Spreiding
De spreidingskwestie is één van de langst lopende discussies in het Vlaamse kunstenveld: wie wordt waar getoond? Die “cultuurspreiding” heeft een politiek-ideologische lading, maar is ook gelinkt aan discours over een economische afzetmarkt. Hier bundelen we alle relevante analyses die Kunstenpunt maakte over dit topic.
1. Het aanbod van cultuurhuizen in Vlaanderen
In de Landschapstekening 2025 lees je dat de professionele kunstensector zich zorgen maakt over de spreiding van hun werk in Vlaanderen en Brussel.
Veel van de geuite zorgen komen uit het podiumkunsten- en muziekveld. Ze focussen zich in belangrijke mate op de presentatiekansen van het werk van gesubsidieerde makers in de programmatie van de cultuurhuizen. Met ‘cultuurhuizen’ wordt vooral verwezen naar de voormalige cultuur- en gemeenschapscentra (de CC’s en GC’s) die je over heel Vlaanderen en Brussel vindt. De verregaande veranderingen in het beleid van de Vlaamse overheid ten opzichte van die cultuurhuizen en de lokale besturen hebben de zorgen de afgelopen jaren doen toenemen. (Lees hier meer over de beleidsveranderingen en het begrip ‘cultuurhuis’.)
De discussie over de presentatiekansen van professionele kunsten is allerminst nieuw. Kunstenpunt en haar voorgangers hebben er de voorbije veertig jaar met regelmaat aandacht aan besteed (zie o.a. de spreidingsanalyses verder op deze kennispagina; zie ook Minne 1984; Baeten en Marcoen 1995; Denis en Vanhoeck 2006; Vlaams Theater Instituut en Locus 2010; Janssens, Leenknegt en Ruette 2018).
1.1 Nieuwe datamogelijkheden?
Vandaag wordt onderzoek bemoeilijkt door de beperkingen van datamonitoring. De vroegere systemen (zoals CCinC) gaven een omvattend beeld van wat er gebeurde in de onder andere de CC’s (althans de voormalige A-, B- en C-centra). Die hingen samen met de bepalingen van het Decreet Lokaal Cultuurbeleid, wat nu grotendeels ontmanteld is. We hebben in theorie wel nog zicht op wat er gebeurt in de voormalige CC’s dankzij de Lokale Vrijetijdsmonitor of de UiTdatabank van publiq. Maar we hebben geen garantie dat de gegevens op deze platformen representatief zijn voor wat de cultuurhuizen — of andere lokale cultuurspelers — opnemen in hun programmatie.
Dit wil niet zeggen dat we niets weten over de relatie tussen de professionele kunsten en het lokale niveau. De genoemde bronnen kunnen, aangevuld met gegevens over lokale overheidsuitgaven, cultuurinfrastructuur, kunstenonderwijs, inkomsten van kunstenorganisaties of cultuurparticipatie veel nuttige inzichten geven (zie hier en hier). Maar over de spreiding van (gesubsidieerde) professionele kunsten in Vlaanderen blijven nog prangende vragen. Waaronder de klassieke vraag naar het aandeel van professionele kunsten in de programmatie van de cultuurhuizen.
Mogelijk is een nieuw soort databron de opstap naar een antwoord. Sinds 2022 begeleidt Cultuurconnect de uitrol van ‘Gedeelde ticketing‘. Dat is een digitaal systeem dat organisaties kunnen gebruiken voor de ticketing van culturele evenementen. Hiermee wil men ook de samenwerking tussen de deelnemende organisaties versterken. De piloot van het project liep in Gent en de IGS-regio’s Zender en Zuidwest (IGS = intergemeentelijke samenwerking, in dit geval rond cultuur). In 2025 breidde de groep gebruikers uit met organisaties uit Limburg, de Stad Antwerpen, Turnhout, regio Brugge, de Druivenstreek, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de Noordrand rond Brussel en het Meetjesland.
Onder de gebruikers vind je tot nu toe vooral voormalige CC’s en GC’s. Maar ook kunsten- en circusorganisaties zoals Antigone, NTGent, Compagnie Cecilia, Miramiro en Rataplan doen er beroep op. Voorts bestaat de groep uit andere non-profit cultuurspelers en uit lokale overheidsdiensten. De data uit Gedeelde ticketing kunnen ons iets zeggen over de activiteiten die zij organiseren of programmeren.
1.2 Scope van de analyse
Kunstenpunt kreeg van Cultuurconnect een data-extract uit Gedeelde ticketing. Dit bevat enkel informatie over het aanbod van evenementen van de aangesloten organisaties. Data over tickets en klanten werden niet gedeeld, noch geanalyseerd.
De data-analyse zoomt in op de regio’s waar men al het langst het systeem gebruikt en waar cultuurhuizen (voormalige CC’s en GC’s) data aanleverden. Concreet gaat dit over Zender en Zuidwest. Gent heeft een andere voorgeschiedenis en had geen CC of GC zoals andere gemeenten (Circa was een nomadisch cultuurcentrum, zonder eigen specifieke infrastructuur). Daarom gebruiken we in deze specifieke analyse de data van Gent niet.
Deze eerste, verkennende analyse focust op data van bijna 750 evenementen in de tweede helft van 2024 (1 juli tot en met 31 december 2024). Ook geannuleerde evenementen (18 in totaal) tellen we hier mee.

De geanalyseerde data zijn afkomstig uit Zuidwest (blauw) en Zender (rood)
De data over de 747 evenementen werden aangemaakt door 16 verschillende cultuurhuizen. Binnen Zuidwest (357 evenementen) zijn dat CC De Steiger (Menen), CC Het SPOOR (Harelbeke), CC Wevelgem, OC d’Iefte (Deerlijk) en Schouwburg Kortrijk. Binnen Zender (390 evenementen) gaat het over CC Coloma (Sint-Pieters-Leeuw), CC de Meent (Beersel), CC De Ploter (Ternat), CC ’t Vondel (Halle), GC De Boesdaalhoeve (Sint-Genesius-Rode), GC De Moelie (Linkebeek), GC De Muse (Drogenbos), GC Het Koetshuis (Roosdaal), GC Warande (Liedekerke), Westrand (Dilbeek) en GC Herne (nu deel van GC Pajottegem). Dat zijn bijna alle “CC’s” en “GC’s” uit deze regio. Zo ontbreken Spikkerelle (Avelgem) en de OC’s in de verschillende deelgemeenten van Kortrijk in de geanalyseerde data.
Bij de meerderheid van de geanalyseerde evenementen kunnen we ervan uitgaan dat deze cultuurhuizen ook de organisator of programmator zijn. Maar strikt genomen zijn ze de dataleveranciers. Het gebeurt dat ze de ticketing verzorgen van een evenement van een externe organisator — bv. een amateurvereniging die een zaal huurt en daarbij ook beroep kan doen op het ticketingsysteem van het cultuurhuis. Deze ‘receptieve’ evenementen — dat wat strikt genomen buiten de ‘eigen’ programmatie valt — zijn soms traceerbaar en soms niet.
Gedeelde ticketing wordt ook gebruikt door non-profit ticketdiensten zoals Ticketservice Kortrijk (die o.a. de ticketing van het Wilde Westen verzorgen) of Tickets Gent (waarmee o.a. 4Hoog, CAMPO en de Koer werken). Hier is de dataleverancier duidelijk niet de organisator van de evenementen waarover deze data aanlevert. De data van deze ticketservices worden niet meegenomen in de analyse die volgt.
Een andere belangrijke voetnoot is dat we geen zicht hebben op het aanbod dat niet via Gedeelde ticketing wordt geregistreerd.
Dat gaat enerzijds over evenementen waarvoor geen (digitale) tickets worden uitgedeeld of verkocht. Bijvoorbeeld gratis activiteiten, schoolvoorstellingen of evenementen waarbij de toegang niet via tickets wordt geregeld. Dat is vermoedelijk de reden waarom we geen data over tentoonstellingen en kunstroutes hebben (als die al georganiseerd worden door de cultuurhuizen in kwestie).
Anderzijds gaat het over evenementen waarvan de ticketing gebeurt via andere systemen dan Gedeelde ticketing. Zo gebruikt een deel van de onderzochte cultuurhuizen andere ticketingsoftware voor vormingsactiviteiten en workshops.
1.3 Types van evenementen in het aanbod
Grafiek 1 deelt de evenementen binnen Zender (boven) en Zuidwest (onder) op volgens genre.
Deze indeling is gebaseerd op verschillende datavelden die informatie bieden over de inhoud van het evenement. Als het een voorstelling betreft van een productie uit de podiumkunstendatabank van Kunstenpunt (uitleg verderop), dan werd de genretoekenning uit deze databank gevolgd.
Grafiek 1: Geregistreerde evenementen in cultuurhuizen binnen Zender en Zuidwest naargelang genre (1/7/2024 t.e.m. 31/12/2024) (onderzocht aantal: 747)

Ten eerste valt op dat het beeld verschilt tussen Zender en Zuidwest.
In de cultuurhuizen binnen Zender zijn podiumkunsten (groene balk boven) het best vertegenwoordigde genre (97 voorstellingen, of een kwart van alle onderzochte evenementen in Zender). Daaronder rekenen we alle voorstellingen die als theater (56), dans (20), muziektheater of musical (13) of circus (8) werden gelabeld.
Een derde (34) van de 97 voorstellingen heeft kinderen of jongeren als doelpubliek. Dit weten we als er een leeftijd onder de 18 jaar bij de voorstelling wordt vermeld, of als het gelabeld wordt als kinder- en jeugdtheater. Zoals hierboven uitgelegd: schoolvoorstellingen ontbreken in deze data.
Na podiumkunsten komen film (78 voorstellingen) en muziek (rode balk: 76 concerten in verschillende genres, waarvan 10 in klassieke muziek). Het aantal vormingen en workshops (72; dit gaat over digitale vormingen, kooklessen, sportworkshops, yoga, kinderateliers, creatieve workshops enz.) is wellicht een onderschatting. Een aantal cultuurhuizen in Zender gebruiken hiervoor een ander systeem dan Gedeelde ticketing.
In de programmatie van de cultuurhuizen in Zender komen daarna comedy en humor (blauwe balk: 23 shows, bijna allemaal stand-up), uitstappen en evenementen (22; bv. Kinderdag voor kunsten, Sinterklaasvieringen, samen eten, gegidste wandelingen) en lezingen of debatten (22; bv. auteurslezingen, experten die een uiteenzetting doen over een bepaald onderwerp, politieke debatten n.a.v. de lokale verkiezingen).
Een belangrijke bedenking: grafiek 1 maakt abstractie van de onderlinge diversiteit in de programmatie van de cultuurhuizen. De cijfers over genres worden per IGS gepresenteerd. In de achterliggende gegevens wordt duidelijk dat er nog veel verschillen zijn tussen de respectieve cultuurhuizen.
Binnen Zuidwest staan de vormingen en workshops bovenaan (159). Dat komt vooral op het conto van CC Wevelgem en CC De Steiger (bij Schouwburg Kortrijk, OC d’Iefte en CC Het SPOOR zijn podiumkunsten en muziek het best vertegenwoordigd).
Daarna volgen podiumkunsten (37 voorstellingen zijn theater, 23 muziektheater of musical, 7 dans en 5 circus) en muziek (9 klassieke concerten en 49 in andere genres zoals jazz, blues, levenslied enz.). (Onder de podiumkunsten vinden we 10 voorstellingen voor kinderen of jongeren.)
Er werden 24 lezingen of debatten georganiseerd en 20 filmvoorstellingen. Dit laatste cijfer verschilt duidelijk van de cultuurhuizen van Zender. Comedy en humor (18 shows) vormen samen met uitstappen en evenementen het kleinste deel van de programmatie.
1.4 Aandeel van Vlaams gesubsidieerde kunsten
Het grote voordeel van de data uit Gedeelde ticketing is dat ze voldoende informatie bieden over de aard van elk evenement.
Zo kon Kunstenpunt de link leggen met haar eigen podiumkunstendatabank. In een bijkomende dataverrijking identificeerden we de voorstellingen van podiumproducties die in deze databank zijn opgenomen.
De podiumkunstendatabank van Kunstenpunt biedt namelijk het meest omvattende beeld van het gesubsidieerde en ‘semi-gesubsidieerde’ podiumkunstenveld. Quasi alle producties van makers en kunstenorganisaties die met Vlaamse kunstensubsidies (structurele en projectmatige) werken zijn er in opgenomen. Alsook de podiumproducties van makers en organisaties die in en rond dat gesubsidieerde netwerk zitten.
Daarnaast controleerde Kunstenpunt of de hoofdproducent of een coproducent van het evenement in kwestie werkingssubsidies krijgt via het Kunstendecreet in 2024. Daardoor konden we bv. concerten opsporen van gesubsidieerde muziekensembles. Of de tournees van jazzmuzikanten die worden ondersteund vanuit Jazzlab. Of een comedyshow van ‘Nuff Said.
In grafiek 2 zie je het aandeel van die Vlaams gesubsidieerde podiumkunsten en muziek in het totaal van de onderzochte evenementen.
Grafiek 2: Aandeel van Vlaams gesubsidieerde podiumkunsten en muziek in het totaal van geregistreerde evenementen in cultuurhuizen binnen Zender en Zuidwest (1/7/2024 t.e.m. 31/12/2024) (onderzocht aantal: 747)

Het valt op dat het aandeel van Vlaams gesubsidieerde podiumkunsten en muziek (lichtblauw) in beide gevallen 14% is. Ondanks de eerder gesignaleerde verschillen tussen de IGS’en.
Maar ook hier geldt: als je de data bekijkt per cultuurhuis (niet gevisualiseerd), kom je tot verschillende percentages. Het aandeel van Vlaams gesubsidieerde podiumkunsten en muziek in het geheel varieert van 0% tot ca. 30%. Het verbaast niet dat de cultuurhuizen met het hoogste aandeel ook degene zijn die vroeger tot de ‘A-categorie’ van cultuurcentra behoorden (Westrand, Schouwburg Kortrijk). In de officiële indeling die tot 2016 gold, hadden deze A-CC’s een ander profiel — en een hogere subsidie van Vlaanderen — dan de GC’s of de CC’s in de B- en C-categorie. Die oude indeling verklaart zeker niet alles: net onder die voormalige A-centra vinden we voormalige gemeenschapscentra, waarbij een vijfde van de hele programmatie bestaat uit Vlaams gesubsidieerde podiumkunsten of muziek (zoals CC Coloma of CC Het SPOOR).
In het geval van Zender moet je ook rekening houden met de onderschatting van het aantal vormingen en workshops (zie uitleg bij grafiek 1). Dat zou een invloed hebben op de grootte van het grijze aandeel.
Daartegenover staan wel de lacunes in de data over schoolvoorstellingen of aanbod dat buiten de ticketing van de cultuurhuizen valt. En mochten we data van Spikkerelle in Avelgem voor de onderzochte periode hebben, dan zou het beeld van Zuidwest kunnen veranderen. Het blauwe aandeel kan dus in werkelijkheid groter zijn.
Bovendien ligt het traceren van de inbreng van kunstensubsidies niet altijd voor de hand. Via de Podiumkunstendatabank van Kunstenpunt capteren we wel goeddeels het projectmatig gesubsidieerde deel van de podiumkunsten. Maar het is niet uit te sluiten dat bepaalde makers of organisaties die ooit (tijdelijk) middelen kregen via het Kunstendecreet toch buiten die 14% vallen.
Op de gesubsidieerde beeldende kunsten in de cultuurhuizen hebben we evenmin zicht. Een mapping van andere cultuursubsidies is ook niet gebeurd. In het grijze aandeel in grafiek 2 zitten waarschijnlijk nog andere Vlaams gesubsidieerde kunsten- en cultuurevenementen verborgen, zoals:
- circusproducties met (in)directe subsidies uit het Circusdecreet
- artistieke of culturele evenementen met middelen uit het Bovenlokaal Cultuurdecreet
- screenings van films die steun kregen van het VAF
- auteurslezingen gesubsidieerd door Literatuur Vlaanderen
In het grijze aandeel van 86% in grafiek 2 vind je vooral het soort evenementen terug die in grafiek 1 goed vertegenwoordigd waren. Voor de cultuurhuizen van Zender zijn dat in de eerste plaats filmvoorstellingen, concerten en vormingen. Bij Zuidwest is er, zoals gezegd, een groot aandeel van vormingen en workshops. Ook binnen die laatste kunnen we niet uitsluiten dat deze volledig losstaan van de Vlaams gesubsidieerde kunsten. Het is mogelijk dat er een creatieve workshop wordt gegeven door een kunstenaar die ondersteuning krijgt of kreeg via het Kunstendecreet. Denk ook aan kunstenaars die vormingen geven, naast hun kernartistieke werk (zoals een choreograaf die bijklust als dansleerkracht).
Grafiek 3: Aandeel van Vlaams gesubsidieerde podiumkunsten en muziek in het aantal live evenementen op een podium in cultuurhuizen binnen Zender en Zuidwest (1/7/2024 t.e.m. 31/12/2024) (onderzocht aantal: 390)

Grafiek 3 zoomt in op de evenementen die live op een podium worden gebracht: voorstellingen, concerten, lezingen en debat. De vormingen, filmscreenings en uitstappen zijn hier weggefilterd. Het gaat dan over 218 evenementen binnen Zender en 172 binnen Zuidwest (390 in totaal).
Vlaams gesubsidieerde podiumkunsten en muziek (lichtblauw) vertegenwoordigen in de cultuurhuizen van Zender een kwart van het live podiumaanbod. In de cultuurhuizen van Zuidwest gaat het over 28%.
In beide regio’s neemt ‘niet-gesubsidieerde’ muziek (rood) het grootste aandeel van het live podiumaanbod in. Comedy (donkerblauw) neemt het kleinste aandeel van de live podiumprogrammatie in — in zowel Zender als Zuidwest.
Een deel van het rode en groene aandeel in grafiek 3 zijn voorstellingen of concerten van amateurverenigingen. Zoals hierboven uitgelegd, gaat het waarschijnlijk niet over de ‘eigen’ programmatie. De cultuurhuizen kunnen als deel van hun dienstverlening de ticketing voor die amateurensembles en -gezelschappen verzorgen. Die voorstellingen en concerten vinden we vooral in data uit Zender. Als we die wegfilteren, dan stijgt het aandeel van Vlaams gesubsidieerde podiumkunsten en muziek in de balk van Zender in grafiek 3 tot 27%.
Belangrijke voetnoot: bovenstaande cijfers geven niet het gebruik van de podiumzalen weer. De onderzochte data bieden geen details over gebruikte zalen binnen de venues. Mogelijk wordt voor filmscreenings in bepaalde cultuurhuizen dezelfde zaal gebruikt als voor voorstellingen en concerten. Grafiek 3 kan je dus niet lezen als de ‘concurrentie in de bezetting van de podiuminfrastructuur’. Bovendien vinden niet alle onderzochte live evenementen plaats in de traditionele podiumzalen van de cultuurhuizen. Een deel wordt georganiseerd op locaties die niet onder het beheer van het cultuurhuis vallen, zoals kerken, evenementenhallen of publieke parken.
Evenmin hebben we via Gedeelde ticketing zicht op het zaalgebruik of de zaalhuur door derden. Zeer waarschijnlijk vinden er meer evenementen plaats in de infrastructuur van de onderzochte cultuurhuizen. Die zijn dan geen ‘eigen programmatie’, maar ‘receptief aanbod’. Bijvoorbeeld een amateurgezelschap dat de podiumzaal van het cultuurhuis huurt voor zijn jaarlijkse revue. Of een promotor van comedyshows die hetzelfde doet voor de tournee van een van de comedians die hij vertegenwoordigt.
1.5 Conclusie: nieuwe mogelijkheden, oude spanningsvelden
Gedeelde Ticketing biedt nieuwe mogelijkheden voor onderzoek naar de aanwezigheid van professionele of gesubsidieerde kunsten in de cultuurhuizen:
- De data geven zicht op de concrete inhoud en genres van de activiteiten in de programmatie van de onderzochte cultuurhuizen.
- Mits dataverrijking, laat dit toe om de link te leggen met het Kunstendecreet en andere cultuursubsidies.
- De link met andere databanken is mogelijk, zoals de podiumkunstendatabank van Kunstenpunt.
Op deze vlakken kunnen de data van Gedeelde ticketing zelfs meer bieden voor onderzoek dan CCinC. Deze gaf bijvoorbeeld geen rechtstreeks zicht op het gesubsidieerde podiumkunstenaanbod in de CC’s (zie Janssens 2018).
Een ander voordeel is dat de data van Gedeelde Ticketing ook cultuurhuizen bevatten die vroeger een GC waren. En zelfs lokale instellingen die de naam “GC” of “CC” gebruiken, maar die vroeger nooit die officiële titel hadden. CCinC beperkte zich tot de CC’s.
Binnen enkele jaren zullen we langere tijdreeksen uit Gedeelde ticketing kunnen halen. In combinatie met een stijgend aantal gebruikers, laat dit toe om in de toekomst evoluties te bekijken in de programmering van de cultuurhuizen.
Twee bedenkingen wel:
- Vergelijken met de situatie vóór de ontmanteling van het decreet lokaal cultuurbeleid in 2016 zal voor toekomstig onderzoek ook lastig zijn. De reden zijn net de verschillen tussen de aard van de data van Gedeelde Ticketing en deze van oudere bronnen zoals CCinC. Wellicht zijn die op bepaalde vlakken onoverbrugbaar.
- Zelfs met de huidige uitbreiding van het aantal gebruikers van Gedeelde Ticketing hebben we nog niet de hele groep van ex-CC’s en ex-GC’s. Meer dan 250 gemeenten hadden een CC of een GC in 2015.
In toekomstig onderzoek moet de link tussen Gedeelde ticketing en andere databronnen verder worden bekeken.
De vergelijking met wat er verschijnt in de UiTdatabank is relevant voor twee lacunes in de huidige kennis. Mogelijk bevat de UiTdatabank de activiteiten die in de onderzochte cultuurhuizen plaatsvinden, maar die niet zijn opgenomen in de data van Gedeelde Ticketing. Dat kunnen de activiteiten zijn die door derden worden georganiseerd in de infrastructuur van het cultuurhuis. M.a.w.: de UiTdatabank kan misschien meer zeggen over het ‘receptieve aanbod’.
Het kunnen ook activiteiten zijn die door de cultuurhuizen worden georganiseerd, maar die niet via Gedeelde ticketing worden geregistreerd (zoals een deel van de vormingen en workshops in Zender). M.a.w.: de UiTdatabank biedt misschien zicht op evenementen die via andere ticketingsystemen worden geregistreerd. In dit licht is het interessant om ook het potentieel van de data van bijvoorbeeld Yesplan te onderzoeken.
Voor de lacune van schoolvoorstellingen in de cultuurhuizen moet het project rond efficiëntere schoolprogrammering van Cultuurconnect in de gaten worden gehouden. Ook de verdere ontwikkeling van Podiumnet kan rijkere data opleveren voor toekomstig onderzoek.
Tot slot nog dit. Ondanks de ontmanteling van het Vlaams lokaal cultuurbeleid, het verdwijnen van de officiële definities van ‘cultuurcentrum’ of gemeenschapscentrum’ en de grotere autonomie van lokale besturen inzake cultuurbeleid lijken de principes achter de CC’s en GC’s nog grotendeels intact.
De gemiddelde programmatie van de cultuurhuizen die we hier onderzochten biedt, net als vroeger, een divers palet aan activiteiten en thema’s. Kunsten, vormingen, hobby’s, maatschappelijk debat, sport, verenigingsleven, entertainment, erfgoed enzovoort. Daarin herken je de oude spanningsvelden in de taken van CC’s en GC’s (volksverheffing en volksontwikkeling, gemeenschapsvorming en cultuurspreiding, receptieve werking en eigen werking). Ook al is er geen omvattend Vlaams beleid meer dat dit voorschrijft.
1.6 Bronnen
2. Spreidingsanalyse Vlaams en internationaal 2023
In 2023-2024 deed Kunstenpunt een update van oudere statistieken over spreiding. Na de moeilijke coronajaren kozen we ervoor om kalenderjaar 2022 te gebruiken als meetpunt. We ontvingen de UiTdatabank-gegevens van publiq voor kalenderjaar 2022 in het voorjaar van 2023 en we exporteerden de internationale gegevens uit onze eigen databanken. We werkten met een jobstudent in de zomer van 2023 om de gegevenskwaliteit hoog genoeg te krijgen voor analyse. Gegevens alleen zijn immers nooit genoeg voor analyse en inzicht. Daarna verrijkten we de ruwe data met inhoudelijke categorisaties om patronen te duiden.
2.1 Spreiding in Vlaanderen
De onderzoeksresultaten met betrekking tot de spreiding van podiumkunsten en klassieke muziek werden op 11 juni 2024 gepresenteerd voor een publiek van professionals. Dat gebeurde op een van de bijeenkomsten naar aanloop van de Landschapstekening Kunsten 2025 (in CAMPO, Gent). De presentatie werd in het Engels gegeven. Hieronder kan je de slides met facts & figures raadplegen.
De data over spreiding van podiumkunsten en klassieke muziek in Vlaanderen en Brussel worden samen gepresenteerd met cijfers over internationale spreiding. Over dat laatste kan je onderaan nog verder lezen.
We proberen hier content te tonen van Google Slides.
Kunsten.be gebruikt minimale cookies. Om inhoud te zien die afkomstig is van een externe site, kan die site bijkomende cookies plaatsen. Door de inhoud te bekijken, aanvaard je deze externe cookies.
Lees meer over onze privacy policy.
2.2 Internationale spreiding
Met het oog op het IDEA onderzoek naar het Internationale Cultuurbeleid voelden we ons genoopt om een eerste voorzichtige inschatting te maken van de internationale spreiding, op basis van nog onvolledige data in de zomer van 2023. We bekeken de internationale speel- en toonmomenten in 2022 voor muziek, beeldende kunst en podiumkunst, gebaseerd op ruwe exports uit onze eigen databanken; hieronder dus ongeverifieerde en voorlopige cijfers.
Beeldende kunsten
Het hoofdstuk “Portrait of the artist as a traveller” in Cijferboek Kunsten 2018 toont de (in absolute cijfers) beperkte internationale (solo)tentoonstellingsmomenten en residentiekansen voor beeldend kunstenaars. Grof gezegd zijn er een 350 solotentoonstellingen en zowat 40 residenties per jaar in buitenland. En die vonden vooral plaats in de buurlanden Frankrijk, Nederland en Duitsland, maar ook in de Verenigde Staten. We baseren ons daarvoor op zelf gerapporteerde data, en houden dus een slag om de arm.
Maar met die voetnoot in het achterhoofd kunnen we kijken hoe het gesteld is in 2022. In totaal zien we slechts een 45-tal solotentoonstellingen en residenties in het buitenland in 2022. Dat is een beduidend lager cijfer, maar dat heeft (ook) te maken met de vertraging op de zelfrapportering van de kunstenaars aan ons. Verhoudingsgewijs zijn opnieuw Frankrijk en Duitsland de belangrijkste landen in termen van aantallen voor de solotentoonstellingen. Residenties zien we vooral gerapporteerd in verre landen als de Verenigde Staten, Japan of China. Eerder dan hier grote conclusies aan te hangen toont dit aan dat de zelfrepresentatie in de databank niet op korte termijn volledige data oplevert.
Muziek
In het hoofdstuk “Have Love, Will Travel” in het Cijferboek 2018 toonden we de onderstaande tabel. In totaal zagen we doorgaans een 5000-tal concerten per jaar. Goed twee vijfde daarvan vond plaats in Frankrijk en Nederland. Opvallend is dat er ook veel concerten in de Verenigde Staten plaatsvinden, en dat is vermoedelijk omwille van het prestige dat dat met zich meebrengt.

De situatie in kalenderjaar 2022 is gelijkaardig, met nog steeds meer dan 1000 concerten in Frankrijk, en bijna 1000 in Nederland. In het totaal zagen we 4800 concerten in het buitenland tijdens het kalenderjaar 2022.
In sommige gevallen spelen muzikanten, ensembles of groepen ook een gelijkaardig programma in de vorm van een tournee. Hoelang kunnen zulke tournees zijn? Om die vraag te beantwoorden moeten we zulke tournees handmatig detecteren, en dat staat gepland voor de zomer van 2023.
Podiumkunsten
In het Cijferboek 2018 toonden we de onderstaande grafiek in het hoofdstuk “The Only Way Is Up”. Die toont een duidelijke spreiding in buurlanden Frankrijk en Nederland. In totaal zijn er vanaf 2013 bijna 3000 voorstellingen die gespeeld worden in het buitenland.

Hoe is het in 2022 gesteld met deze spreiding? Op basis van onze voorlopige cijfers en analyse zien we meer dan 600 voorstellingen in Nederland, en bijna 700 voorstellingen in Frankrijk. In totaal zien we 2700 voorstellingen in het buitenland tijdens het kalenderjaar 2022.
Een eigenheid van podiumkunsten is dat ze vaak bestaan uit herhaalde voorstellingen van dezelfde productie. Zulke tournees hebben een speelreeks, en grafiek 7 in hoofdstuk The Only Way Is Up toont dat de meeste producties maar een handvol voorstellingen in het buitenland spelen. De enkele producties die wel een lange speelreeks hebben kunnen het meeste opvoeringen in (het grote land) Frankrijk afzetten.
Hoe is het in 2022 gesteld met die speelreeksen? In 2022 is het beeld nog steeds dat slechts een handvol producties een lange speelreeks in het buitenland hebben: 10 producties konden 19 of meer voorstellingen spelen in het buitenland. De mediaan is 3, en dat wil zeggen dat de helft van de producties 3 of minder voorstellingen in het buitenland heeft (in 1 kalenderjaar). In vorige analyses bekeken we de speelreeks over meerdere jaren, maar dat kunnen we nu niet doen, gezien de cesuur door de corona-pandemie. Het zicht op de “slow burners” verdwijnt daardoor, en je zou kunnen aannemen dat er nu misschien meer “prototypes” zijn. Een onduidelijk beeld dus. Anekdotisch kan je wel vaststellen dat er in de vorige analyse een productie gezien werd die in 1 jaar meer dan 90 opvoeringen had, in 2022 is er maar 1 productie met meer dan 30 voorstellingen in het buitenland.
3. Vlaamse en internationale spreidingsanalyses 2018: Cijferboek Kunsten
- Muziek
- Een muzikaal bodemonderzoek. Lees de analyse in het Cijferboek, pagina 241.
- Have love, will travel: lees de analyse over de internationale spreiding van live muziek hier na.
- Muzikale mobiliteit tussen België en Nederland. Lees de analyse in het Cijferboek, pagina 89.
- Beeldende Kunst
- Podiumkunsten
- De speelcircuits van de structureel gesubsidieerde podiumkunsten: de analyse naar de speelcircuits van de structureel gesubsidieerde podiumkunsten kan je hier nalezen.
- De theaterprogrammering in de cultuurcentra (2006-2015). Lees de analyse na in het Cijferboek, pagina 233.
- The only way is up? De analyse over de internationale spreiding en productielogica’s van podiumkunsten lees je hier na.
- Van ‘prototype’ tot ‘slow burner’. Deze analyse vind je in het Cijferboek, pagina 187.
- Beyond export: Welke landen zijn trending in de kunsten? Lees het artikel hier na.
4. Vlaamse spreidingsanalyses 2016: Kunst in de Nevelstad
Dit artikel was de inleiding op het dossier “Kunst in de nevelstad” (2016), een samenwerking van Kunstenpunt en Rekto:Verso. Auteurs Joris Janssens en Wouter Hillaert reflecteren in het artikel op de ‘spreidingskwestie’ anno 2016 — een langlopende discussie over de presentatie van professionele kunsten in Vlaanderen.
Het dossier “Kunst in de nevelstad” werd oorspronkelijk gepubliceerd op een minisite die niet langer actief is. De analyses en artikels uit het dossier kunnen wel nog worden geraadpleegd. Het overzicht met links vind je na het artikel.
In het artikel verwijzen Janssens en Hillaert meermaals naar het lokaal cultuurbeleid in Vlaanderen. Daarover lees je meer op een andere pagina.
Inleiding
Binnen de podiumkunsten en de muziek is ‘de spreidingskwestie’ niet nieuw, maar sinds het seizoen 2014-2015 signaleren gezelschappen, groepen en boekingskantoren dat hun gesprek met speelplekken over de afname van voorstellingen en concerten nog moeilijker is geworden. Het gevolg: krimpende speelreeksen, zeker voor risicovoller werk. In de beeldende kunst speelt die zorg ook, maar op een andere manier. Presentatiemogelijkheden voor actuele beeldende kunst waren altijd al beperkter, omdat tentoonstellingen niet reizen en omdat het hele netwerk van cultuurcentra zich altijd hoofdzakelijk op podiumkunsten en muziek heeft gericht. Dat lijkt misschien een detail, een louter intern probleem binnen de kunsten, maar in essentie gaat het hier om een democratisch vraagstuk. Heeft elke Vlaming wel dezelfde kansen om in zijn nabije omgeving in contact te komen met professionele kunsten? Juist volgens dat principe – directe toegang tot goeie kunst – werd vanaf de jaren 1970 een heel net van cultuurcentra uitgerold over Vlaanderen. Terwijl die directe toegang nooit ten volle gerealiseerd is voor professionele beeldende kunst, dreigt ze nu misschien ook af te brokkelen voor theater, dans en muziek?
Naast het louter aanbieden van artistieke productie(s) zouden presentatie-instellingen nog meer kunnen optreden als cultureel en maatschappelijk bemiddelaar.
Het spreidingsdebat gaat dus niet alleen over meer of minder presentatiemogelijkheden, maar ook over de nood aan een kwalitatieve opwaardering van kunstpresentatie buiten de steden. Wat is de waarde van kunst voor de leefomgeving van mensen? Hoe realiseer je die waarde ook voor mensen bij wie namen als De Roovers of Flat Earth Society niet meteen veel belletjes doen rinkelen? Veertig jaar lang was het antwoord evident: elders gemaakte voorstellingen werden met een beperkte omkadering getoond in het circuit van de kunsten- en cultuurcentra. Vandaag leeft echter steeds meer het gevoel dat dit traditionele model van kunstproductie en -spreiding kansen laat liggen om de waarde van kunst ten volle te oogsten. Naast het louter aanbieden van artistieke productie(s) zouden presentatie-instellingen nog meer kunnen optreden als cultureel en maatschappelijk bemiddelaar: niet alleen kunst in de etalage plaatsen, maar dat ook als een aanleiding zien om er extra verbindingen rond te creëren in de lokale omgeving. Zeker in het licht van een aantal maatschappelijke ontwikkelingen is dat een urgente kwestie. Binnen en buiten onze steden ‘verkleurt’ de bevolking, terwijl de jongste editie van de Participatiesurvey laat zien dat vooral jongeren steeds minder aansluiting lijken te vinden bij de ‘hogere kunsten’. Zorgen in de nevelstad
Een troef die onze regio onderscheidt van vele andere landen: een fijnmazig netwerk van culturele infrastructuur over het hele grondgebied.
Algemeen leeft het gevoel dat we ons op een keerpunt bevinden voor de rol en de betekenis van kunst in de lokale context. Zeker in Vlaanderen staat er niet weinig op het spel. De spreiding van het kunstenaanbod vormde de laatste halve eeuw een speerpunt van het cultuurbeleid. Dat leidde tot een troef die deze regio onderscheidt van vele andere landen: een fijnmazig netwerk van culturele infrastructuur over het hele grondgebied. Zowel de Landschapstekening Kunsten als de Strategische Visienota Kunsten van minister Sven Gatz (Open VLD) hebben het over een ‘culturele nevelstad’. Dat beeld wordt wel vaker gebruikt als het gaat over ruimtelijke ordening in Vlaanderen. Hier zijn stedelijke functies niet exclusief geconcentreerd in (groot)stedelijke centra, maar ook steeds meer verspreid over (voorheen) landelijk gebied. Zo krijg je een uitgestrekt en ‘nevelachtig’ stedelijk weefsel. Dat geldt zeker ook voor ons cultuurlandschap, beschrijft Wouter Davidts in zijn paper ‘Vlaanderen Culturele Nevelstad’: “Cultuur en kunst zijn hier overal, als het bloed door de aderen van een wijdvertakt netwerk van kunsten- en cultuurcentra, musea en galeries, muziekclubs en cafés, jeugdhuizen en seniorencentra.”
Niet alleen op het podium, ook achter de schermen verhoogt de druk.
Alleen staat het aanbod in de nevelstad onder toenemende druk. Bezuinigingen op het kunsten- en cultuurbeleid, zowel bij de Vlaamse Gemeenschap als bij de gemeenten, hebben hun weerslag op het programmeringsbudget van heel wat kunsten- en cultuurcentra. Uit een bevraging van de Vereniging van Vlaamse Cultuur- en Gemeenschapscentra (VVC) bleek in 2014 dat 38% van de cultuurcentra hun programmeringsbudget had moeten verlagen ten opzichte van 2011. Programmatoren kunnen dan per seizoen minder werk laten zien, of moeten de tering naar de nering zetten. Het verkleint de diversiteit van het aanbod in de nevelstad: in vele cultuurcentra is bijvoorbeeld minder risicovol en meer goedkoper werk te zien. En niet alleen op het podium, ook achter de schermen verhoogt de druk. Er wordt bezuinigd op personeel, waardoor vele lokale cultuurwerkers hun takenpakket zien uitbreiden en de werkdruk voelen toenemen. Voor hen zijn er steeds minder mogelijkheden om te prospecteren, hun netwerk in de professionele kunsten uit te blijven bouwen en hun gidsfunctie voor het lokale publiek waar te maken.
Van één naar 308 cultuurministers
Naast die besparingen zijn er ook een aantal ingrijpende bestuurlijke wijzigingen die de lokale spreiding van het aanbod binnenkort nog verder kunnen doen afkalven. Om te beginnen wordt de rol van de provincies op het vlak van cultuur ingeperkt. Die rol ging in het verleden verder dan subsidiëren. Provincies gaven bijvoorbeeld ook impulsen op het vlak van programmering en/of een gezamenlijke cultuurcommunicatie (bijvoorbeeld Vlabr’accent of een platform als Dans in Limburg). Voor het wegvallen van het provinciale cultuurbeleid wordt nog naar oplossingen gezocht, maar zeker voor de spreidingskwestie branden hier knipperlichtjes.
Nog fundamenteler is de decentralisering van het lokaal cultuurbeleid. In het verleden werden cultuurcentra en bibliotheken gecofinancierd door de Vlaamse overheid, via het Decreet Lokaal Cultuurbeleid. Maar bij aanvang van de legislatuur 2014-2019 besliste de Vlaamse Regering dat de Vlaamse middelen voor het lokaal cultuurbeleid zullen opgaan in het ‘Gemeentefonds’, zonder oormerking. Voortaan hoeven gemeenten dat geld dus niet langer te besteden aan hun cultuurbeleid. Ze kunnen het ook gebruiken voor pakweg de renovatie van de winkelstraat of om hun gemeentelijke schulden te dempen. Of dat ook zal gebeuren? Believers (zoals Sven Gatz) zeggen dat het allemaal niet zo’n vaart zal lopen. Zij vragen om vertrouwen in de wijsheid van lokale besturen. Non-believers daarentegen waarschuwen voor een commercialisering van de programmering, waarbij ze wijzen op de ontwikkelingen in Nederland.
Het Decreet Lokaal Cultuurbeleid werkte als een hefboom voor de Vlaamse Gemeenschap om het uitgebouwde netwerk van de cultuurcentra in te schakelen voor haar eigen beleidsdoelstellingen. In de toekomst valt dat weg.
Hoe dan ook gaat de mogelijke impact van de decentralisering veel verder dan de vraag of de cultuurcentra meer of minder geld zullen hebben. Het Decreet op het Lokaal Cultuurbeleid was veel meer dan een vehikel voor de Vlaamse (co)financiering van lokale spelers. Het was het wettelijke kader dat cultuur- of gemeenschapscentra as such erkende en categoriseerde. Samen met de Vlaamse subsidies kwamen er normen en verplichtingen, die samenhingen met Vlaamse beleidsdoelstellingen (zoals juist de spreiding van het gesubsidieerde aanbod). Kortom, het decreet had een fundamentele impact op de missie en de kernopdrachten van cultuurcentra. Het werkte als een hefboom die de Vlaamse Gemeenschap in staat stelde om het uitgebouwde netwerk van de cultuurcentra in te schakelen voor haar eigen beleidsdoelstellingen. In de toekomst valt dat weg. De cultuurminister heeft, vanuit zijn vogelperspectief, voortaan niets meer in te brengen over lokaal cultuurbeleid. Als hij dat nog ergens voor zou willen engageren, kan hij dat hoogstens eens lief vragen aan de gemeenten. Cultuurcentra zijn straks immers de exclusieve eigendom van burgemeester en schepenen, wat de facto wil zeggen dat hun profiel in de ene gemeente helemaal anders kan worden dan in de naburige gemeente. Wat zal daarvan de impact zijn op de kwaliteit en de diversiteit van het kunstenaanbod in de ‘nevelstad’?
Oefenen voor nieuwe tijden
Sommige gemeenten zullen hun cultuurbeleid afbouwen, maar andere kunnen zich mogelijk juist profileren als culturele hotspots.
Doemdenken zal weinig zoden aan de dijk brengen. Waarom niet veeleer op zoek gaan naar nieuwe kansen? Sommige gemeenten zullen hun cultuurbeleid inderdaad afbouwen, maar andere kunnen zich mogelijk juist profileren als culturele hotspots. Zo bleek uit dezelfde bevraging van de VVC dat er ook cultuurcentra zijn waar het programmeringsbudget stijgt. Los van Vlaamse normen of vereisten openen zich voor het lokale aanbod mogelijkheden om meer ‘op maat’ in te spelen op de noden en de dynamiek van de lokale omgeving.
Waarom het lokale dan niet veeleer begrijpen als de voedingsbodem voor nieuwe tijden, als dé oefenzone bij uitstek voor uitdagingen als korteketeneconomie, de maatschappelijke inbedding van cultuur, sectoroverschrijdende verbinding en participatie?
Dat is overigens niet alleen een uitdaging voor lokale presentatie-instellingen, maar ook voor de kunstensector zelf. Die huivert vaak van de gedachte ‘op maat van de lokale omgeving’, en ziet dan doembeelden als glad entertainment, politieke nepotisme en over het paard getilde amateurkunstenaars. Maar bekijkt de kunstensector ‘het lokale’ niet al te makkelijk als de (achtergebleven?) achtertuin van het experiment in de grote steden? Als de ingedommelde nederzettingen rond de parochiekerk waar de vernieuwing later komt en het volk nog opgevoed moet worden? Zo zijn de cultuurcentra ooit bedacht en verspreid over het land. Maar voor de toekomst is een heel andere utopie denkbaar. Een aantal sociale uitdagingen waartoe ook de kunstensector zich zal moeten verhouden (vergrijzing, vergroening, verkleuring,…), tonen zich juist lokaal heel concreet. Waarom het lokale dan niet veeleer begrijpen als de voedingsbodem voor nieuwe tijden, als dé oefenzone bij uitstek voor uitdagingen als korteketeneconomie, de maatschappelijke inbedding van cultuur, sectoroverschrijdende verbinding en participatie?
Het is geen toeval dat kunstenorganisaties steeds meer op zoek zijn naar diverse horizontale, sectoroverschrijdende verbindingen, zoals in lokale Green Track-netwerken of in het kader van Pulse, het transitienetwerk cultuur.
Op sommige plekken is dat al geen utopie meer. In de praktijk van kunstenaars en gezelschappen zie je een groeiende interesse voor bijvoorbeeld werken in de publieke ruimte en experimenten met nieuwe vormen van (co)creatie. Ze ontwikkelen andere presentatieformats, ook buiten de muren van schouwburgen en kunsthuizen: van het lokale rusthuis tot de Fordfabriek bij Genk. Die keuze motiveren ze niet zozeer vanuit het idee dat ‘de sector moet dringend iets doen aan zijn draagvlak’, wel vanuit het besef dat onze samenleving als geheel voor een aantal sociale, economische, politieke en ecologische uitdagingen staat, waar de kunsten niet van los te maken vallen. Ze zien in de verbeeldingskracht en de subversiviteit van de artistieke blik een mogelijke bijdrage aan een breder proces van maatschappelijke transitie naar een duurzamere samenleving. Het is dan ook geen toeval dat kunstenorganisaties steeds meer op zoek zijn naar diverse horizontale, sector-overschrijdende verbindingen, zoals in lokale Green Track-netwerken of in het kader van Pulse, het ‘transitienetwerk cultuur’.
Ook voor cultuurcentra liggen hier nieuwe mogelijkheden. Eerder dan de etalage van (elders geproduceerd) werk, kunnen ze die nieuwe toekomst mee vormgeven, als ‘borrelpotten’ voor de cultuur van de toekomst, als ateliers voor ontwikkeling, creatie en participatie. Individueel én collectief zijn de cultuurcentra nu al volop bezig met het herdenken van hun opdracht, hun structuur, hun infrastructuur en werkprocessen.
Tijd voor transitiebeleid
Kortom, we moeten de ‘spreidingskwestie’ vandaag veel breder bekijken dan als een louter probleem van krimpende speelreeksen. De lokale presentatie van kunst staat op een tweespalt, tussen consolidatie en transitie. Niemand twijfelt eraan dat het fijnmazige netwerk van culturele infrastructuur en kunstenaanbod in de Vlaamse ‘nevelstad’ een grote troef is. Maar ‘verankeren’ betekent tegelijk ook ‘veranderen’. En dat wordt geen sinecure. Zowel beleidsmakers, presentatieplekken als artistieke producenten mogen dan wel aanvoelen dat het aloude cultuurpolitieke ideaal van ‘spreiding van hoge kunst’ steeds meer aan het eroderen is, dat ideaal zit op vele plekken wel nog altijd stevig ingebakken in de bakstenen en de overgeleverde werkmodellen in bijvoorbeeld cultuurcentra. Daaraan morrelen is voorlopig erg kwetsbaar. Het vergt een complex proces dat tijd en ruimte biedt voor ontwikkeling, en dus een investering in een zoektocht waarvan de uitkomst niet op voorhand gegeven is. Hoe die precaire pogingen van kunstenaars en bemiddelaars met vertrouwen ondersteunen?
Bij beleidsmakers op diverse overheidsniveaus vergt de transformatie van de culturele nevelstad Vlaanderen een nieuwe denkoefening.
Daar moet beleid voor ontwikkeld worden: een transitiebeleid voor spreiding. Want ook bij beleidsmakers op diverse overheidsniveaus vergt de transformatie van de culturele nevelstad Vlaanderen een nieuwe denkoefening. Hoe zal het lokale bestuursniveau vorm geven aan zijn toegenomen autonomie? Welke nieuwe oplossingen bedenkt de cultuurminister voor het gat dat de weggevallen provincies zullen slaan in het cultuurbeleid voor het bovenlokale niveau? Een aantal steden en gemeenten experimenteert al volop met nieuwe formats voor hun kunsten- en zelfs hun kunstenaarsbeleid, met nieuwe vormen van opdrachtgeverschap, kunst in de publieke ruimte, atelierbeleid, … Vaak betrekken ze daarbij andere beleidsdomeinen, van toerisme en economie tot stadsontwikkeling. Maar wat met kleinere steden en gemeenten, die soms te weinig longinhoud en expertise hebben om dat democratische potentieel ten volle waar te maken? Welke hefbomen kan Vlaanderen nog ontwikkelen om de kwaliteit en de diversiteit van het kunstenaanbod in de nevelstad te blijven stimuleren, terwijl het haar zeggenschap daarover heeft uitgeleverd? En hoe zullen het Vlaamse en het lokale beleidsniveau in de toekomst met elkaar in gesprek gaan, over wederzijdse ambities, doelstellingen en ondersteuningsmogelijkheden voor de kunsten in de samenleving van morgen?
Naar een nieuw spreidingsdebat?
Kunstenpunt en rekto:verso zien dit dossier als opmaat voor een nieuw debat over de spreiding van de kunsten in Vlaanderen en de rol van de verschillende beleidsniveaus ter zake.
Om het debat over deze vragen aan te vuren, slaan Kunstenpunt en rekto:verso de handen in elkaar. In vier etappes publiceren we een onlinedossier over de spreiding van het kunstenaanbod in Vlaanderen en over ‘complementair kunstenbeleid’. De komende weken publiceren we facts and figures over de spreiding van het kunstenaanbod in Vlaanderen, verrijkt door getuigenissen van betrokkenen.
Analyses
- Podiumkunsten
- PODIUMKUNSTEN IN VLAANDEREN: HET AANBOD IN 2014 IN KAART GEBRACHT: Deze analyse van de spreiding van de podiumkunsten in Vlaanderen kan je hier nalezen.
- PRODUCTIE EN SPREIDING. EEN BODEMONDERZOEK OVER VERANDERENDE MODELLEN VOOR DE PRODUCTIE EN SPREIDING VAN PODIUMKUNSTEN (2001-2014): De analyse van de productie en spreiding van podiumkunsten in Vlaanderen kan je hier nalezen.
- Zet mij in CC: Het onderzoek naar podiumkunsten in cultuurcentra uit 2014 vond haar neerslag in Courant 94 (zie hier het archief Courant).
- Beeldende kunst
- ACTUELE BEELDENDE KUNST IN VLAANDEREN: HET AANBOD IN 2014 IN KAART GEBRACHT: Deze analyse van de spreiding van de actuele beeldende kunst in Vlaanderen kan je hier nalezen.
- De beeldendekunstwerking van cultuurcentra: een survey. De resultaten van de survey naar de beeldendekunstwerking van cultuurcentra kan je hier nalezen.
- Het lokale in de beeldende kunst (Griet Ivens, 2014): De analyse van Griet Ivens uit 2014 kan je hier nalezen.
- Mozes en de berg: beeldende kunst in de gemeente. Het stuk “Mozes en de berg” verscheen in Rekto:Verso en is van de pen van Wouter Hillaert. Lees het hier bij Kunstenpunt.
- Muziek
- LIVEMUZIEK IN VLAANDEREN: HET AANBOD IN 2014 IN KAART GEBRACHT. Lees de mapping van het live-muziek-aanbod uit 2014 hier na.
- Live optreden staat onder druk. “Live optreden staat onder druk” is een artikel door Nico Kennes dat op 13 April 2016 in rekto:verso verscheen. Lees het hier op kunsten.be
Referenties
Bekijk een overzicht van relevante literatuur via onze Zotero bibliotheek.
Distributie - Draagvlak - Eigen opbrengsten - Erkenning - Gatekeepers - Infrastructuur - Internationalisering - Lokale afstemming - Markt - Onderwijs - Participatie - Poortwachters - Presentatie - Publiek - Ruimte - Spreiding - Streaming - Toegankelijkheid - Waarde van kunst .