Meerstemmigheid in de kunsten: kleur

Wil je meerstemmigheid binnen de kunsten versterken? Dan is het essentieel om de mechanismen van uitsluiting te begrijpen en te zien hoe ze op elkaar inwerken – dit wordt ook wel kruispuntdenken of intersectionaliteit genoemd. 
 
Via het dossier meerstemmigheid brengt Kunstenpunt deze uitsluitingsmechanismen in kaart, en verkennen we hoe we deze kunnen doorbreken aan de hand van verschillende identiteitsassen.
 
Dalilla Hermans onderzocht de rol van kleur bij het nastreven van meerstemmigheid in de kunstensector.

Toen Kunstenpunt me vroeg deel te nemen aan deze bijzondere reeks over meerstemmigheid, moest ik even nadenken over of, en hoe, ik dat wel zou doen. Mijn praktijk als schrijver, of als denker om er een betere term op te plakken, vertrekt vaak vanuit het persoonlijke. Vanuit dat persoonlijke kan ik bruggen slaan naar het collectieve, of uitzoomen tot meta-analyses zich vrijwaren. Die aanpak werkt doorgaans voor mij, en tot hiertoe begreep ook mijn trouwe lezerspubliek die impuls.

Ik twijfelde of in dit artikel die vertrouwde werkwijze zou passen, of ik eerder de pet van neutrale observator op moest zetten om bedenkingen te delen in formele bewoordingen. De ervaring leert immers dat in sommige kringen die pet opzetten haast automatisch zorgt voor een laagje legitimiteit of zelfs autoriteit. Alsof academische termen en een haast zakelijke afstandelijkheid wat ik neerschrijf meer plausibel maakt, dan verhalen ontsproten uit buikgevoel, ervaring en getuigenis. En in deze reeks, met dit thema als leidraad, is geloofwaardigheid van enig belang. Dus ik twijfelde en wisselde haast mijn hoofddeksel tijdens het schrijven. Maar toen bedacht ik, zoals de lezer intussen zal merken, dat net die gedaantewissels, die afwegingen, raken aan een van de fundamentele punten die ik in dit artikel wil maken. En dat ik dus zelf de kaders moet verwerpen waarvan ik vind dat ze verstikken, schuren, beperken. Ik schrijf dus als de schrijver, en denker, die ik denk te zijn. Vertrekkend vanuit het persoonlijke, vanuit buikgevoel, ervaring en getuigenis.

Voorstelling

Alvorens ik verder mijn verhalen vertel, zoals ik ze beleefde en doorspekt met de lessen die ik eruit leerde, lijkt het me belangrijk mezelf even voor te stellen. Niet in een droge bio of met extracten uit de Wikipedia-pagina die een onbekende ooit over me maakte, maar zoals ik mezelf positioneer. 

Mijn naam is Dalilla Hermans, ik ben 39 en moeder van een zoon en twee dochters van respectievelijk twaalf, tien en acht jaar op het moment van schrijven. Ik ben getrouwd met hun vader, mijn levenspartner, die naast muzikant ook vaak mijn partner is in artistieke ondernemingen. Ikzelf ben geboren in Rwanda en werd geadopteerd door een Vlaams koppel toen ik net geen drie jaar oud was. Intussen heb ik ook een nauwe band met mijn biologische moeder en familie, maar dat was niet altijd het geval. In mijn eerste boek, Brief aan Cooper en de wereld, omschreef ik het als “opgroeien als een wolkje bruin in een zee van wit”, maar het komt erop neer dat ik een Zwarte vrouw ben, opgegroeid in een overwegend wit milieu.  Mijn man zag het levenslicht op West-Vlaamse grond, en onze kinderen zijn dus mixed-race of dubbelbloed. Die familiale realiteit is van belang om mijn visie op sommige zaken te begrijpen.

Ik schreef in 2014 een open brief over racisme die meer aandacht opwekte dan verwacht, en spendeerde de jaren erna aan het ontwikkelen van antiracisme strategieën. Met die focus als rode draad schreef ik talloze columns en opiniestukken, publiceerde ik boeken, ontwikkelde ik podcasts, gaf ik ontelbare lezingen en trad ik op als publiek spreker. Toen de weerstand die rode draad zo strak gespannen deed staan dat ik vreesde dat die zou springen en tijdens het knappen ook mezelf uit elkaar zou breken, herontdekte ik mijn liefde voor het medium los van de intentie of boodschap. In 2020 koos ik voor de ommezwaai: ik zwermde van de opiniepagina’s van De Standaard uit naar pagina drie waar ik sindsdien om de dag een cursiefje deel over mijn dagelijkse leven en gedachten. Ik werd theatermaker, en schreef en regisseerde sindsdien vier theaterstukken. Daarvoor werkte ik samen met NTGent, hetpaleis, Concertgebouw Brugge en de Arenberg. Recent begon ik ook te schilderen en over enkele weken verschijnt mijn achtste boek, dat dit keer een Engelstalig kunstboek zal zijn waarin poëzie, essays, brieven en schilderijen elkaar afwisselen. Ik zetelde – en zetel nog steeds – in een aantal jury’s voor literaire prijzen en was onder andere lid van het pitchcomité van het Vlaams Audiovisueel Fonds. Daarnaast ben ik nog steeds comitélid van internationaal filmfonds New Dawn. 

Dit alles deed ik als zelfstandig creatief maker, die grotendeels freelance werkt. Daarnaast had ik tot 2018 ook voltijdse banen in loondienst in de jeugdsector en op de redactie van het ter ziele gegane magazine Charlie, en werkte ik in 2023 en 2024 opnieuw in loondienst in de functie van trajectcoördinator voor de kandidatuur van Stad Brugge om in 2030 Europese Culturele Hoofdstad te worden. 

Al deze professionele en artistieke ondernemingen maken dat ik inzicht kreeg in zowel het middenveld als de brede culturele sector, de theaterwereld, filmwereld, de media en het literaire veld. 

De inzichten die hieronder volgen, komen dan ook niet vanuit een tunnelvisie of enkel vanuit een bepaalde context. Ze beslaan ervaringen in verschillende disciplines, vanuit verschillende invalshoeken, en vertrekken vanuit een gelaagde identiteit en gezinscontext.

Vinkjes

Er was een tijd — een akelig lange tijd nu ik er met de luxe van de terugblik over nadenk – dat het grootste obstakel als maker van kleur (in de nog steeds spierwitte culturele wereld) ‘binnen de deur geraken’ was. Waar ik vrienden, kennissen en collega’s telkens zonder al te veel moeite zitjes aan tafels zag krijgen, had ik het gevoel dat ik me schrap moest zetten, en met de schouder vooruit zijwaarts zware deuren op een kier moest beuken. Dat beeld klopte niet altijd, niet overal. Maar vaak genoeg om er een patroon in te zien. 

Goede ideeën die ik had, werden pas opgepikt als anderen ze pitchten. Soms werden ze zelfs in uitvoering gebracht, precies zoals ik voor ogen had, met protagonisten wiens huidskleur of houding makkelijker verteerbaar waren voor een witte goegemeente van goedbedoelende, maar steeds weer angstige beslissingsmakers. Ik zou hier een resem aan voorbeelden kunnen geven van de keren dat het misliep, maar ik wil in deze uiteenzetting niet vervallen in rancune of natrapperij. Ik reken op het vertrouwen van de lezer in het feit dat ik er niets bij te winnen heb zulks te verzinnen. De reële geleefde ervaring die ik kan meegeven, is dat ik met zuinige glimlach in zalen zat waar artistiek werk prijzen won, dat in oorsprong in mijn hersenpan ontstond. Dat men beroep deed op mijn adresboek en kritische blik voor artistiek werk waaronder ik naam nog handtekening mocht zetten. Dat mails onbeantwoord bleven en telefoons genegeerd wanneer ik na lange tijd van schrap zetten toch die kier trachtte open te krikken. 

Wanneer instellingen de deur toch rustig openden, en een stoel achteruit geschoven werd zodat ik mijn zitje aan tafel kon innemen, was dat vaker dan me lief is omdat ik een vinkje was, of meerdere vinkjes tegelijkertijd. De nood aan – en het schrijnende gebrek van – etnisch culturele diversiteit is iets waar mijns inziens haast iedere culturele speler in Vlaanderen intussen wel van doordrongen is. In tegenstelling tot in het prille begin van mijn loopbaan als maker weet intussen haast elke redactie, elk huis, elke instelling heus wel dat we in een superdiverse maatschappij leven en dat het blijvend negeren van die realiteit enkel zal zorgen voor een leegloop van zalen, kijkcijfers, en relevantie. Men is zich, mede dankzij activisme en harde demografische en analytische cijfers, bewust van de realiteit van deze tijd. En dus werd het beuken steeds minder vaak nodig, en kon ik de gekneusde schouders laten helen. 

Maar aan de tafels waar de beslissingen werden genomen, was ik zelden een doorwinterde verhalenverteller met expertise en relevante ervaring. Ik was er als Zwarte vrouw heel vaak gewoon een dubbel vinkje. Dat vertaalde zich soms in ongemakkelijke momenten wanneer ik mijn stem verhief om gehoord te worden. Maar het vertaalde zich nog vaker in teleurgesteld wegwandelen. Ik stapte uit raden van bestuur. Ik besliste niet langer met omroepen samen te werken, of niet langer aanspreekbaar te zijn op allerlei platforms. 

Tokenisme is een veelkoppig monster. Het zorgt er niet enkel voor dat zij die de tokens aantrekken het risico lopen gewezen te worden op de leegte van hun window dressing. Het zorgt er ook voor dat zij die als tokens worden binnengehaald, zij het oogluikend of met grote trom, in een onmogelijke positie gedwongen worden. Dankbaar zwijgen en de kruimels privilege aanvaarden om niet voor een leeg bord te blijven piekeren, of de holle frases en beloften aanklagen en het risico lopen gezwind vervangen te worden door een ander vinkje. 

De eerste optie, die van het zwijgen en aanvaarden, is in eerste instantie gemakkelijker dan de tweede optie. Het is dan ook niet onlogisch dat veel kunstenaars van kleur die weg inslaan, vaak in de hoop op termijn, wanneer ze hun merites en aaibaarheid voldoende hebben bewezen, alsnog hun stem te zullen verheffen. Het eeuwenoude recept van “verandering van binnenuit” afdwingen. Ikzelf heb niet lang het geduld opgebracht om dat pad te bewandelen. Net omdat de uitkomst ervan al meermaals bewezen was. Ik heb er veel gesprekken over gehad met mensen, makers, die al veel verder stonden in hun carrière. Zo herinner ik me hoe iemand me zei “ik word eerst Bekende Vlaming, en dan pas Marokkaan”. Dat eerste is die persoon geworden, over dat tweede twijfelen zowel henzelf als hun publiek volgens mij nog vaak. Het is veel moeilijker in verzet te komen tegen een systeem als je er heel lang in meedraait en je eigen lot verbonden is aan het succes van dat systeem. 

Desalniettemin heb ik me altijd een beetje verzet tegen het sentiment van Audre Lorde waarmee ik mid-carrière weleens rond de oren werd geslagen: “the master’s tools will never dismantle the master’s house”. Ik begrijp uiteraard het sentiment en ook waarom de uitspraak in de context van tokenisme wordt aangehaald. Maar iets in mij rebelleerde altijd tegen die uitspraak in deze context. In de kunsten zijn we er immers nog niet over uit of het “the master’s house” is dat we willen ontmantelen. Dat huis, die huizen, die disciplines, die instellingen zijn immers maar al te vaak gebouwd door of met de creativiteit van degenen die later de toestemming werden ontzegd. Wij waren al te vaak de blauwdruk, onze kunst de bouwstenen, onze praktijk de spreekwoordelijke tools. Ik ben er dus niet van overtuigd dat het innemen van plaats aan de culturele tafels waar beslissingen genomen worden, geen meerwaarde heeft. Integendeel, ik denk dat we die tafels mee klaarzetten en dekten. Dat onze plaats er vanzelfsprekend zou moeten zijn en het net zij die tot de homogene meerderheid die zelden beweging bewerkstelligd behoren zich zouden moeten afvragen of ze er wel thuishoren. 

Waar makers van kleur, en de vrouwen onder hen in het bijzonder, de constante druk voelen zichzelf en hun creatieve werk en expertise te legitimeren, en hun toon en houding aan te passen aan de sfeer binnen de ruimtes waartoe we toegang verschaft moeten zien te krijgen, valt het me op hoe zij die er met het grootste gemak binnenwandelen slechts zeer zelden kritisch naar hun aanwezigheid kijken. Met het risico hier in een cliché te vervallen: het is opvallend hoe witte mannen binnen de filmwereld, het theater, de literatuur en de media (de werelden die ikzelf meen te kennen) steigeren wanneer hun positie in vraag gesteld wordt – net omdat die in vraag wordt gesteld. Zelden kunnen zij hun positie oprecht verdedigen. Buiten scholing, eerder gemaakt werk of luid uitgesproken meningen, komen ze zelden tot een dieper begrip van hun eigen bijdrage, én de noodzaak van die bijdrage in een superdiverse maatschappij en een tijdsgewricht dat machtsverhoudingen op scherp en in vraag stelt. Een probleem waar kunstenaars van kleur veel minder mee worstelen. De noodzaak van onze aanwezigheid is klaar als een klontje, en dat weet de culturele wereld ook. Het blijft dus een vreemde situatie, waarin tokenisme nog steeds zowel realiteit als obstakel is. 

Vrijheid

Een andere bedenking die ik me de afgelopen jaren herhaaldelijk heb gemaakt, gaat minder over toegang en zichtbaarheid, maar over het uiteindelijk creatieve werk van kunstenaars van kleur. Ik kwam zoals ik eerder in deze tekst al uitlegde, deze wereld binnengestapt via een zijdeur. Waar ik mezelf jarenlang zag als een activist die bepaalde kunstvormen gebruikte om antiracisme strategieën te implementeren of uit te testen, maakte die motieven gaandeweg plaats voor passie voor de vormen. Dat proces, die subtiele overgang, gebeurde organisch voor mezelf, maar maakte ook duidelijk hoeveel moeilijker ik blijkbaar verteerbaar werd toen het speerpunt van mijn pogen niet langer dé boodschap was. 

Een Zwarte vrouw die schrijft over racisme, vertrekkend vanuit persoonlijk trauma, is enkel voor ontkenners van racisme moeilijk. De weerstand die ik kreeg zolang ik in die mal paste, kwam uit voorspelbare hoek. Politieke of ideologische tegenstanders verzamelden zich in trollenlegers om wat ik schreef of zei onderuit te halen, en gebruikten daarvoor de wapens die ze voor zulks altijd gebruiken. Mijn achtergrond, mijn voorkomen en het gebrek aan intellect waarvan ze me betichtten. Dat was onaangenaam, maar duidelijk. Die weerstand was vrij gemakkelijk te negeren, of inhoudelijk te weerleggen als de aantijgingen over wat ik publiceerde of produceerde gingen. Toen ik echter andere verhalen wilde brengen, en mijn creativiteit niet langer ten dienste van maar als doel op zich begon te zien, bleek dat veel lastiger dan ik had kunnen voorspellen. 

In de wereld van de kunsten was net het gebrek aan die insteken die elders voor weerstand hadden gezorgd vaak het probleem. Daar wilde men dat ik verhalen vertelde die over Zwarte pijn gingen, en kreeg ik vragen als die pijn niet duidelijk genoeg op de voorgrond kwam te staan. Toen ik werk wilde maken over collectiviteit, zusterschap, mijn ervaringen als moeder of dochter, en die niet expliciet vanuit de bril van Zwartheid vertrokken, was de teleurstelling bij de instellingen waar ik dat probeerde te doen haast tastbaar. 

Men verwacht van makers van kleur namelijk altijd… kleur. Alsof je in jeans en t-shirt minder belangrijke dingen te vertellen hebt, dan uitgedost in traditionele kleding van culturen die je soms zelf amper begrijpt. Dat gegeven viel mij erg op, net omdat ik een ommezwaai maakte en trachtte te groeien. Maar ik ben niet de enige kunstenaar met een migratieachtergrond die tegen deze muur aanliep. De verhalen zijn legio. Bevriende theatermakers die gevraagd werden de namen van hun hoofdpersonages ‘exotischer’ te doen klinken. Schrijvers wiens werk werd ingedeeld onder ‘diverse verhalen’ terwijl het gewoon een roman, thriller of prentenboek betrof. Muzikanten wiens muziek urban genoemd werd, terwijl ten eerste over die term veel te zeggen valt, en ten tweede hun muziek eerder pop of rock of zelfs klassiek was. 

Dat het creatieve werk van kunstenaars van kleur kan bijdragen aan antiracisme, en culturele huizen en instellingen hun output willen diversifiëren door dat werk prominente plaats te laten innemen, is begrijpelijk en vaak zelfs wenselijk. Dat representatie van onschatbare waarde is, heb ik zelf jarenlang passioneel bepleit. Dat gewoon aanwezig zijn, of je kunst aanwezig te hebben, ook een legitieme vorm van verzet is, is eveneens waar. Maar als deze concepten ondoordacht worden geïmplementeerd, kunnen ze er ook voor zorgen dat de vrijheid van kunstenaars die niet tot de etnisch culturele meerderheid behoren, wordt beknot. Als ieder verhaal dat zij willen vertellen, in welke kunstvorm dan ook, een hoger doel waar zij zelf niet expliciet voor kozen, hoort te dienen, maakt dat de verhalenvertellers de facto onvrij. Het zou perfect mogelijk moeten zijn om als maker met migratieroots kunst te produceren waarbij die achtergrond volstrekt niet ter zake doet. Het zou mogelijk moeten zijn die kunst beoordeeld te zien voor wat ‘is’ en niet ‘wat zou kunnen betekenen’. 

Ik ben ervan overtuigd dat zij die dit soort vragen stelden, dit soort suggesties deden, zelf niet eens doorhadden hoe dat bij me binnenkwam. Ik ben ervan overtuigd dat deze vorm van exotisme een subtiel, sluimerend kwaad is, met wortels in onbedoelde vooroordelen. Maar dat neemt niet weg dat het resultaat een creatieve hersenvlucht vreest te worden. Het maakte dat ik bepaalde dossiers niet meer indiende, en mijn lijstje van mogelijke partners enorm geslonken is. Daar waar het wel goed ging, de projecten waarbij ik niet het gevoel had eerst deze heuvel over te moeten klauteren, zijn vaak huizen, uitgeverijen of instellingen geweest wiens personeelsbestand al meer divers was dan anderen. Dat is uiteraard niet zo wereldschokkend: wie zelf een migratieachtergrond heeft, hoeft er niet meer van overtuigd te worden dat mensen van kleur, en dus ook kunstenaars, volledige levens leiden. Dat zij liefdesverdriet, familiekwesties, dagelijkse angsten of net kleine gelukjes even diep beleven – en daarover kunst willen maken. Wars van waarde in een of andere strijd.

Vechten

Het laatste punt dat ik wil bepleiten, vraagt een beetje inlevingsvermogen van wie hier meeleest. Het gaat namelijk over een situatie waar slechts een handvol uitverkorenen over mee kunnen praten. Maar toch vind ik het belangrijk genoeg om er de laatste paragraaf van deze tekst aan te wijten. Wat nu een eerder marginaal verschijnsel is, dreigt gezien de toestand van de wereld en de globale evoluties die gaande zijn, immers uit te groeien tot een fundamenteel issue waarvan ik zij die me volgen, wil behoeden. 

Eerder in dit artikel alludeerde ik al op weerstand die ik ontving ten gevolge van wat ik schreef, uitsprak of maakte. Weerstand is in deze een beleefde, opgeruimde term, die nauwelijks de oppervlakte van de diepe beerput aanraakt. Wanneer ik schrijf over weerstand heb ik het niet over een aantal slechte recensies of spottende artikels. Wanneer ik schrijf over weerstand heb ik het niet over werk dat niet gesmaakt werd of kritische bemerkingen. Wanneer ik schrijf over weerstand, heb ik het over gruwelijke gratuite beledigingen, over gewelds- en doodsbedreigingen aan mijn adres en dat van mijn gezin, over karaktermoord en broodroof. Ik heb het niet over in vraag gesteld worden, of twijfelen aan mezelf en mijn kunstenaarschap of een bedriegerscomplex. Die zaken zijn voor iedere creatieve maker een uitdaging, en dus ook mij niet vreemd. Maar wat ik eerder als weerstand omschreef, gaat veel verder dan dat. Wat dit alles met mij heeft gedaan als mens, is moeilijk neer te typen. Mijn psycholoog en ik zijn nog steeds op zoek naar de woorden om dat te omschrijven. Wat het met me heeft gedaan als kunstenaar kan ik wel toelichten. 

Het overheersende gevoel dat ik heb ervaren tijdens iedere golf van haat die me te beurt viel, is eenzaamheid. Het was telkens opnieuw schrijnend eenzaam. Uiteraard kwamen er vaak steunbetuigingen, van individuen en heel af en toe vanuit een collectief, zoals ten tijde van de storm die ontstond bij mijn aanstelling als trajectcoördinator van Brugge 2030. Na een tijdje besloten de culturele spelers in de stad toen een gezamenlijk standpunt buiten te brengen waarin ze de haat veroordeelden en mijn aanstelling ondersteunden. Dat was een mooi, zij het zeldzaam, gebaar. Maar ondanks die lichtpuntjes, bleef het verbazend vaak erg donker. Het blijkt erg moeilijk voor het kunstenveld in Vlaanderen om het consequent op te nemen voor haar collega’s van kleur. Zelfs gespecialiseerde organisaties zoals PEN Vlaanderen, die zichzelf opwerpen als de behoeders van de vrijheid van meningsuiting voor auteurs, bleek een blinde vlek in de vorm van mijn persoon te hebben. Het blijkt makkelijker de aanval te herkennen als die buiten onze landsgrenzen gelanceerd wordt. 

Die eenzaamheid, en dat gebrek aan bescherming of verdediging vanuit de culturele wereld is een pijnlijke constatatie an sich, maar wordt nog pijnlijker als ik even uitzoom en vaststel dat vele van de keren dat kunstenaars van kleur in een wespennest van haatspraak terechtkomen, ze daar haast ingeduwd worden door die culturele wereld. Zo vaak zag ik, een tijdje nadat ik er genadeloos voor werd aangevallen, mijn standpunten overgenomen worden door de traditionele culturele spelers. Af en toe werd ik zelfs gepord om standpunt in te nemen door huizen die zichzelf achter een gordijn van neutraliteit wilden verschuilen.

En daarin ben ik helaas niet alleen. Al te vaak werden makers in precaire situaties gedwongen, of belandden ze erin, omdat de partners waarmee ze samenwerken de boodschap die zij brengen wel onderschrijven maar niet durven uitdragen. 

Kunstenaars van kleur worden geïnstrumentaliseerd om een activisme te bedrijven waar de huizen, organisaties en instellingen die hen moeten ondersteunen niet klaar voor zijn. Maar als dat individuele activisme dan op haat en pijn stoot, is het collectief dat hen naar voren schoof zelden bereid de klap mee op te vangen. Het oogt vaak goed om de ‘tegendraadse’ stem te programmeren, het controversiële boek uit te brengen, of de moedige vertegenwoordiger aan te nemen. Maar wanneer die kanarie in de koolmijn stopt met piepen, rent de rest snel naar buiten en draait de mallemolen gewoon verder. 

Toen ik, mondig als ik doorheen de jaren gedwongen werd te zijn, dat gebrek aan ondersteuning aanbracht, kwam er vaak een reactie die waarachtig maar wraakroepend is. Dat ik toch verschil teweegbracht. Dat bepaalde attitudes wel degelijk veranderden door het werk dat ik maakte. Dat beleidsplannen werden herschreven, verbindingen werden gelegd en nieuwe ideeën overgenomen. Dat het iets had uitgehaald dus. Maar ten koste van wat, en wie?

Ik hoop in de toekomst dat de culturele wereld ook hierover gaat bezinnen. Dat er een groeiend besef komt over het feit dat het niet voldoende is makers van kleur, of kunstenaars uit andere minderheidsgroepen, platform aan te bieden om politiek gevoelig werk te creëren. Dat er ook (na)zorg nodig is voor zij die deze handschoenen al dan niet noodgedwongen opnemen. Het gebrek aan moed en durf in de kunsten wordt al te vaak verbloemd door het vooruitschuiven van moedige durvers en vechters die de strijd alleen voeren, tot ze de naald ver genoeg opschoven om ook de goegemeente mee in beweging te krijgen. Deze aanpak lijkt me niet houdbaar. We kunnen kunstenaars van kleur niet als kanaries blijven opofferen en in stilte en donkerte laten verdwijnen. Om hen na de feiten te bejubelen of hun zang pas als het veilig is na te fluiten.

Voorwaarts

Tot slot, want bij deze heb ik gedeeld wat ik delen wilde, kan ik concluderen dat het kunstenaarschap voor mij een zoektocht blijft langs meanderende wegen, met pieken en valleien waar ik nog steeds met plezier door ploeter. De keren dat ik het gevoel had dat deze wereld, die bijzondere wereld van de kunsten, kansrijk en belachelijk mooi is, zijn nog steeds talrijker als de keren dat ik me het hoofd krabde. 

In tijden waarin genocides, klimaatrampen, en groeiende polarisatie en ongelijkheid het moeilijk maken hoop te behouden, is kunst voor mij een reddingsvlot. Of een vuurtoren die licht werpt op de zwarte zee. Maar zelfs ondanks die schoonheid, die kansen en die felle schijnwerpers, is er nog veel werk aan de winkel om iedereen die wil mee het vlot op te krijgen. 

Laat deze reeks daar een aanzet toe zijn.

wiki 1