Hoeveel middelen gaan er naar […]?

Afgelopen weken kreeg Kunstenpunt meermaals dezelfde servicevraag, telkens in een lichtjes andere gedaante: “Hebben jullie zicht op het aandeel van [vul zelf een discipline in] in de subsidies via het Kunstendecreet?” Een antwoord formuleren op de vraag is echter minder voor de hand liggend dan op het eerste zicht lijkt. We staan stil bij twee moeilijkheden.

We gebruiken een fictieve case ter illustratie: subsidiedossiers in de subdiscipline ‘dans’. Het huidige Kunstendecreet voorziet in verschillende subsidie-instrumenten, zoals werkingssubsidies, projectsubsidies, beurzen, tussenkomsten voor een buitenlands publiek presentatiemoment en andere. Bij verschillende van die instrumenten is er een uitgebreide mogelijkheid tot zelfprofilering: individuen of organisaties die een aanvraag indienen, kunnen in hun subsidiedossier zelf een combinatie maken van (sub)disciplines en functies.

Er zijn vijf hoofddisciplines waaruit men kan kiezen: ‘architectuur en vormgeving’, ‘audiovisuele en beeldende kunsten’, ‘muziek’, ‘podiumkunsten’ en ‘transdisciplinair’. Daarnaast zijn er vijf functies (‘ontwikkeling’, ‘productie’, ‘presentatie’, ‘reflectie’ en ‘participatie’). Binnen de hoofddisciplines zijn er ook nog eens subdisciplines die men kan aanvinken. Bij ‘podiumkunsten’ zijn dat ‘dans’, ‘performancekunst’, ‘muziektheater’, ‘theater’ en ‘ander’. De aanvrager kan meerdere sub- en hoofddisciplines en functies combineren om haar werking, project of oeuvre te omschrijven. Dit systeem biedt veel mogelijkheden (meer dan een half miljard zelfs) tot zelfprofilering, maar maakt de berekening van de verdeling van de middelen er niet makkelijker op.

De huidige verdeling van werkingssubsidies binnen het Kunstendecreet (excl. kunstinstellingen en steunpunten). Blauw zijn organisaties die enkel op podiumkunsten indienden, oranje enkel muziek, groen enkel beeldende en audiovisuele kunsten, rood enkel transdisciplinair en paars enkel architectuur en vormgeving. Bruin zijn organisaties die op meerdere disciplines indienden. (Bron: Kunstenpunt)

Neem de werkingssubsidies via het Kunstendecreet. In 2017 ontvangen 207 verschillende organisaties deze subsidies (Kunstinstellingen en steunpunten buiten beschouwing gelaten), voor in totaal ca. 86 miljoen euro. 50 daarvan vinkten in hun dossier ‘dans’ aan. Samen ontvangen deze 50 organisaties ca. 36 miljoen euro aan werkingssubsidies. 36 miljoen van 86 miljoen is ca. 42%. Dat wil echter niet zeggen dat 42% van de werkingssubsidies alleen naar dans gaan. Immers: 40 van de 50 organisaties in kwestie hebben ook andere (sub-/hoofd)disciplines aangeduid in hun aanvraagdossier. Daardoor is er overlap.

Wie dus het aandeel van disciplines (of functies) in de subsidies berekent, moet die eigenheid van het Kunstendecreet altijd in het achterhoofd houden. Dat brengt ons bij de tweede moeilijkheid: waar vinden we de gegevens om berekeningen te maken? Heel wat informatie is online beschikbaar. Maar wie zoekt naar historische reeksen of specifieke subsidieverdelingen, kan soms verloren lopen. In wat volgt, geven we een overzicht van de openbaar beschikbare data.

Cijfers over het Kunstendecreet worden eerst en vooral beheerd door het Departement Cultuur, Jeugd en Media (CJM) van de Vlaamse Overheid — logisch ook: zij zijn de overheidsinstantie die de subsidies in kwestie uitkeert. Na elke beslissing communiceert het Departement wie welke bedragen binnen welke soort subsidies ontvangt.

Je vindt de tabellen in pdf-documenten terug op hun website. Sommige van die tabellen bevatten meer informatie, zoals de vestigingsplaats van de ontvangers, de namen van de aanvragers die geen subsidie toegekend kregen of de beoordeling van de aanvragen. Bepaalde subsidie-overzichten gaan enkele rondes terug in de tijd, terwijl andere beperkt zijn tot de uitslagen van een huidige subsidieronde. In de begeleidende teksten bij de uitslagen vinden we ook informatie terug, bijvoorbeeld over het aantal aanvragen en het aantal gehonoreerden.

In dit verband moeten we ook de overzichten van de cultuurbegroting voor 2020 vermelden. Hier bevinden zich tabellen met de werkingssubsidies voor kunstenorganisaties en -instellingen in 2019 en de begrote cijfers voor 2020 — waarin de huidige besparingen al zijn doorgerekend.

Bepaalde gegevens ontbreken hier echter of zijn slechts gedeeltelijk ontsloten — bijvoorbeeld over de disciplines of functies waar aanvragers op intekenden. Bovendien bevinden de beschikbare data zich in pdf-bestanden, waardoor reconstructies van subsidiestromen manueel zoek-, knip- en plakwerk vereisen. Wie nog verder de tijd in wil gaan, kan terecht bij de vroegere jaarverslagen van het Agentschap Kunsten en Erfgoed, beschikbaar voor de periode 2006–2014.

De verdeling van projectsubsidies en beurzen binnen het Kunstendecreet (2006–2017). (Bron: Kunstenpunt & Departement CJM)

Er bestaan nog andere openbaar toegankelijke bronnen die iets zeggen over de subsidiesverdelingen binnen het Kunstendecreet. Zo zijn er een aantal studies van Kunstenpunt waar je terecht kan voor info over werkingssubsidies:

  • De nieuwe Landschapstekening Kunsten bevat berekeningen van de verdeling van werkingssubsidies (periode 2017–2021) over disciplines en functies (pp. 179–180)
  • Een online reeks grafieken over de periode 2017–2021, met daarin een overzicht van de 207 gehonoreerde organisaties en de functies en disciplines waarop ze indienden
  • In het Cijferboek Kunsten is er een analyse van de opbrengsten (waaronder subsidies) en kosten van organisaties met werkingssubsidies (voor de periode 2010–2016). Deze studie kwam tot stand in samenwerking met het Departement CJM

Wat betreft projectsubsidies, beurzen en tussenkomsten kunnen we ook doorverwijzen naar het Cijferboek Kunsten. Voor “De projectenparadox” ging Kunstenpunt een productieve samenwerking aan met het Departement CJM. In de studie vind je subsidiereeksen voor de periode 2006–2017 terug, onder andere met verdelingen per discipline en verhoudingen tussen het aantal aanvraagde en aantal goedgekeurde dossiers. Een aantal kerncijfers uit deze studie (waaronder het aantal aanvragen) worden ook vermeld in een eerdere blogpost.

Een aantal oudere publicaties van de steunpunten gaan terug tot de periode voor de intrede van het Kunstendecreet in 2006. In Frisse lucht, lange adem (BAM, 2011) worden de Vlaamse subsidies voor beeldende kunsten tussen 1980 en 2010 geanalyseerd. Voor subsidiëring van muziek vanaf de jaren 90 tussen is er Er zit muziek in de subsidies (Muziekcentrum Vlaanderen, 2009). Wat betreft ondersteuning aan podiumkunsten is er onder andere het overzicht van de periode 1993-2011 in De ins en outs van podiumland (VTi 2011; zie ook de vorige Landschapstekening uit 2014).


Je leest: Hoeveel middelen gaan er naar […]?