Naar een wederkerig werken in de beeldende kunst

Om de kloof te dichten tussen een kleine groep rijke megagaleries en een grote meerderheid kunstenaars en kleine galeries die het moeilijk hebben, moeten bestaande modellen worden herdacht.

Drie cases laten zien hoe eerlijke en gelijkwaardige relaties in de ecologie van de beeldende kunst kunnen bestaan.

In het openingsartikel van Boekman schetst Olav Velthuis de steeds grotere kloof tussen een relatief klein aantal megagaleries en topkunstenaars die werken met een steeds groeiende groep (superrijke) verzamelaars wereldwijd, en de overgrote meerderheid van kunstenaars en middelgrote en kleine galeries die internationaal werken maar het financieel moeilijk hebben. Hij wordt daarin ondersteund door de Italiaanse hoogleraar Cultural Economics Pier Luigi Sacco (Sacco 2017).

Het systeem herdenken

Sacco betoogt dat het noodzakelijke evenwicht tussen de domestieke ruimte, de gemeenschapsruimte, de marktruimte en de civiele ruimte grondig wordt verstoord, met schadelijke gevolgen voor het hele ecosysteem van de beeldende kunst. [1]

Zo staan zowel kunstenaars als profit- en non-profitorganisaties die talent ontwikkelen, hun projecten realiseren en kunst zichtbaar maken en verbinden onder druk. Ondertussen pikken de grote galeries en kunstinstellingen talent op zonder mechanismen om die investeringen van talentontwikkelaars te honoreren en opbrengsten terug te laten vloeien.

Speculatie op de kunstmarkt kan carrières in gevaar brengen. Het schept een beeld van kunst als investering voor superrijken terwijl de meerderheid van de kunstenaars én de samenleving streven naar het engagement, de (zelf)reflectie en de betekenis die kunst te bieden heeft. [2]

Musea worden door de hoge prijzen voor kunstwerken genoodzaakt om deals te sluiten met verzamelaars. Hierdoor gaan ze ongewild een rol spelen in de waardevermeerdering van private verzamelingen. Verzamelaars richten ook private musea op rond hun collecties en co-financieren tentoonstellingen rond kunstenaars uit hun collectie.

Sacco pleit voor het herdenken van de bestaande productie- en distributiemodellen vanuit de vraag wat kunst kan betekenen voor burgers en gemeenschappen. Hij spreekt over critical independence in het aangaan van relaties en samenwerking met kunstorganisaties en kunst – markt. Hij pleit er niet voor om uit het bestaande kader van kunstorganisaties en galeries te stappen, maar om met partijen die daartoe bereid zijn, het systeem te herdenken. Radicale keuzes die kunstenaars, kleinere galeries, artist-run spaces en kunstruimtes vandaag samen moeten nemen (Sacco 2017).

Ook binnen de kunstmarkt leiden deze zorgwekkende analyses tot ideeën en oplossingen. Kleine en middelgrote galeries verlagen hun kosten door galerieruimtes en beursstands te delen; kunstbeurzen herverdelen de huurprijs van stands onder gevestigde en opkomende galeries en diversifiëren hun aanbod met secties voor projectruimtes; verzamelaars schenken meer aandacht aan opkomende kunstenaars; kunstenaars zetten zelf kunstgaleries op [3] of er ontstaan kunstbeurzen die opgezet worden door galeries en non-profitkunstruimtes zoals Independent of Condo. [4]

Het zijn waardevolle initiatieven die echter weinig fundamenteel veranderen aan een kunstmarkt die sterk gericht is op economische en symbolische transacties en op groei. Daardoor komt de zorg voor de ecologie van spelers die betrokken zijn bij de productie van kunst en de verbinding met de samenleving onder druk te staan. Deze oplossingen veranderen met andere woorden weinig aan de overwaardering, de speculatie en de groeiende kloven door een opwaartse economie.

Ook het gebrek aan wederkerig karakter tussen de megagaleries en -verzamelaars enerzijds en de meerderheid van de kunstenaars en de profit- en non-profitkunstorganisaties anderzijds blijft onveranderd. Vandaar het pleidooi van diverse spelers in het kunstenveld, zoals het Brusselse kunstenaarsinitiatief Jubilee met het praktijkonderzoek Caveat [5], voor ‘a shift from an economy to an ecology of players’. Een verschuiving waarbij financiële transacties een onderdeel zijn en ten dienste staan van die ecologie. Zo’n omslag houdt in dat je de ruimte van de markt situeert in de ecologie van de domestieke, de gemeenschaps en de civiele ruimte.

Van economie naar ecosysteem

Welke vorm neemt zo’n omslag dan concreet aan? De kunstmarkt kan zelf oplossingen bedenken en regulerend optreden door middel van handvesten en deontologische kaders. [6] Daarnaast kan de overheid de publieke waarde van kunst beschermen en versterken door rechtstreekse steun aan kunstenaars en kunstorganisaties, door de aankoopbudgetten van musea te verhogen en door galeries te steunen die minder bekende kunstenaars of minder marktgevoelig werk van kunstenaars op een kunstbeurs presenteren.

Maar er bestaat ook een ‘derde weg’ om die omslag waar te maken, een weg die groeit vanuit de gemeenschap, die niet in hoofdzaak gebaseerd is op investeren en op groei. Die weg is open en verbindt diverse netwerken, en ook markt en overheid kunnen zich daarbij aansluiten. Deze derde weg heeft nog volop de vorm van zoektocht en experiment.

Enkele voorbeelden kunnen bijdragen om ons iets voor te stellen bij het potentieel van die derde weg. Geen van deze is volmaakt, ze worden stapsgewijs en al doende ontwikkeld in cocreatie met diverse spelers. Ze plaatsen zich niet buiten maar juist midden in de hoger beschreven domestieke, gemeenschaps-, civiele en marktruimtes, en sleutelen aan de onderlinge spelregels en verhoudingen.

Emergent, Veurne (BE)

Emergent [7] is een kunstruimte in een 16de-eeuwse burgerwoning op de markt van Veurne met 900 m2 tentoonstellingsoppervlak. Curator Frank Maes werd door de eigenaar verzocht om er een kunstgalerie te starten. Omdat een galerie commercieel niet haalbaar zou zijn en subsidies onrealistisch zijn in deze uithoek van het land, verkent hij sinds 2013 een derde weg. Daarbij investeren kunstliefhebbers en bedrijven in een kwaliteitsvol artistiek programma, dat het artistieke team van Emergent onder leiding van Maes volledig autonoom samenstelt met een non-profitdoel.

De investeerders – momenteel een tiental – betalen jaarlijks 15.000 euro voor een periode van drie jaar en krijgen daarvoor kansen om hun kennis over kunst te verdiepen via de tentoonstellingen, lezingen en werk- en atelierbezoeken die ze gratis kunnen bijwonen. Bovendien krijgen ze als eersten de kans om bij Emergent geëxposeerde kunstwerken te kopen met een reductie op het aandeel dat naar Emergent gaat. De investeerders zijn verzamelaars, startende of occasionele kopers of mecenassen. Op verzoek krijgen ze gratis en vrijblijvend begeleiding en advies voor hun kunstaankopen van het artistieke team.

Naast deze investeerders heeft Emergent ook een laagdrempelige vriendenvereniging opgezet waarvan kunstliefhebbers lid kunnen worden voor een kleine jaarlijkse bijdrage.

Zaalzicht uit de tentoonstelling Zwiefall, Emergent, Veurne, 2019-2020. Links: Ante Timmermans, Nie, acryl en potlood op houten paneel, 2015; rechts: Charl van Ark, Roncalli, gemengde technieken, 2001/ 2019. (c) Rachel Gruijters

De kunstenaars die er tentoonstellen krijgen een productiebudget en ze ontvangen 50 procent op een eventuele verkoop van een werk. Ze ontvangen geen apart loon, maar daar staat tegen- over dat investeerders enkel een deel van hun investering kunnen recupereren wanneer ze werk aankopen, wat de kans groot maakt dat er werk verkocht wordt. Daarnaast wordt er steeds een percentage voorzien bij een verkoop voor de moedergalerie als de kunstenaar met een vaste galerie werkt. Met de investeringen en de opbrengsten uit lidgelden en verkoop betaalt Emergent de lonen van de deeltijdse contracten en werkingskosten, en de productie van kunstwerken en tentoonstellingen. Die tentoonstellingen zijn gratis toegankelijk voor het publiek tijdens het weekend en op afspraak.

Om zich van de profitstructuur van een galerie te onderscheiden werd oorspronkelijk gekozen voor een non-profitstichting, maar die werd recent, onder impuls van directrice Roxane Baeyens, omgevormd tot een coöperatieve vennootschap (cvba). Daardoor krijgen de investeerders – nu vennoten – een fiscaal voordeel tijdens de eerste vier jaar van de cvba: van de 15.000 euro zijn 3.000 euro aandelen waarop 45 procent fiscaal voordeel geldt. Het is niet uitgesloten dat ook publieke overheden in de toekomst bijdragen aan dit model, dat na zes jaar haalbaar is maar financieel kwetsbaar blijft.

Emergent verschilt van de klassieke galerie omdat ze de private sector niet enkel koopkansen biedt, maar ook inhoudelijk en financieel betrekt bij een publiek en kunstenaarsgericht initiatief. Voor kunstenaars biedt Emergent productie- en presentatiekansen vanuit een inhoudelijke drijfveer, en verkoopkansen aan geëngageerde verzamelaars. Op die manier verbindt Emergent de kunstenaar en zijn of haar galerie, curator, burger en verzamelaar/investeerder in een circulair financieel model.

V22, Londen (VK)

V22 zet nog een stap verder dan Emergent in het verbinden van financiën, vastgoed, collecties, creatie en presentatie. V22 werd in 2006 mede opgericht door Tara Cranswick vanuit de behoefte om wat kunstenaars nodig hebben te verbinden (‘a place to work, a way to show their art, and collectors to buy and look after their art’) [8] en daar een gedeeld eigenaarschap rond te creëren.

V22 was tevens een reactie op de verstoorde marktwerking in de vastgoedwereld en de kunstmarkt, en op de gesloten en niet-transparante netwerken die kunstenaars en kunstorganisaties ondergaan en waar ze weinig zeggenschap over hebben.

V22 bestaat uit twee structuren: een profitstructuur en een stichting waarmee subsidies voor publieke programma’s aangevraagd kunnen worden. De naamloze vennootschap V22 biedt aandelen aan op de sociale aandelenbeurs ISDX-ICAP. [9]

V22

Aandeelhouders besturen mee binnen zo’n structuur op een gereguleerde en transparante wijze. Met de aandelen – het kleinste aandeel bedraagt 25 pond – financiert een artistiek comité een collectie. De kunstenaars worden betaald met aandelen zodat ongeveer 50 procent van de aandelen in handen van de kunstenaars is. De opbrengsten uit verkoop worden opnieuw geïnvesteerd in de vennootschap die vastgoed voor studioruimte verwerft, waarmee ook kunstproducties worden gefinancierd, en die op termijn dividend uitkeert aan de investeerders.

De aandeelhouders kunnen tijdelijk één of meerdere kunstwerken in huis of in het bedrijf hebben mits ze betalen voor verzekering, onderhoud en inspectie. De naamloze vennootschap V22 is ook eigenaar van een gebouw dat voor lage prijzen studio’s verhuurt aan kunstenaars en waarin de V22 stichting tentoonstellingen en educatieve programma’s organiseert. Momenteel beheert V22 meerdere gebouwen, waarvan een deel in eigendom en een deel in tijdelijk gebruik, waar meer dan 400 kunstenaars een atelier huren (Cranswick et al. 2014 en noot 8).

A Modest Proposal (in a Black Box), Vermeir & Heiremans (BE)

Bovenstaande cases zijn slechts enkele voorbeelden van structuren, financieringsmodellen en vormen van governance waarmee eerlijke en gelijkwaardige relaties worden opgezocht in de ecologie van de beeldende kunst. Ook kunstenaars dragen daaraan bij in de manier waarop ze zichzelf organiseren, maar ook in hun artistiek (speculatief) onderzoek.

Het project A Modest Proposal (in a Black Box) van de kunstenaars Vermeir & Heiremans is een voorbeeld van speculatief onderzoek hoe de financiering van publieke kunstcollecties, van museale infrastructuur en symbolisch kapitaal kan bijdragen aan zowel de investeerders als aan de kunstenaars, kunstwerkers en kleine kunstorganisaties die de kunst mogelijk maken.

Bij hun onderzoek worden juridische, financiële, vastgoed- en artistieke kennis met elkaar verbonden rond de centrale vraag of financiën een instrument kunnen zijn voor eerlijk en duurzaam samenleven. [10] Hoe kunnen kunstenaars beter gehonoreerd worden voor hun werk en hoe kunnen de opbrengsten uit de kunstmarkt beter terugvloeien naar de kunstenaars en naar het netwerk van kunstorganisaties eromheen, vormt daarbij de kernvraag.

De kloven die steeds groter worden in het ecosysteem van de beeldende kunst, en de instrumentalisering voor een top van verzamelaars/investeerders en enkele megagaleries en grote kunstinstituties die daarmee verbonden zijn, kunnen volgens Vermeir & Heiremans enkel gedicht worden door samenwerking (inclusief verkoop) te plaatsen in een systeem van eerlijke en wederkerige relaties.

Vermeir & Heiremans, A Modest Proposal (in a Black Box), Powerpoint slide (2018) Courtesy the artists A Modest Proposal is een financieel model dat museumbestuurders kan helpen bij het genereren van inkomsten, een heuse bron van liquiditeit afkomstig van de financialisering van hun openbare collecties, museumvastgoed, en hun symbolisch kapitaal. A Modest Proposal kan stromen van economische en sociale rijkdom, geproduceerd door uitwisseling, doen terugvloeien naar hun oorsprong – kunstenaars en kunstwerkers – om een toekomst met meer duurzame voorwaarden te creëren waarin kunst kan floreren als een ecologie van praktijken.

Literatuur

Noten

  1. Volgens Pascal Gielen bestaat de artistieke biotoop uit vier domeinen: de domestieke ruimte, de gemeenschappelijke ruimte, de marktruimte en de civiele ruimte (Gielen et al. 2014).
  2. Zie naast Sacco 2017 ook Van Doninck et al. 2019, waarin duidelijk wordt dat de finaliteit van het werk van kunstenaars in de eerste plaats gaat over het bereiken van maatschappelijke relevantie en artistieke kwaliteit.
  3. Zoals de in 2007 opgerichte Galerie Castillo Corrales, gesloten in 2015.
  4. www.independenthq.com en www.condocomplex.org
  5. caveat.be
  6. Handvest van BUP, de belangenbehartiger van Belgische promotiegaleries
  7. www.emergent.be
  8. www.v22collection.com
  9. ICAP-ISDX: ‘The new market segment on the ISDX stock market will be dedicated to Social Stock Exchange member companies which are accredited for positive social or environmental impact. The initiative will help to unlock access to capital for businesses of a variety of sizes. It will also create a secondary market segment for access to trade in these securities’.
  10. Solotentoonstelling door Vermeir & Heiremans in Pump House Gallery London, najaar 2018. Curator was Ned McConnell.

Dit artikel verscheen eerder in Boekman 122.

Je leest: Naar een wederkerig werken in de beeldende kunst