Een publiek-private lappendeken

In 2019 publiceerde Kunstenpunt de Landschapstekening Kunsten, een naslagwerk dat een overzicht geeft van recente ontwikkelingen in het Vlaamse professionele kunstenveld (Kunstenpunt 2019). De Landschapstekening is het resultaat van een interactief traject met de kunstensector, met als doel te peilen welke thema’s en veranderingen men als urgent beschouwt. Verschillende thema’s die naar voren kwamen, raakten direct aan het onderwerp van financiering van kunsten.

Zo werden kwesties aangekaart als eerlijke verloning van kunstenaars of de verdeling van overheidsmiddelen over disciplines of geografische regio’s. Ook financieringskwesties in verband met organisaties werden genoemd: bezorgdheid over de impact van de besparingen tijdens de voorbije legislatuur, de recente stimulansen voor het aanspreken van private middelen of het belang van verschillende soorten inkomstenbronnen in de werking van organisaties.

De financieringsmix van kunstenorganisaties

Organisaties met werkingssubsidies halen jaarlijks gemiddeld 37 procent van hun opbrengsten uit Kunstendecreet-subsidies, 20 procent uit andere soorten subsidies en 43 procent uit eigen opbrengsten.

De Vlaamse kunstensector is een veelzijdig ecosysteem met uitgebouwde deelsectoren en een fijnmazig netwerk van kleine, middelgrote en grote spelers. Die veelzijdigheid vertaalt zich in een variabele financieringsmix die steeds het resultaat is van een samenspel van verschillende factoren.

Onderzoek naar de financieringsmix van Vlaamse kunstenorganisaties handelt doorgaans over een specifieke groep waarover veel gegevens beschikbaar zijn, namelijk de organisaties die werkingssubsidies via het Kunstendecreet krijgen.
Het Kunstendecreet is het Vlaamse wettelijke kader dat de subsidiëring van de professionele kunsten regelt. [1]

Een belangrijk instrument zijn de werkingssubsidies. Die lopen voor de duur van vijf jaar en zijn bedoeld om de continue werking van een organisatie te ondersteunen. Kunstenpunt analyseerde de opbrengstenstructuur van organisaties met dergelijke werkingssubsidies (Janssens et al. 2018, 335-366). Daaruit blijkt dat deze jaarlijks gemiddeld 37 procent van hun opbrengsten uit Kunstendecreet-subsidies halen (wat naast werkingsmiddelen ook projectsubsidies kan omvatten), 20 procent uit andere soorten subsidies (toegekend door stedelijke, buitenlandse of andere overheden) en 43 procent uit eigen opbrengsten (bijvoorbeeld uitkoopsommen, ticketverkoop, coproducties of privéschenkingen).

Uiteraard zijn er binnen die groep van kunstenorganisaties onderlinge verschillen, die afhangen van factoren zoals de productiekosten, de aard van het artistieke werk, het publiek voor dit werk en de mogelijkheden om het te reproduceren (Van de Velde et al. 2013). Hoewel het onderzoek focust op de spelers met werkingssubsidies via het Kunstendecreet, zien we die mix van publieke en private middelen ook daarbuiten.

‘Koopkrachtdaling’ via subsidies

Tussen 2006 en 2017 steeg het gemiddelde subsidiebedrag per project, maar er werden jaarlijks veel minder projecten gehonoreerd.

Kunnen we uitspraken doen over evoluties met betrekking tot die verschillende elementen in de financieringsmix van kunstenorganisaties? Voor de subsidies binnen het Kunstendecreet is het Cijferboek kunsten (Janssens et al. 2018) een voorname bron.

We beginnen met de projectsubsidies: die zijn bedoeld om projecten van organisaties (of kunstenaars) te ondersteunen die afgebakend zijn in de tijd (maximaal drie jaar) en die een specifieke output voor ogen hebben. Het algemene beeld voor de periode tussen 2006 en 2017 is dat het gemiddelde subsidiebedrag per project steeg, maar dat er jaarlijks veel minder projecten werden gehonoreerd. [2]

Een van de mogelijke verklaringen voor de druk op deze middelen ligt bij het invoeren in 2016 van de optie tot meerjarige projectsubsidies (daarvoor was dat maximaal één jaar). Dit ging echter niet gepaard met een navenante verhoging van het totale budget van projectsubsidies. Meerjarige projecten worden in één keer uitgekeerd en legden in die jaren daardoor meer beslag op het budget per ronde.

Een andere factor is dat meerdere organisaties die in 2017 hun werkingssubsidies via het Kunstendecreet hadden verloren, zich aandienden voor projectsubsidies. Kijken we dan naar de projecten die in 2017 en 2018 effectief ondersteuning kregen, dan zien we bijna alleen dossiers die de hoogste categorie van artistieke beoordeling haalden. [3]

Bij de laatste projectenronde in 2019 vielen er voor de eerste keer zelfs dossiers uit de boot die in de hoogste categorie zaten. De drempel om als nieuw en experimenteel initiatief in te stromen in het gesubsidieerde kunstenveld werd daardoor hoog. Tegelijk treft deze evolutie een heel middenveld van organisaties en kunstenaars voor wie projectmatig werken geen tijdelijke fase is maar een permanente modus operandi.

Ook wat betreft werkingssubsidies via het Kunstendecreet nam de druk de afgelopen jaren toe. In 2010, onder toenmalig minister van Cultuur Joke Schauvliege (CD&V), werd een korting van 0,8 procent doorgevoerd. In 2011 werd nogmaals bespaard: 1,5 procent op de eerste schijf van 300.000 euro en 3 procent op de werkingssubsidies daarboven.Bij zijn aantreden in 2014 zag minister Sven Gatz (Open VLD) zich genoodzaakt tot een extra bezuiniging in het globale cultuurbudget. Dat resulteerde de daaropvolgende jaren in een besparing van 7,5 procent op de werkingssubsidies (ook de projectsubsidies werden hier overigens door getroffen).

In 2016, bij de beslissingen van de laatste ronde voor werkingssubsidies (2017-2021), wilde minister Gatz de druk op organisaties verminderen. Het totaalbudget voor werkingssubsidies steeg slechts licht: van ca. 83 miljoen euro in het laatste jaar van de vorige ronde naar ca. 85 miljoen euro in het eerste jaar van de nieuwe ronde. Bij die ronde werden bijgevolg minder organisaties gesubsidieerd, die gemiddeld wel meer middelen kregen (Kunstenpunt 2016). Zo werd het kunstenlandschap bij de toekenning van de werkingssubsidies 38 organisaties kleiner (elf nieuwe instromers tegenover 49 organisaties die hun subsidies verloren).

Na de eerdere besparingen zorgde dat opnieuw voor een lichte stijging van de gemiddelde subsidie-enveloppe. Er zijn echter aanwijzingen dat die stijging op korte termijn niet voldoende was om een gemiddelde koopkrachtdaling op langere termijn te compenseren. In een analyse van de evolutie van werkingssubsidies voor podiumkunstenorganisaties – waarover historische gegevensreeksen bestaan – werden de bedragen gecorrigeerd volgens de indexcijfers die de stijging van kosten voor levensonderhoud in België uitdrukken (Janssens 2016). De gecorrigeerde bedragen van werkingssubsidies voor podiumkunstenorganisaties lieten tussen 2001 en 2017 gemiddeld een daling van bijna de helft (-48 procent) zien. Hierin werd vooral de groep met de kleinste subsidie-enveloppes getroffen: hun koopkracht daalde met liefst 63 procent.

Impulsen voor private financiering

Om de druk op de publieke middelen te compenseren, zette minister Gatz volop in op cultureel ondernemerschap en aanvullende financiering. Tot de speerpunten van zijn beleid behoorden het stimuleren van crosssectorale samenwerkingen, het creëren van een optimaal fiscaal beleid om te investeren in cultuur en het oprichten van een ‘Cultuurbank’ – een netwerk van financieringspartners die samenwerken om financiële producten aan te bieden op maat van de cultuursector.

Een van de meest bediscussieerde initiatieven die in dit kader zijn ontwikkeld, is de uitbreiding van de Tax Shelter voor de audiovisuele sector (die al sinds 2003 bestaat) naar de podiumkunstensector (sinds 2017). Bedrijven die investeren in podiumkunstenorganisaties krijgen in ruil daarvoor belastingvrijstelling. In 2018 zorgde dit voor een financiële injectie van 8.250.000 euro, verdeeld over 57 projecten. In andere sectoren rees dan ook de vraag om de scope verder te verbreden.

Toch zijn er besognes. Door de zware administratie zou het instrument vooral bruikbaar zijn voor grotere spelers. Tegelijk leidde een aanpassing in de Belgische vennootschapsbelasting in 2018 tot onrust over de duurzaamheid van de Tax Shelter. Door deze aanpassing hadden bepaalde investeerders er veel minder fiscaal voordeel bij. Dat doet de vraag rijzen of er garanties zijn dat de opbrengsten via de Tax Shelter op termijn op niveau blijven en dat men er met voldoende zekerheid op kan bouwen (Hillaert et al. 2018a; 2018b).

Op het vlak van private middelen voor kunsten zijn nog andere tendensen te bespeuren. Zo ging de Vlaamse podiumkunstensector actief op zoek naar productiemiddelen in het buitenland. De afgelopen twee decennia is het aantal buitenlandse coproductiepartners (zoals festivals of kunstencentra) meer dan verviervoudigd. Dat ging gepaard met een groei in het aantal buitenlandse opvoeringen (Janssens et al. 2018, 58–68).

Ook in andere disciplines dan de podiumkunsten is een zoektocht naar eigen middelen die via internationale wegen loopt te zien. Rapporten over de spreiding van concerten van Belgische muziekartiesten en klassieke ensembles (Janssens et al. 2018, 71–88 en 241–252) wezen uit dat het buitenland voor hen eveneens een belangrijke bron van inkomsten vormt.

Precaire balans

De laatste jaren werden er minder dossiers voor werkings- en projectsubsidies via het Kunstendecreet gehonoreerd. En hoewel de gemiddelde bedragen per gehonoreerd dossier wel toenamen, zien we dat deze niet in tred zijn met de stijging van de kosten van levensonderhoud. Mede omdat de grote instellingen werden ontzien bij de bezuinigingen tijdens de voorbije beleidsperiode, is vooral voor kleinere en nieuwe spelers de druk op publieke middelen pertinent.

Publieke en private middelen blijken bij de financiering van kunstenorganisaties uit Vlaanderen en Brussel dus vervlochten. Bij organisaties met werkingssubsidies maken de publieke middelen via het Kunstendecreet gemiddeld een derde van de opbrengsten uit. Die werken als een hefboom voor het vergaren van de andere tweederde aan opbrengsten – zowel private middelen als andere soorten subsidies. Projectsubsidies zijn een van de vele bronnen van financiering die kleinere en middelgrote organisaties aanwenden om hun veelal projectmatige werking mogelijk te maken.

De herkomst van middelen beperkt zich overigens niet tot Vlaanderen en Brussel: ook daarbuiten worden inkomsten gegenereerd, bijvoorbeeld via internationale coproducties en speelreeksen of buitenlandse subsidies. De recente overheidsmaatregelen om private financiering aan te zwengelen kunnen daarom worden beschouwd als een verlengde van hoe de Vlaamse kunstensector al lang te werk gaat.

De soms precaire balans tussen publieke en private middelen kent risico’s. De laatste jaren werden er minder dossiers voor werkings- en projectsubsidies via het Kunstendecreet gehonoreerd. En hoewel de gemiddelde bedragen per gehonoreerd dossier wel toenamen, zien we dat deze niet in tred zijn met de stijging van de kosten van levensonderhoud. Mede omdat de grote instellingen werden ontzien bij de bezuinigingen tijdens de voorbije beleidsperiode, is vooral voor kleinere en nieuwe spelers de druk op publieke middelen pertinent. De koopkrachtdaling treft hen meer dan grotere structuren en de toegangsdrempel tot projectmiddelen is zeer hoog geworden.

Ook over de duurzaamheid van de Belgische Tax Shelter rezen vragen. Bovendien zijn het vooral grotere spelers die van deze maatregel voor aanvullende financiering gebruik kunnen maken. Daarnaast zijn er internationale politieke ontwikkelingen (denk aan de brexit) die mogelijk een impact hebben op de internationale dimensie van de opbrengstenstructuren van Vlaamse kunstenorganisaties.

In het Regeerakkoord 2019–2024, dat de basis vormt voor het beleid van de nieuwe Vlaamse regering, wordt gesproken over het verder stimuleren van ondernemerschap in de cultuursector, over ‘selectiever kiezen’ in het toekennen van projectmiddelen, over impulsen voor internationalisering en over de keuze om de grote instellingen te versterken (Vlaamse Regering 2019, 170–174). Liggen daar oplossingen om de druk op de kunstenorganisaties te verlichten, of zal dit de bestaande trends juist nog versterken? De toekomst zal het uitwijzen.

Literatuur

Hillaert, W. en J. Hoornaert (2018a), ‘Tax shelter 1: na het succes de dip?’ In: Rekto:Verso, 10 oktober.

Hillaert, W. en J. Hoornaert (2018b), ‘Tax shelter 2: het sop en de kolen’. In: Rekto:Verso, 10 oktober 2018.

Janssens, J. (2016), ‘Het ecosysteem van de podiumkunsten, na de beslissingen’. In: Rekto:Verso, juli.

Janssens, J., S. Leenknegt en T. Ruette (red.) (2018), Cijferboek kunsten 2018. Brussel: Kunstenpunt.

Kunstenpunt (2016), Overzicht beslissingen Kunstendecreet 2017-2021.

Kunstenpunt (red.) (2019), Landschapstekening kunsten: ontwikkelingsperspectieven voor de kunsten anno 2019. Brussel: Kunstenpunt.

Van de Velde, W., D. Hesters en B. Van Looy (2013), ‘Kunstenorganisaties op zoek naar inkomsten: welke businessmodellen zijn haalbaar?’ In: Kunstzaken: financiële en zakelijke modellen voor de kunsten in Vlaanderen.

Vlaamse Regering (2019), Regeerakkoord 2019-2024. Brussel: Vlaamse Regering.

Noten

1 Dit gaat over podiumkunsten, beeldende kunsten, muziek, architectuur, vormgeving en transdisciplinaire kunstpraktijken. Voor de ondersteuning van literatuur en audiovisuele kunsten zijn er aparte fondsen, respectievelijk Literatuur Vlaanderen en het Vlaams Audiovisueel Fonds.

2 In 2006 werd 52 procent van de aanvragen gehonoreerd, in 2016 amper 26 procent.

3 Aanvraagdossiers voor project- en werkingssubsidies in het Kunstendecreet worden beoordeeld door commissies die samengesteld zijn uit mensen uit de professionele kunstensector zelf. De Vlaamse minister van Cultuur heeft het laatste woord in de effectieve toekenning van middelen, maar volgt daarbij doorgaans de beoordelingen van de commissies.

Dit artikel werd geschreven door Joris Janssens, Simon Leenknegt en Jonas Rutgeerts en verscheen eerder in Boekman 121.

J.J.

Joris Janssens

S.L.

Simon Leenknegt

Je leest: Een publiek-private lappendeken