwijl er zoveel nood is aan betaalbare ruimte voor sociale en culturele doelen en terwijl zoveel kwetsbaren op zoek zijn naar een plek. Er ontstaan daarom burgerinitiatieven rond tijdelijke invulling van die leegstand voor culturele doelen zoals ‘Communa’ of ‘vzw Toestand’, of ‘TG Leeggoed’ dat werkt rond sociaal wonen ondersteund door de Brusselse Federatie van de Huurdersbonden (Fébul).

Er is tenslotte nog iets anders aan de hand: het vastgoed in handen van buitenlandse bedrijven. Op deze kaart van Londen zie je in rood het significante aandeel vastgoed in de handen van zulke bedrijven. Woningen en vastgoed worden een speculatief product in de mondiale financiën. In Brussel en andere Vlaamse steden zet die trend zich ook door.

Er is het Shiny Happy People verhaal, het kille leegstand verhaal en het verhaal van de speculatie. Omdat de tijd tussen het concept en de uiteindelijke realisatie van een bouwproject alsmaar toeneemt door het proces van financieren en vergunnen hebben bepaalde initiatiefnemers een habitat gemaakt van die ‘tussenruimte’. Het twee tweedimensionaal model van ruimte, plan en marsrichting, evolueert naar een driedimensionaal schema met als ‘derde partij’ de gepolitiseerde en mondige burger, ook ruimtepioniers genoemd.

Ze starten in die tussentijd en tussenruimte allerlei nieuwe praktijken op, zoals bijvoorbeeld de karatekids van Allée du Kaai aan Thurn & Taxi. Die pioniers zijn veel diverser geworden dan enkel de krakers en activisten: ook geëngageerde architecten, burgergemeenschappen, academici en eigenaars die duurzaam willen werken sluiten daarbij aan. Op zijn beurt maakt de vastgoedwereld daar handig van gebruik, zoals de eigenaars van de WTC-torens of de nieuwe eigenaars van het Actiris-gebouw die via tijdelijk gebruik hun vastgoedambities beter in de markt zetten.

Conclusie: tijdelijk is het nieuwe permanent.

2. Drie uitdagingen

Dit stelt ons als overheid voor nieuwe uitdagingen, met het beeld van de koorddanser als metafoor: voor wie willen we tijdelijk ruimte faciliteren? BMA onderscheidt 3 uitdagingen.

Extractivisme of maatschappelijke finaliteit

Het maatschappelijk debat rond ruimte is vandaag gepolitiseerd en stelt de dingen op scherp. Kan die tijdelijke ruimte rendabel worden door er een economie rond te bouwen? Of moet die in eerste instantie als een soort reservoir gebruikt worden voor sociale en culturele noden, voor mensen die anders niet kunnen kopen op de markt?

Sturing of experiment

Zal de publieke overheid eerder sturend optreden, of beschouw je dergelijke projecten per definitie als bottom-up en experimenteel? De positie van BMA ligt in het verbinden van beide. Door alles bottom-up te laten groeien krijgt je niet noodzakelijk een evenwichtige ontwikkeling in de stad. Zijn de bestaande stedenbouwkundige regels en normen aangepast als instrument om te faciliteren én die evenwichtsoefening mogelijk te maken? Twee jaar geleden heeft BMA we een stand van zaken gemaakt door die regels en normen toe te passen op tijdelijk gebruik, waaruit 186 vragen zijn gekomen. Er is dus nog aan de werk aan de winkel

Demografie en klimaatdoelstellingen

De derde uitdaging gaat over de bevolkingsgroei (10.000 bewoners per jaar tijdens het voorbije decennium) en het halen van de klimaatdoelstellingen. Gaan we vooral proberen dat reservoir van beschikbare ruimte te faciliteren om tijdelijke woonoplossingen te bieden aan burgers die tussen de mazen vallen van betaalbare huur of aankoop? Of stimuleren we duurzame projecten rond stadslandbouw of geïnspireerd op circulaire economie zoals een groot project van Volkswagen D’Ieteren aan de Kanaalzone in Kuregem?

Deze luchtfoto’s tonen de binnengebieden in Brussel die volstaan met ateliers en opslagplaatsen, waarbij men zich kan afvragen of die moeten gerenoveerd en herbestemd worden, ofwel beter plaatsmaken voor een beetje open ruime en ademruimte in zeer dichtbebouwd en dichtbewoond gebied?

Zo heeft de gemeente Vorst een halve bouwblok gekocht met de ambitie om er ook een groot stuk open ruimte in te voorzien, in een dichtbevolkte buurt waar mensen klein behuisd zijn. De gemeente Vorst heeft zopas een oproep gelanceerd naar tijdelijke gebruikers om samen dit programma definitief vorm te geven.

3. Pistes

Hoe kan de publieke sector beter uitgerust worden om met deze dilemma’s aan de slag te gaan? In het verleden was dat niet steeds het geval. Zo staat het voormalige postsorteercentrum aan het Zuid-Station al 20 jaar leeg, en nu pas is er op de gelijkvloerse verdieping een project van tijdelijk gebruik gestart. Dat voelt vandaag aan als too little, too late.

Ten eerste moet de publieke sector een correcte inschatting maken van de beschikbare ruimte en de beschikbare tijd. Voor de ruimtepioniers is ‘time money’: als je weet dat je een gebouw voor 5 jaar kan gebruiken kan je overwegen om er een nieuwe verwarmingsinstallatie te plaatsen. Met een perspectief van één of twee jaar, dat mogelijks kan verlengd worden, is het moeilijker om te investeren. Al te dikwijls wordt er twee jaar voorzien voor het tijdelijk gebruik, dan wordt de overeenkomst met de eigenaar alsnog verlengd, en als de werken zouden moeten starten duurt het nog eens een aantal jaar voor de werf effectief start.

Ten tweede is er nood aan kennisuitwisseling en goeie samenwerking binnen de overheid. Er bestaan veel initiatieven van burgers, experten en bedrijven die heel wat expertise opbouwen, die verbonden en uitgewisseld kunnen worden in de vorm van een platform.

Ten derde kan gedacht worden aan een gemeenschappelijk waardenkader rond de eerste kwestie: voor wie doen we dit? In Parijs werd een charter opgesteld door publieke en private spelers om prioritaire plekken en initiatieven te detecteren. Ook in Brussel is zo’n platform in ontwikkeling dat pro-actief de ruimtevraag van diverse initiatieven wil koppelen aan het beschikbaar vastgoed voor tijdelijk gebruik.

4. Conclusie

Het klassiek planningsysteem (er is een plan voor de ruimte en je weet wie die ruimte in de loop van de tijd zou gebruiken; steeds dezelfde persoon of dezelfde groep van personen tot in de eeuwigheid) wordt helemaal opengetrokken. Burgers zijn niet alleen consumenten van de ruimte die hen wordt aangeboden, maar creëren ook zelf ruimte en functies in een dynamische omgeving, zonder noodzakelijk een tussenkomst van planners.

De vroegere luchthaven Tempelhof in Berlijn, gesloten in 2008, wordt de grootste openlucht leefkamer van Europa genoemd, zowel voor de hippe Berlijners als voor de opvang van vluchtelingen via een containerdorp in de aankomsthal van de vroegere luchthaven. Een hybriede oplossing voor de nood aan open ruimte én ruimte voor noodopvang. Een inclusief verhaal én een marketingverhaal voor de stad en zijn beleid rond duurzaam samenleven.

Over de auteur

Frederik Serroen is historicus van opleiding, maar heeft ook een master in stedenbouw en in European Urban Cultures. Na twee jaar bij de ngo City Mine[d] als verantwoordelijke voor het project PRECARE en met name het tijdelijk gebruik van leegstaande gebouwen in Brussel, ging Frederik werken in het Kenniscentrum Vlaamse Steden. Eind 2016 kwam hij bij het team van de Brusselse bouwmeester.

F.S.

Frederik Serroen

Je leest: Frederik Serroen over ruimte in Brussel