Meerstemmigheid in de kunsten: taal
Wil je meerstemmigheid binnen de kunsten versterken? Dan is het essentieel om de mechanismen van uitsluiting te begrijpen en te zien hoe ze op elkaar inwerken – dit wordt ook wel kruispuntdenken of intersectionaliteit genoemd.
Via het dossier meerstemmigheid brengt Kunstenpunt deze uitsluitingsmechanismen in kaart, en verkennen we hoe we deze kunnen doorbreken aan de hand van verschillende identiteitsassen.
Dirk De Wit onderzocht de rol van taal bij het nastreven van meerstemmigheid in de kunstensector.
Taal is een complex en gestructureerd communicatiesysteem van klanken, tekens, gebaren en schrift dat mensen gebruiken om gedachten en gevoelens uit te wisselen, betekenis te geven, en kennis te delen. Het is verweven met cultuur en beïnvloedt hoe mensen zichzelf en de wereld betekenis geven. Taal wordt van generatie op generatie doorgegeven en schept mede het gevoel van ‘erbij horen’. In een meertalige samenleving is het een bron van rijkdom, maar ook van maatschappelijke uitdagingen.
Taal werpt immers ook drempels op: hoe taalvaardig ben je, beheers je de officiële taal, spreek je meerdere talen en wordt jouw taal en taalgebruik gediscrimineerd? Ook gehoor-, gezichts- en spraakhandicap en neurodiversiteit beïnvloeden het taalgebruik.
Hoe kunnen we meer openheid scheppen voor de rijkdom van talen in de kunsten en in de samenleving? Deze tekst onderzoekt meertaligheid als bron van meerstemmigheid, en wat dit verhindert – zoals de dominantie van de officiële talen en wereldtalen als het Engels, de alomtegenwoordigheid van zogenaamde ‘art speak’ en de loskoppeling van taal en gemeenschap.
Dit artikel gaat over gesproken taal (via het gehoor: spreken, luisteren), geschreven taal (via het oog: lezen, schrijven) en gebarentaal (via visuele, gebarende tekens). De tekst is onder andere gebaseerd op een interview met choreograaf en theatermaker Ahilan Ratnamohan, en met Fatima-Zohra Ait El Maâti, die tot 2025 verbonden was aan het Kaaitheater als stadscurator.
Moedertaal, officiële taal, aangeleerde taal, meertaligheid
In onze superdiverse samenleving gaat er veel aandacht naar het statuut van talen (officiële taal, omgangstaal, moedertaal, dialect, wereldtaal), het leren van talen en het taalgebruik.
Elk land of regio heeft één of meerdere officiële talen: het is de taal van onder anderen de publieke diensten, het onderwijs, de media en het openbare leven. De officiële taal of talen hebben een ander statuut dan de andere talen die er gebruikt worden. In de meeste westerse landen is de beheersing van de officiële taal vereist om aanspraak te mogen maken op het staatsburgerschap of voor toegang tot sociale voordelen. Sinds 2023 moet een sociaal huurder in Vlaanderen bijvoorbeeld over het mondelinge taalkennis niveau A2 – van het Europees Referentiekader voor Moderne Talen – beschikken.
Moedertaal is een taal die je verwerft tijdens het opgroeien. Die taal is nauw verbonden met culturele socialisatie, familiale context en ‘etniciteit’. Het is ook mogelijk om meerdere moedertalen te hebben. Het zijn talen die van generatie op generatie worden doorgegeven, waarmee je socialiseert en waarin je je comfortabel voelt en je je die toe-eigent – en er een stuk van jezelf in legt. Het kan de taal of talen zijn die je thuis leert of de taal die je als kind op school leert. Onderzoek wijst uit dat kinderen twee talen (of meer) spontaan opnemen, die door elkaar gebruiken en die van elkaar leren onderscheiden.
Voor sommigen valt moedertaal samen met de officiële taal. Voor een groeiende groep bewoners met een migratieachtergrond van binnen of buiten Europa is de thuistaal verschillend van de officiële taal – dat geldt dus ook voor sprekers van minderheidstalen als Bretoens of Samisch.
Taal schept ook een gevoel van gemeenschap; dat kan een land of regio zijn waar een taal gebruikt wordt, de gebruikers van een taal in verschillende landen, de bewoners van een stad of regio die een dialect spreken dat mondeling wordt doorgegeven, of een sociale groep die zich door taalgebruik en nieuwe woorden onderscheidt – en soms afschermt (geheimtaal) – zoals jongeren, meertaligen die talen mixen maar ook kunstprofessionals die nieuwe woorden en concepten gebruiken.
Een wereldtaal is een taal die in grote delen van de wereld als communicatiemiddel wordt gebruikt, ver buiten het eigenlijke taalgebied, vaak met een groot aantal sprekers (vaak als tweede of derde taal) en een officiële status in internationale organisaties. Het gaat voornamelijk om Engels, Spaans, Mandarijn, Hindi, Arabisch en Frans.
Talen leren
Mensen leren talen vanuit verschillende motieven: toegang tot onderwijs, opleiding en tewerkstelling, familie, deel zijn van een gemeenschap, interesse in andere talen en culturen, of het integratiebeleid van het land waar ze aankomen. Taalverwerving kan zowel formeel (leerplichtonderwijs of taalonderwijs) als via zelfstudie.
In het leerplichtonderwijs wordt nog sterk vastgehouden aan een eentalig kader – waarbij gebruik van andere talen dan de officiële taal wordt verboden of ontmoedigd – terwijl onderzoek uitwijst dat het gelijktijdig leren van twee of meer talen resulteert in een rijkere taalvaardigheid en kennis. Het is ook bewezen dat intensief onderwijs in een andere taal (wiskunde in het Frans bijvoorbeeld) geen negatief effect heeft op beheersing van de moedertaal. Verder toont onderzoek aan dat het waarderen van de moedertaal(en) bijdraagt aan een gevoel van waardering en zelfvertrouwen. Wanneer de onderwijstaal verschilt van de thuistaal is het bevorderlijk als er in het gezin voldoende tijd is om met taal bezig te zijn, en de ouders de onderwijstaal voldoende beheersen om hun kinderen bij te staan bij huiswerk en oudercontact.
Ondanks de toename van meertaligheid in de meeste westerse landen wordt de officiële taal als norm beschouwd en meertaligheid, zeker in een onderwijscontext, geproblematiseerd. In een opiniestuk voor De Standaard, schrijft Charlotte Zwemmer, directrice van een middelbare school in Anderlecht dat het woord ‘meertaligheid’ geen enkele keer voorkomt in de beleidsnota van de minister van Onderwijs, Zuhal Demir (N-VA). “Het gaat alleen in negatieve zin over ‘anderstalige’ kinderen, leerlingen en nieuwkomers van wie het taalniveau ontoereikend is. Dat is jammer, want negen jaar geleden schreef de Vlaamse Onderwijsraad (Vlor) al in een pleidooi om ‘meertaligheid een volwaardige, verrijkende plaats te geven in de klas en op school’ en om ‘positief aan de slag te gaan met de dynamische meertalige identiteit en competenties van leerlingen’”, stipt Zwemmer aan.
Het leren van talen in het leerplichtonderwijs gaat vooral in één richting: leren van de officiële taal – de taal van de meerderheid – en van (westerse) wereldtalen zoals Frans, Engels en Spaans. Het leren van andere talen, die thuis gesproken worden, wordt beschouwd als behorend tot de privésfeer. Toch is aandacht voor een verscheidenheid aan talen belangrijk voor het zelfvertrouwen van jongeren en voor hun algemene ontwikkeling, en om de rijkdom van talen en betekenissen te delen in de samenleving.
Ik heb ooit een miniversie van een project gedaan op een school hier in Antwerpen. Er was maar één leerling in de klas die thuis Nederlands sprak. In die workshop heb ik alle studenten aangemoedigd om woorden uit hun moedertaal bij te dragen. We gingen een nieuwe taal creëren gebaseerd op die woorden. Je zag de vreugde in de gezichten van de kinderen wanneer zij woorden uit hun moedertaal konden voorstellen. Dat was zo bijzonder. En ik weet waarom: omdat er erkenning was, ‘jouw moedertaal krijgt hier ook ruimte’. Dus ja, je zou wel tot zo’n model kunnen schuiven.
- Gesprek met Ahilan Ratnamohan
In Finland kunnen kinderen met een migratieachtergrond hun thuistaal ook op school leren. De overheid biedt dit aan voor de talen van de meest voorkomende herkomstlanden: Estland, Rusland, China, Somalië, Irak en Zweden. In de Franstalige Brusselse basisschool Tutti Frutti spreekt men Duits, Engels, Arabisch, Chinees, Spaans, Fins, Frans, Italiaans, Nederlands, Russisch en Zweeds. Tutti Frutti biedt meerdere taalleermogelijkheden aan voor kinderen, zoals stages, taalworkshops, privélessen en buitenschoolse lessen. De school maakt leerlingen vertrouwd met talen door middel van verschillende creatieve activiteiten.
Het is ons niet gelukt om de krachten van de moedertalen naar waarde te schatten. In onze superdiverse samenlevingen wordt moedertaal nog steeds beperkt tot thuis en de familiale omgeving. Nu vind ik het zelf noodzakelijk om Nederlands te leren in Vlaanderen, maar waarom kunnen jongeren die thuis Arabisch spreken die taal niet verder leren dan enkel het niveau van het huishoudelijke en emotionele? Hoeveel kracht en potentieel zit er in die mensen als ze hun moedertaal ook zouden kunnen ontwikkelen, en dat dit gewaardeerd wordt op school en in de maatschappij? Er zou een uur op school kunnen zijn waarin het kind dat thuis Tamil spreekt, zijn Tamil oefent. Maar de West-Vlaming die naar Antwerpen is gemigreerd, zou dan ook een uur krijgen om West-Vlaams te oefenen. Het zou dus niet alleen gericht zijn op mensen met een migratieachtergrond, maar ieders talig erfgoed verrijken.
- Gesprek met Ahilan Ratnamohan
Ook als volwassene kan iedereen talen leren mits een correcte pedagogische omkadering en de juiste omstandigheden. Naast taallessen volgen is er vooral praktijk nodig en dat betekent oefenen, fouten maken en vooral spelen met taal. Volwassenen leren trager omdat ze niet durven oefenen uit angst om fouten te maken, en omdat de omgeving daar moeilijker mee omspringt dan met kinderen.
Ahilan Ratnamohan leert de talen waar hij woont en werkt door zelfstudie: met handboeken, door veel te lezen en te praten, en door te leren van fouten. In teksten en voorstellingen omarmt hij de speelse omgang met taal en betekenis. De theatervoorstelling “Alle woorden die ik nog niet kende” is een voorbeeld van iemand die een taal leert via zelfstudie. Het is een tekst die hij tijdens de coronacrisis schreef aan de hand van 840 onbekende woorden in het Nederlands die hij oppikte uit artikelen. Hoewel hij de exacte betekenis niet altijd kende, gaf hij zichzelf de taak om ze allemaal te gebruiken. “De tekst wordt overrompeld door de taak, de zinnen verliezen hun oorspronkelijke betekenis, maar je m’en fous of het grammaticaal klopt!”
Bij het leren van talen speelt ook socialiseren een rol: behoren tot een gemeenschap. Zijn we als gemeenschap open voor mensen die onze taal leren, speels omgaan met grammatica of fouten maken? Is er ruimte om stil te staan bij spreekwoorden en misverstanden? Is er ruimte om iets eerst in een andere taal te zeggen, en het dan te vertalen en te duiden? Horen ze erbij? Een anekdote van Ratnamohan illustreert dit gegeven: “Toen ik als prof ging voetballen in Duitsland woonde ik in een klein dorp van duizend mensen, dus het ging heel snel vooruit met Duits. Ik werkte ook even in een bejaardentehuis en maakte snel vrienden. Ik heb op mijn manier Duits geleerd door veel te praten, ook al beoordelen mensen je vaak als je een taal al lerend gebrekkig spreekt. Ik was 21 toen ik Duits leerde in Duitsland, ik werd behandeld als een zesjarige.”
Het is duidelijk: talen zijn een bron van rijkdom, maar het is een uitdaging om in onze superdiverse samenleving iedereen op gelijkwaardige wijze toegang te geven tot de taal als een vorm van zingeving, identiteitsvorming, verbondenheid en ontdekking. Hoe kan kunst bijdragen aan het leren en gebruiken van talen en aan het maatschappelijk debat rond taal in onze meertalige realiteit? Hoe gaan we in de kunsten om met de drempels en de kansen rond taal?
Atlas, een organisatie die werkt rond integratie en inburgering, organiseert ontmoetingen met buren voor inburgeraars die de cursus maatschappelijke oriëntatie volgen, onder de noemer “Stadsklap”. Ze oefenen Nederlands en leren over elkaars kijk op de dingen met een open blik en respect voor elkaar. Fameus, huis voor amateurkunsten, heeft een samenwerking met Atlas om nieuwkomers taaloefenkansen te bieden en hun netwerk te vergroten door deel te nemen aan culturele en artistieke activiteiten.
Kunstorganisatie Globe Aroma bezoekt met ART FOR ALL elke maand in groep concerten, dans- en theatervoorstellingen, films of expo’s – waarna nagepraat wordt met een drankje. De maandelijkse programma’s worden samengesteld door geïnteresseerden en de activiteiten worden voorgesteld en toegelicht tijdens ART FOR ALL SALON.
Die socialisering via taal gebeurt ook omgekeerd. Mensen met een migratieachtergrond die opgroeien met de officiële taal ontdekken pas later de taal en cultuur van hun (voor)ouders. Ook daar vormt gemeenschap en cultuur een essentiële factor.
Talen kan je nu niet meer vastpinnen op één land omwille van decennia migratie. Waar ben je gesocialiseerd en ook in welke taal? Japanse migranten in Brazilië spreken bijvoorbeeld thuis Japans en buitenshuis Portugees dat daar door kolonisering geïmporteerd werd. Talen veranderen ook razendsnel omdat ze zich ontwikkelen door migratie in verschillende landen waar nieuwe woorden, uitdrukkingen en mengvormen ontstaan. Er ontstaan ook dialecten door mensen met een migratieachtergrond en jongeren waarmee ze onderling socialiseren én zich van de anderen onderscheiden.
Meertaligheid in de kunsten
De meertalige realiteit speelt ook in de kunsten. Kunnen kunstenaars ook werk maken in hun moedertaal, of spelen met de diverse talen waarin ze opgroeien en werken – ook als dat geen officiële landstaal is? Houden kunstenaars rekening met de meertalige realiteit van potentiële bezoekers? Werken kunstenaars rond discriminatie op basis van taal?
De populaire muziek maakt veelvuldig gebruik van die meertalige realiteit en vindt er haar inspiratie in: van dialect over het mengen van talen tot de nieuwe woorden en zinsconstructies die jongeren en nieuwkomers hanteren.
Kunstenaars werken met het taalgebruik van verschillende generaties met een migratieachtergrond. De voorstelling van de Syrische makers Remi Sarmini en Samar Kokach “Quand tu me fuis”, over een moeder die enkel Arabisch spreekt en haar zoon die Arabisch en Frans spreekt, is gemaakt in het Frans en Arabisch. De Arabische passages worden bewust niet vertaald, wat confronterend is voor publiek dat geen Arabisch spreekt.
De ouders van Ahilan Ratnamohan die migreerden uit Sri Lanka hebben hun taal nooit echt aan hem doorgegeven. Pas sinds kort is hij begonnen met het leren van Tamil, door middel van online gesprekken met zijn 71-jarige moeder en met de hulp van leden van de Tamil-diaspora. Wat vertelt onze moedertaal ons over de wereld? Welke deuren opent onze eerste taal voor ons? Kunnen die later nog worden geopend? “The Tamilization of Ahilan Ratnamohan” is een verhaal van een zoon en een moeder. Een persoonlijk verhaal over herinnering, verlies, talige fascinatie, identiteit en diaspora. Ahilan speelt de voorstelling volledig in het Tamil. Zijn moeder – naast hem op het podium – is zijn taalleerkracht die hem verbetert, souffleert en de Engelse/Nederlandse boventiteling bedient. Op die manier traceert Ahilan de wortels van zijn taalverlies.
Kunstenaars werken ook rond taal en discriminatie. De Palestijnse danseres en maakster Marah Haj Hussein werkt in haar performance “Language: no broblem” met fragmenten van interviews met familieleden over hun relatie tot hun moedertaal – Palestijns Arabisch – en hun relatie tot de officiële taal van het land waar ze wonen – het Hebreeuws, waarbij ze aandacht heeft voor de evolutie van een taal binnen sociale en politieke omstandigheden. Zo geeft de voorstelling een stem aan het Palestijns Arabisch, alsook aan het Hebreeuws, Nederlands en Engels, om door persoonlijke verhalen de rol van taal bij het vormen van onze kennis over grenzen en ontheemding te onderzoeken.
Sommige kunstenaars zijn ook kritisch over de inzet van computers en artificiële intelligentie (AI) in de samenleving en in kunst – en dus op hoe AI taal aanwendt. Het kunstenaarsduo Effi & Amir analyseert in de film “By The Throat” de inzet van taal- en accentherkenningssoftware bij de toegang tot een land of bij asielaanvragen: met behulp van een ‘shibboleth’-maatstaf toetsen machines de conformiteit van accenten. De werking ervan berust op de herhaling van een woord of een klank waarvan de uitspraak verondersteld wordt moeilijk te zijn voor sprekers die niet behoren tot de taalgemeenschap waarop de ‘shibboleth’ is afgestemd. Machines sluiten daardoor bijvoorbeeld mensen uit die door een meertalige context andere accenten ontwikkelen.
Hoe werken kunstenaars en kunstorganisaties met talen om diverse publieken toegang te geven tot kunst?
Taal is verbonden met klasse en cultureel kapitaal. Kunstorganisaties beseffen dat ze zich in hoofdzaak richten op mensen uit de midden- en hogere klasse die gewoon zijn aan complexe en abstracte taal. Daarom wordt zo veel als mogelijk gebruikgemaakt van heldere taal.
Organisaties gebruiken eenvoudige taal voor mensen die moeite hebben met lezen, anderstaligen die Nederlands leren, mensen met bepaalde leermoeilijkheden of mensen met een mentale beperking. In eenvoudige taal wordt de boodschap gereduceerd tot de meest essentiële informatie. Woorden zijn kort en eenvoudig, zonder jargon of abstracte woorden (niet openbaar vervoer, maar trein of bus). Beeldspraak wordt vermeden. Er wordt voorkeur gegeven aan korte zinnen met één gedachte per zin en eenvoudige zinsstructuren met weinig onderschikkingen. De boodschap wordt meestal ondersteund met afbeeldingen. Er is veel witruimte, de vormgeving is sober en de lettertypes groot.
Eenvoudige taal kan weerstand oproepen bij mensen die geen problemen hebben met lezen, omdat ze die als te simpel ervaren. In bepaalde gevallen kan het dus noodzakelijk zijn om twee versies te maken: een heldere maar genuanceerde versie, die bruikbaar is voor een breed publiek, en een vereenvoudigde versie, die bruikbaar is voor mensen met lage taalvaardigheden. Je moet er dan wel voor zorgen dat de juiste versie bij de juiste doelgroep terechtkomt. Je hebt dus niet alleen twee tekstversies nodig, maar ook twee communicatieplannen, waarin je bepaalt via welke kanalen je de verschillende doelgroepen zult proberen te bereiken.
In sommige gevallen heeft iedereen baat bij een tekst in eenvoudige taal, met korte zinnen en afbeeldingen. Bij meer complexe tekstsoorten is eenvoudige taal niet altijd voor iedereen geschikt.
Eenvoudige taal gebruiken is overigens maar een van de mogelijke strategieën om informatie toegankelijk te maken voor mensen met lage taalvaardigheden. Je kunt zulke doelgroepen ook helpen door hen persoonlijk contact en ondersteuning aan te bieden, bijvoorbeeld aan een loket of via de telefoon.
Kunstorganisaties in steden communiceren meestal in twee (Nederlands, Engels) of drie (Nederlands, Frans, Engels) talen. In kleinere steden, die cultureel even divers worden als de grote steden, verloopt dat proces trager.
Theaterhuizen werken met boventiteling. Voor boventiteling bij theatervoorstellingen zijn er heel wat uitdagingen. Het betekent immers een grote kost voor theaterhuizen of voor theatergezelschappen die deze vertalingen aanbieden. Daarnaast is vertalen, en dus ook ‘niet-vertalen’, een kwestie van perspectief. Wat voor de ene onvertaald is, is voor de andere herkenbare taal. De aan- of afwezige vertaling kan een indicator zijn van aannames over de toeschouwer.
Als de voorstelling niet-Nederlandstalige teksten bevat, worden die via boventitels vertaald naar het Nederlands. Theaters in grotere steden met een meertalig publiek zullen een Nederlandstalige voorstelling voorzien van Engelse boventitels en in Brussel van Engelse en Franse boventitels. Een voorstelling in een andere taal dan Nederlands, Frans of Engels wordt vertaald met boventitels in het Nederlands. In grote steden gebeurt dat in twee (Nederlands en Engels) of drie talen. Het komt uitzonderlijk voor dat een voorstelling ook wordt vertaald naar een andere taal dan Nederlands, Frans of Engels en dat hangt af van het doelpubliek.
Vertalen is een expertise op zich. Zo is aandacht voor de context heel belangrijk, en een diepe kennis van de brontaal en de doeltaal. Wie is het publiek? Wat is de toon van het oorspronkelijke bericht? Dit betekent niet alleen woordenschat kennen, maar ook idiomen, spreekwoorden en culturele nuances begrijpen. Lokale expertise kan een wereld van verschil maken bij vertalen en communiceren in een andere taal: de kennis van cultuur, gewoontes en gevoeligheden. Hiermee wordt meteen duidelijk dat vertalingen en tekst naar spraak via AI steeds gecontroleerd moeten worden.
Kunstorganisaties richten zich expliciet op potentiële deelnemers uit diverse culturen en taalgemeenschappen. Samen met andere drempelverlagende inspanningen schept hen aanspreken in hun taal een bijzondere band.
Hoe doe je dat zonder mensen in hokjes op te delen?
Kaaitheater experimenteerde met de talen van de artiesten maar ook van hun publieken: “We hebben een meertalig programma dat organisch komt uit de context waarin we leven, en we laten artiesten toe om zich uit te drukken in de taal die zij verkiezen. In plaats van last minute een flyer of post te maken voor publieken die we willen aantrekken en die een meer letterlijke vertaling en afbeelding nodig hebben van een voorstelling, zijn we geïntegreerd gaan werken met talen en media. We maken verschillende teksten en beelden als vertaling op posters en we zijn bijvoorbeeld met een WhatsApp groep begonnen met ouders uit de buurt, waarop ik een foto postte van mezelf – mensen herkennen me van de babbels op straat – met audioberichten in een mengelmoes van Frans, Nederlands, Engels en Arabisch. We zorgen steeds dat de voorstellingen vertaald worden met Google Translate.”
“We zijn op onze hoede om enerzijds te werken met de publieken die Engels, Nederlands en Frans lezen, en de potentiële bezoekers met andere talen, die men gericht gaat werven op basis van hun interesses die wij als kunsthuis veronderstellen. Het kan leiden tot een opdeling in de programmatie met de grote K, en de socioculturele of thematische programma’s rond bijvoorbeeld dekolonisatie en racisme. We zijn tegen deze opdeling ingegaan op basis van ‘the freedom not to understand’, en het recht om in een andere wereld terecht te komen en iets anders mee te maken dan de eigen realiteit. Kunstinstellingen gaan dikwijls met clichés naar jeugd, scholen en buurten en ontnemen hen zo de mogelijkheid om in een andere wereld te treden die ze nog niet kennen? Laten we ons programma niet meer onderverdelen in categorieën, en doelgroepen met daaraan verbonden taalveronderstellingen en thema’s. Daarom zijn we gaan werken met, hoe zal ik het noemen, bijna een hybride taal. Hoe krijg je mensen mee van het ene naar het andere en maak je het voor mensen duidelijk dat ze ook recht hebben op die kunst met een grote K.
Naast de aandacht voor de diverse talen onder publieken, werken huizen ook met de diverse contexten die talen met zich meebrengen. Kaaitheater experimenteerde met communitytolken naast, of in plaats van boventitels of vertaalprogramma’s. Communitytolken zijn mensen uit de gemeenschap, in dit geval de deelnemers aan een voorstelling of een bezoek aan een tentoonstelling, die vrijwillig – en soms spontaan – vertalen voor andere deelnemers.
“We hebben niet alleen geëxperimenteerd met hybride taalgebruik in onze communicatie maar ook tijdens activiteiten. Om op die manier ook de rijkdom van taal als emotionele, identitaire en culturele ruimte mee te nemen. Taal is zoveel meer dan ‘je begrijpt het of je begrijpt het niet’. Sommige mensen spreken perfect Frans, Nederlands en Engels naast andere talen, en wij kunnen minder gehoorde stemmen meekrijgen naar en in kunst op een heel natuurlijke en empathische wijze. We hebben getest met communitytolken die hele leefwerelden kunnen vertalen door één simpele opmerking waar niemand anders aan had gedacht. De hele context rondom taal is soms veel belangrijker dan enkel het vertalen”, licht Fatima-Zohra Ait El Maâti toe. “Er is gewoon zo’n groot gebrek aan institutionele ruimte voor mensen die in hun moedertaal over veel meer willen spreken dan dekolonisatie, migratie en al die conflicten.”
Kunstorganisaties maken ook programma’s op maat van bewoners met andere moedertalen dan Nederlands of wereldtalen. Met “De wonderen van meertaligheid” organiseerde Kaaitheater en Passa Porta in 2022 en 2023 een reeks ontmoetingen die een licht werpen op de menselijke, culturele en politieke complexiteit van meertaligheid. Zou een wereld waarin alles vertaald wordt een ideale wereld zijn? In welke talen iets wordt gemaakt, vertaald en gecommuniceerd heeft niet altijd alleen maar artistieke redenen. Vaak spelen ook (cultuur)politieke en economische motieven een rol. Steeds vaker zien we hoe er binnen het culturele veld creatiever en soepeler wordt omgegaan met vertalen – hoe letterlijk, hoe volledig en hoe… talig is de meertalige culturele omgeving? Krijgen we wel alles mee als alles netjes is vertaald? En hoe denken we over toegankelijkheid als we afstappen van het ideaal om alles te vertalen?
Er ontstaan ook specifieke platformen met aandacht voor meertaligheid. Het collectief Skin Mutts werkt heel specifiek rond identiteit en identiteitsvorming. Het is een tijdschrift, een ontmoetingsruimte en een programma met activiteiten en workshops om mensen van gemengde afkomst, diaspora-mensen, tweede generatie immigranten en derde cultuurkinderen dat gevoel van verbondenheid, gemeenschapszin en thuisgevoel te bieden ondanks hun verschillende achtergronden. Ze programmeren niet meertalig omdat het zo moet of omdat ze zoveel mogelijk mensen willen samen krijgen, maar het ontstaat organisch uit de context waarin we leven. “We geven een nieuwe invulling aan gesprekken over culturele identiteit door ruimte te creëren voor gemeenschappen van mensen die zijn opgegroeid met meerdere culturen en tot verschillende etnische groepen behoren, en die hun culturele identiteit willen verkennen”, stelt het collectief.
Lingua franca, en de machtsverhoudingen tussen talen
Tijdens een internationale online activiteit van Kunstenpunt over ‘kunst in tijden van crisis’ die doorging in het Engels, vroeg één van de sprekers tijdens het gesprek om de camera uit te zetten als Engels niet je moedertaal is. Eén camera bleef aan. De 25 camera’s die uitgingen stonden voor zeven andere talen die deelnemers beschouwden als hun moedertalen: Nederlands, Frans, Spaans, Arabisch, Swahili, Zwitsers-Duits en Duits.
De spreker lichtte de oefening kort toe: “Het is belangrijk dat je weet hoeveel moeite alle anderen doen om dit gesprek voor jou, en ook voor ons, mogelijk te maken. Het is niet de bedoeling om ongemak te veroorzaken. Het is alleen bedoeld om bewustzijn te creëren.” Het is een oefening om bewust te worden van privileges in een groep en wie extra inspanningen moet leveren.
Het is een evidentie geworden om taalverschillen in een meertalig internationaal gezelschap te overbruggen door gebruik te maken van een wereldtaal. Dat zijn talen die op grote schaal worden gebruikt als internationaal communicatiemiddel voor handel, wetenschap, toerisme en diplomatie, ver buiten de oorspronkelijke geografische grenzen, zoals Engels, maar ook Spaans, Mandarijn, Russisch, Duits, Frans en Arabisch. Voor sommigen zijn deze talen de eerste taal, voor anderen de tweede of derde taal.
De verengelsing valt op in diverse Vlaamse sectoren: steeds meer ondernemingen werken in het Engels, er worden Engelstalige bacheloropleidingen ingericht, 97% van alle doctoraten aan Vlaamse universiteiten verschijnt in het Engels, en ook jongeren gebruiken meer en meer Engels in hun fysieke en digitale omgang met elkaar.
Kunstenaars zijn vandaag mobiel en buitenlandse kunstenaars in een stad als Brussel kunnen bijna overal terecht in het Engels of Frans, waardoor ze minder geneigd zijn om Nederlands te leren. Dat geldt ook voor kunstenaars en professionals uit Vlaanderen die zich vestigen in internationale kunststeden of er tijdelijk verblijven. Engels is de voertaal van internationale netwerken en voor promotie en spreiding van kunst.
Wat winnen we met deze ‘verengelsing’ in de kunsten – en in de samenleving, welke drempels ontstaan er en wat verliezen we hiermee?
Taal en (inter)nationale machtsverhoudingen
Wereldtalen danken hun verspreiding vaak aan koloniale en economische machtsverhoudingen. In veel gevallen is de taal van de kolonisator of bezetter ook na onafhankelijkheid de officiële taal, terwijl dat voor de meeste inwoners niet hun moedertaal is. In Congo is Frans bijvoorbeeld nog steeds de officiële taal, vier bantoetalen zijn de erkende nationale talen en er worden daarnaast 215 levende talen gebruikt. In het West-Afrikaanse land Liberia, dat in de negentiende eeuw gesticht werd als nieuw thuisland voor voormalige slaven uit de Verenigde Staten, is Engels de officiële taal. In ex-Sovjet landen zoals Kazachstan of Wit-Rusland is Russisch de officiële taal naast de landstaal.
Ook in Europa is er een geschiedenis van hiërarchie en discriminatie in talen en bevolkingsgroepen – denk maar aan het Bretoens, het Baskisch, of het Samisch, bijvoorbeeld.
Of in België, dat na de onafhankelijkheid in 1830 enkel het Frans als officiële taal erkent na de verfransing in de 18de en 19de eeuw. Het Nederlands, dat geassocieerd werd met dialecten van ‘het gewone volk’, werd pas in 1898 erkend als officiële taal, maar het zou nog decennialang duren vooraleer die gelijkheid op alle beleidsniveaus werd bereikt.
Wereldtalen positioneren zich vandaag als superieur vanwege de gecanoniseerde literatuur, het aantal sprekers dat deze talen dagelijks gebruikt, en omdat ze gebruikt worden voor internationale uitwisseling in kennis, handel en cultuur. Landen die zo’n wereldtaal dragen organiseren wereldwijd taalcursussen die kwaliteitsvol en innovatief zijn, maar waarmee ze ook het bereik, de macht en culturele invloed ervan in stand houden: denk aan de British Council, Alliance Française, Instituto Cervantes of het Goethe-Institut.
Personen voor wie die wereldtaal hun moedertaal is hebben een voordeel, en beschouwen hun eigen taal als ‘lingua franca’ voor communicatie en samenwerking vaak als een evidentie. Meestal hebben ze zelf weinig interesse in andere talen, maar het bewustzijn over die ongelijkheid groeit. Theatermaker Ahilan Ratnamohan, die in zijn oeuvre geregeld stilstaat bij de politieke en poëtische aspecten van meertaligheid, schetst de machtsverhoudingen ten gevolge van taal als volgt:
“Ik ben geboren in Australië; officieel een ééntalig land maar in wezen een land van verstopte meertaligheid. Mijn ouders ontvluchtten de oorlog in Sri Lanka en spraken enkel Engels met ons, en soms Tamil onder elkaar. Tot mijn achttiende was ik zo goed als eentalig Engels. Ik heb Frans gestudeerd in het eerste en tweede middelbaar maar er was weinig respect voor andere talen, het was het enige vak waarvoor ik niet geslaagd was maar daar werd thuis noch op school aan getild. Toen ik vervolgens op Erasmusuitwisseling ging naar Nederland was ik – een persoon van kleur – tot mijn grote verrassing de held voor de Spaanstalige en Franstalige economiestudenten die Engels leerden omwille van mijn ‘native English’.
Dan ben ik zelf Nederlands beginnen studeren in de juiste context en het klopte. Het was de eerste keer dat ik een andere taal leerde en kon inzetten en gebruiken. Vervolgens was er een andere ervaring die me diep getekend heeft: een Finse gast zegt tegen me tijdens een bijeenkomst: “Ah, isn’t it funny? How the English native speaker or the English speaker always dominate the conversation?” Als negentienjarige was dat voor mij een shock. Ik had mezelf – een migrant met ouders uit de arbeidersklasse – nooit als een soort drager van macht gezien. Maar het klopte helemaal wat hij zei. Als jij mij vandaag in het Engels schrijft, weiger ik bijna om in het Engels te antwoorden. Voor zover dat mogelijk is – ik spreek Nederlands, Duits, Spaans, Lets, Frans – weiger ik het. Omdat dat voor mij een soort omhelzing van de macht van de ‘English native speaker’ is.”
Art speak en monocultuur
Wereldtalen zijn gericht op eenduidig en efficiënt taalgebruik om informatie, kennis en gevoelens te delen. Hoewel goed taalonderwijs steeds het verband legt met de specifieke cultuur van betekenisgeving, is het gebruik van deze wereldtalen als tweede of derde taal meestal losgekoppeld van de gemeenschappen die deze talen gebruiken als moedertaal, en van de rijkdom aan verhalen, zegswijzen en betekenissen. Als moedertalen worden ze rijk en divers gebruikt in verschillende lokaliteiten: zo wordt het Frans anders gebruikt in Île-de-France dan in Marseille, Mons, in Franse banlieues of in Madagascar, bijvoorbeeld.
Taal is daarnaast meer dan woorden en grammatica. Het is een instrument om de wereld te begrijpen, om te creëren en te delen. Dat gebeurt in elke taal anders, met een rijke schakering woorden, verhalen, uitdrukkingen en verbeelding. Het is belangrijk om deze rijkdom van culturele diversiteit te koesteren ten aanzien van het potentieel monoculturele effect van de wereldtalen zoals ze vandaag gebruikt worden in handel, toerisme, onderwijs, sociale media en tot een bepaalde hoogte ook de kunsten. Opkomen voor de rijkdom van elke taal is ook verbonden met respect, evenwaardigheid en ontvoogding: de kans om je te ontwikkelen in de eigen taal en op gelijkwaardige basis deel te nemen. De taalstrijd voor gelijke rechten van het Nederlands in België, die een culturele en sociaal-economische dimensie heeft, is daar een voorbeeld van.
De diversiteit aan taalgemeenschappen staat onder druk door de hiërarchie tussen talen – officiële taal, landstaal, lokale talen van bewoners (dialecten), aangewaaide moedertalen en zich immer ontwikkelende tussenvormen. Van de meer dan 7000 talen wereldwijd is de helft bedreigd. De talen – en culturen – van minderheden of van onderdrukte bevolkingsgroepen staan onder druk, en door plattelandsvlucht en migratie verliezen talen de band met de rijkdom van lokale gemeenschappen.
Kunstenares Meggy Rustamova thematiseert taal, collectief en individueel geheugen, en migratie in haar werk. De film Babel toont een vrouw die eenvoudige woorden probeert te herinneren, zoals dagen van de week en getallen, en veelvoorkomende uitdrukkingen uit het Assyrisch, haar moedertaal. Deze neo-Aramese taal, oorspronkelijk afkomstig uit het oude Mesopotamië, wordt nog steeds gesproken door christenen uit Syrië, Iran en Irak die naar Georgië zijn verhuisd, waaronder de familie van de kunstenares. Net als andere minderheidstalen wordt het Assyrisch echter met uitsterven bedreigd. Doorheen de film verschuift het onderwerp naar herinneringen uit de kindertijd wanneer de vrouw, de moeder van de artieste, terugdenkt aan momenten van geluk. De film lijkt eerst over geheugenverlies te gaan van een vrouw op leeftijd, maar gaat over taal als schakel met religieuze gemeenschappen en collectief erfgoed, en over een taal die met verdwijnen bedreigd is.
Het gebruik van een wereldtaal is in de praktijk soms onafwendbaar, en toch moeten we er kritisch tegenover blijven staan.
Dat zegt ook Ahilan Ratnamohan: “Ik vind dat wij in de kunstensector vaak de tendens hebben om heel snel die vertaalslag te maken als iemand geen Nederlands begrijpt: ‘ja oké, Engels is goed’. En ik denk dat veel mensen daarin meegaan omdat ze geen stoorzender willen zijn. Maar het is eigenlijk een super luie beslissing. Ik vraag me bovendien af of kunstenaars zich eigenlijk verstoppen achter het Engels; een soort fake taal die de emoties van je moedertaal vermijdt. Wij geraken daardoor heel snel in een soort ‘art speak’. We hebben altijd een hippe term in het Engels die goed en professioneel klinkt in de kunstwereld maar daarbuiten door weinig mensen wordt begrepen. Ik pleit ervoor om wat je wil zeggen gewoon in het Nederlands te zeggen zoals dat je het aan je oma zou zeggen en dan heb je meteen ook een ander gesprek, denk ik. Veel minder afstandelijk.”
Drempels en uitsluiting
Het inzetten van Engels vertrekt geregeld vanuit een streven naar inclusiviteit, maar de vanzelfsprekendheid ervan sluit sommige mensen net uit. Ratnamohan vertelt hoe hij opmerkte dat een gezin wegwandelde van een panelgesprek – dat in het Duits zou worden gehouden – toen de panelleden overschakelden naar het Engels. Het festival waar het panelgesprek plaatsvond, was ironisch genoeg net opgericht om ‘andere publieken’ te bereiken dan de meeste andere kunstfestivals. “Toen ik dat gezin zag vertrekken, dacht ik: oh, dat is zo’n zonde”, deelt Ratnamohan. “Ik weet echter niet hoe we dat kunnen oplossen. Ik snap immers waarom Engels op dat moment gekozen werd: er waren namelijk twee Oost-Europese panelleden die Duits wel begrepen maar gaandeweg overschakelden naar Engels. Wij steken heel veel energie in inclusie, maar toch onvoldoende om inclusieve ruimtes te maken. Maar het is echt super moeilijk om zoveel mogelijk mensen in hun eigen taal te laten spreken en ervoor te zorgen dat iedereen kan volgen.”
Als organisator kan je een afweging maken tussen het comfort van de twee sprekers uit Oost-Europa die zich iets comfortabeler voelen met Engels dan met Duits, de andere panelleden en de taalvaardigheid van de deelnemers. Wie spreekt en wie begrijpt welke taal, en kan er getolkt worden?
Vertaling, en boven- of ondertiteling, zijn opties om zowel de kunstenaars als de deelnemers tegemoet te komen in hun eigen taal (zie punt 1.3 – Hoe werken kunstenaars en kunstorganisaties met talen om diverse publieken toegang te geven tot kunst?). Het theaterfestival Sens Interdits in Lyon selecteert bijvoorbeeld geëngageerd theater uit de hele wereld (in 2025 bijvoorbeeld Chili, China, Libanon, Palestina, Rusland, Rwanda, Taiwan en Oekraïne) en programmeert het consequent in hun moedertaal, mét boventiteling.
Je kan ook één of meerdere tolken voorzien zodat een gesprek in meerdere talen kan plaatsvinden, maar ook dat is duur en intensief. Na twintig minuten moeten tolken pauzeren en afwisselen. Het vergt expertise om de taal én het onderwerp dat ter sprake komt correct en met de juiste nuances te vertalen. Bij de werking van de Europese Unie wordt alles vertaald of getolkt naar de talen van alle lidstaten, wat een voorbeeld is van inclusie en gelijkwaardige behandeling, maar dat kan niemand anders zich financieel permitteren. Bovendien wordt hierbij geen rekening mee gehouden met de talen van niet-EU migranten en sommige lokale dialecten.
Meerstemmigheid bevorderen kan ook door de taalkeuze geïnformeerd te overwegen, inachtneming van machtsverhoudingen tussen talen aan de ene kant, en de taalcapaciteit en taalwensen van deelnemers anderzijds. Je kan de lokale taal verkiezen omdat het gespreksonderwerp spreken en luisteren in de moedertaal vereist, ook al sluit dit de deelname van anderstaligen uit. Je kan fluister-vertaling voorzien voor anderstalige deelnemers, maar dat is vermoeiend en kan storen.
Je kan kiezen voor Engels om toegang te geven aan deelnemers met verschillende moedertalen, ook al besef je dat een deel van de deelnemers daardoor niet in hun moedertaal kunnen deelnemen. Start het gesprek met een soort erkenning van de machtsverhoudingen tussen talen, en vraag respect van de native speakers voor zij die Engels als geleerde taal hanteren door traag en eenvoudig te spreken en geduld uit te oefenen als een deelnemer naar woorden zoekt. Geef de optie om een vraag of een interventie in de moedertaal te geven die iemand anders vertaalt.
Je kan de taal bij een meertalig gezelschap ook pas beslissen bij de aanvang. Breng de moedertalen en de tweede en derde talen in kaart, ook de capaciteit om te begrijpen maar niet te spreken, en leg de voertaal of voertalen vast zodat zoveel mogelijk deelnemers in hun moedertaal kunnen deelnemen.
Het Brusselse Kunstoverleg RAB/BKO kiest voor het spreken van de moedertaal Nederlands en Frans, op voorwaarde dat iedereen de andere landstaal ook effectief begrijpt (maar niet spreekt). Soms wordt er gekozen voor Frans en Engels als de Engels- en Franstaligen geen Nederlands begrijpen.
Taal en handicap
De samenleving bevat veel drempels voor mensen met een handicap, ook inzake taal. Zo kunnen blinden en slechtzienden de taal spreken, horen en typen, maar niet lezen en schrijven zoals mensen zonder visuele beperking dat doen. We denken aan boeken, aan ondertitelde films en theatervoorstellingen en aan alle teksten rond kunst. Blinde personen schrijven met aangepaste toetsenborden, spraaksoftware of via braille. Ze gebruiken hiervoor een Perkins-braillemachine of een computer/smartphone met brailleleesregel en spraakondersteuning om digitale tekst te creëren en te lezen.
Blinde of slechtziende kunstenaars ontwikkelen een grote gevoeligheid voor zintuigen zoals tast, beweging en geluid. Ze verrijken daarmee de kunst en de ervaring van bezoekers. Dietmar Goes omschrijft zichzelf als een audiograaf, een zelfbedachte term voor een blinde kunstenaar die voortdurend speelt met geluid en klanken. Hij maakt ook podcasts, en laat in “Radio Bart” bezoekers van het KMSKA beschrijven wat ze gezien hebben.
In de voorstelling Black Wrap (2008) werkte Theater Stap met vijf gedreven artiesten uit verschillende disciplines en biotopen, waarvan er drie blind zijn. Deze voorstelling is zo bijzonder omdat de performers buiten alle kaders van theater en menselijke omgang treden. In een tekst voor De Morgen bespreekt theatercriticus Wouter Hillaert de voorstelling als volgt: “Terwijl ‘fout’ in veel ander theater vaak past in een gezochte ironie of kitsch, zorgt dat hier voor een kwetsbaarheid die ontwapenend dicht bij de performers blijft. Ze raken niet om hun blindheid, maar met hun kinderlijke levenslust. (…) Ze vieren vooral de kansen op verrijkend contact en collectieve bevrijding.”
Voor blinden of slechtzienden werken sommige huizen met audiodescriptie via een koptelefoon. Daarbij worden scènes van een voorstelling of film op een heldere, beknopte manier beschreven. Een andere mogelijkheid is een voeltoer: door de scène af te tasten kunnen slechtzienden zich een beeld vormen van een ruimte, het decor of de kostuums en van de acteurs – om te weten welke stem bij welk personage hoort.
In sommige huizen worden voorstellingen zonder audiobeschrijving kort ingeleid met nadruk op visuele elementen, waaronder een beschrijving van het decor en de kostuums, die meestal ook online te beluisteren zijn en aan de toeschouwers wordt meegestuurd met de servicemail.
In sommige musea kan je enkele kunstwerken ‘voelen’ met behulp van 3D-voelplaten. Er wordt gewerkt met ruwe en zachte delen om lichte en donkere kleuren aan te geven. Die tactiele ervaring wordt vaak gecombineerd met een verbale beschrijving door een gespecialiseerde gids die het universum van de kunstenaar tot leven brengt. Inhoudelijke teksten over voorstellingen, tentoonstellingen of concerten worden ingesproken en online ontsloten. Huizen werken samen met expertisecentra zoals Symfoon of VeBeS of Licht en Liefde om drempels weg te werken voor mensen met een handicap.
Soms is zo’n audiodescriptie heel technisch, objectief en beschrijvend opgevat, maar steeds meer makers benaderen het als een volwaardig artistiek instrument, dat een creatieve invulling mag en moet krijgen, waarbij de beschrijving de inhoud van het theaterstuk of de film volgt en ook rekening houdt met de doelgroep, namelijk de persoon met een handicap die anders ‘verbeeldt’.
Doven en slechthorenden kunnen lezen en schrijven maar de taal vaak niet (of niet volledig) spreken of horen; ze spreken de Vlaamse Gebarentaal of gebruiken spraak-naar-tekst-software. Net als bij blinde kunstenaars ontwikkelen dove kunstenaars een uniek visueel perspectief.
Zo bestudeert de Amerikaanse beeldend kunstenaar Joseph Grigely, die doof is sinds zijn tiende, de kunst van het converseren tussen dove en horende mensen. Voor zijn installaties vertrekt hij van zijn persoonlijk archief van gesprekken met horenden zoals krabbels op servetten, tekeningetjes, foto’s van schrijvende handen en half opgerookte sigaretten.
Voor [meeuw] van Olympique Dramatique werd een repertoiretekst vertaald naar – en gespeeld in – Vlaamse Gebarentaal, door een gemengde cast van dove en horende toneelspelers, met Nederlandse boventiteling. Hiervoor leerde de horende cast Vlaamse Gebarentaal.
Die vertaalslag is nog best uitzonderlijk in het hedendaagse kunstenveld, stipte ook de jury van het TheaterFestival aan:
“Traditioneel worden belevingswijzen voor mensen met een beperking ‘toegevoegd’ aan bestaande vormen, alsof toegankelijkheid een extraatje is op de standaard. Deze voorstelling doorbreekt dat paradigma en maakt van inclusie (voor doven) een fundamenteel uitgangspunt. Taalbarrières verdwijnen, terwijl het publiek tegelijk een spiegel wordt voorgehouden: beperkingen liggen niet bij het individu, maar zijn het effect van dominante normen die steeds herhaald worden op en naast het podium.”
Voor niet- of slechthorenden kan er gewerkt worden met een tolk Vlaamse Gebarentaal (VGT) of ze kunnen de uitgeschreven tekst volgen op een gsm of tablet. Een andere optie is ringleiding waar mensen hun hoorapparaat draadloos op kunnen aansluiten en waarbij storende achtergrondgeluiden weggefilterd worden. NTGent heeft ringleiding in de zaal en biedt sinds 2019 ook een theatertablet aan met audiodescriptie of een tolk gebarentaal om bepaalde voorstellingen integraal toegankelijk te maken.
Ook hier zijn deze oplossingen deels een technisch gegeven maar evengoed een proces van inleven, luisteren, aanpassen en anders durven werken. Het zijn instrumenten die iedereen dus kan aanwenden om dominante gebruiken en invullingen van taal uit te rekken en opnieuw uit te vinden.
Dat is ook wat Hussein Mahdi Al-Khalidi, theatermaker en begeleider van workshops bij hetpaleis, stelt:
“Ik heb gewerkt met dove en slechthorende kinderen in hetpaleis, een podiumkunstenhuis voor jong publiek. We deden eerst een test met een tolk bij een theatervoorstelling omdat het voor ons heel nieuw was. Daarvoor hebben we eerst met hen samengezeten, geluisterd en gecheckt. Wat hebben ze hier nodig? Hoe werken zij? Dat ging goed, en er worden dit jaar in ons programma twee theaterstukken aangebonden in Vlaamse Gebarentaal met een tolk. We hebben ook getest met een dramaworkshop voor dove kinderen. Dat vraagt echt maatwerk voor ons en een zoektocht hoe wij ons kunnen uitdrukken en hoe we hen bereiken en betrekken. Het was een uitdaging omdat die groepen heel gesloten zijn en er niet veel platforms zijn voor hen. We hebben echt moeite gedaan om hen te vinden via een school en via een Facebookpagina rond dove kinderen. We hebben nu een positieve ervaring waarop we het contact verder uitbouwen, en we hebben er zelf enorm veel van geleerd.”
Daarnaast kunnen mensen andere spraak- en taalstoornissen hebben zoals stotteren of lispelen, of problemen met het toepassen van woordenschat en grammatica of het capteren van betekenis bij het lezen. Mensen met dyslexie hebben bijvoorbeeld moeite om teksten te lezen en te begrijpen. Eenvoudige taal is voor hen een oplossing. Ook kunst biedt kansen. Zo kan theaterlezen onder jongeren voor een publiek een positief effect hebben op kinderen die met dyslexie worstelen. Kinderen kruipen in de rol van een personage en oefenen met begrip, intonatie en expressie. Door de rolverdeling ervaren ze mentale steun van elkaar en door de natuurlijke pauzes ervaren ze minder stress. We zien in deze aanpak alle aspecten van gerichte leesmotiverende activiteiten terug.
Een restrictieve blik op wat dé juiste taal is – de officiële landstaal, Engels, complexe curatoriële teksten, onaangepaste onder- of boventiteling, vlot gesproken taal… – beknot makers en publieken in hun creatieve talige uitdrukking en zorgt voor een monocultuur waar velen zich niet thuis kunnen voelen. Meerstemmigheid in de kunsten vereist in dat opzicht meertaligheid: een co-existentie van verschillende taalgebruiken, met zo min mogelijk hiërarchie tussen die talen. Evenwel toont deze tekst hoe verschillende huizen, publieken en makers allang werken in een rijke schakering aan talen, waarbij getracht wordt zoveel mogelijk mensen te kunnen laten spreken in een taal waar ze zich comfortabel voelen.