Meerstemmigheid in de kunsten: etniciteit
Wil je meerstemmigheid binnen de kunsten versterken? Dan is het essentieel om de mechanismen van uitsluiting te begrijpen en te zien hoe ze op elkaar inwerken – dit wordt ook wel kruispuntdenken of intersectionaliteit genoemd.
Via het dossier meerstemmigheid brengt Kunstenpunt deze uitsluitingsmechanismen in kaart, en verkennen we hoe we deze kunnen doorbreken aan de hand van verschillende identiteitsassen.
Sibo Kanobana onderzocht de rol van etniciteit bij het nastreven van meerstemmigheid in de kunstensector.
Wanneer we vandaag in de kunsten praten over etniciteit, doen we dat vaak zonder daar goed bij na te denken en soms met een ongemak dat zich niet laat benoemen. We voelen dat het iets met een groepsidentiteit te maken heeft – met afkomst, taal, cultuur en wellicht zelfs religie – en weten ook dat het preciezer en minder problematisch is dan het verfoeide ras. Maar hoe verschillen die woorden van elkaar en waarom? Etniciteit lijkt alleszins neutraler, minder beladen, minder beschuldigend, minder verbonden met de gewelddadige geschiedenis van kolonialisme en rassentheorie. Toch is die zachtheid volgens mij misleidend. Ze maskeert immers dat etniciteit, net als ras, een sociaal construct is waarin macht, uitsluiting en legitimiteit voortdurend kunnen worden geproduceerd.
In dit essay verken ik de verhouding tussen ras en etniciteit, hun historische verwevenheid, en hoe die zich vertaalt in het hedendaagse kunstenveld. Vanuit mijn persoonlijke en artistieke traject wil ik tonen hoe etniciteit niet zomaar een kwestie van ‘diversiteit’ of ‘culturele achtergrond’ is, maar een dynamisch spel van zichtbaarheid, normering en macht.
Ras?
Wanneer men het woord ras hoort, denkt men vandaag spontaan aan huidskleur. Ras lijkt zichtbaar: iets dat zich in de huid toont, in de trekken van een gezicht, in het haartype, in melanine, in wat zogezegd biologisch gegeven zou zijn. Maar de geschiedenis leert dat ras nooit enkel over uiterlijk ging. Pas tijdens de Europese moderniteit – vooral vanaf de achttiende eeuw – is het begrip ras biologisch gaan klinken, wetenschappelijk zelfs, en werd het gebruikt om verschillen tussen mensen als natuurlijk en onveranderlijk voor te stellen: uiterlijke kenmerken zoals huidskleur zouden innerlijke eigenschappen verklappen, zoals intelligentie, weerbaarheid, muzikaliteit of moraliteit. De rassentheorieën van de negentiende eeuw en uiteindelijk de verschrikkingen van de genocides in de twintigste eeuw zijn daar de extreme uitdrukkingen van.
Toch is dat niet het begin van het verhaal. Waar het idee van ras vandaan komt is moeilijk te traceren, sommigen argumenteren dat zijn wortels in de oudheid te vinden zijn, anderen dat het universeel en van alle tijden is. Uiteraard is de angst voor het onbekende van alle tijden en plaatsen, en het is niemand vreemd dat er vooroordelen bestaan tussen groepen mensen, zoals tussen mensen die aan de ene of gene kant van de rivier leven, tussen de mensen die in de bergen leven en de mensen in de vallei, om maar een paar voorbeelden te noemen. Tot in het kleinste dorp vind je wel een wij en een zij. Maar is dat dan ras? Of eerder etniciteit?
Laat ons voor de helderheid beginnen met het woord zelf en waar het vandaan komt. Het woord ‘raza’ komt uit het vijftiende-eeuwse Spanje, uit de context van de Reconquista, waarin christelijke koninkrijken het Iberisch schiereiland van moslims heroverden. De drie grote bevolkingsgroepen – christenen, joden en moslims – werden toen de razas benoemd. Joden en moslims die zich tot het christendom bekeerden, werden respectievelijk conversos of moriscos genoemd, en bleven ongeacht hun bekering sociaal gestigmatiseerd, ongeacht uiterlijke kenmerken aangezien christenen, moriscos en joden er fenotypisch niet anders uitzagen. Bovendien deelden deze drie groepen dezelfde religieuze praktijken en politieke affiliatie. Hoewel men dus geen religieuze afkomst kon zien, bleef die afkomst hen achtervolgen. En dat is wat op een raciale dynamiek wijst: los van uiterlijke kenmerken maar waar verschil in vermeende afkomst politiek en economisch wordt ingezet om de uitsluiting, uitbuiting, onteigening of zelfs in extreme gevallen, uitroeiing, van ‘de ander’ te verantwoorden. Ras was toen geen kwestie van fenotype, maar van religie, cultuur en afkomst. Met andere woorden: ras was een sociale categorie, niet een biologische, en ze had een politieke en economische functie.
Dat principe blijft overeind in zeer verschillende contexten. Ook als we denken dat het in essentie over uiterlijke kenmerken gaat, blijken deze kenmerken noch noodzakelijk, noch voldoende. In de Verenigde Staten, bijvoorbeeld, bepaalde de zogenaamde one-drop rule dat wie ook maar een druppel ‘zwart bloed’ had, als zwart werd beschouwd, ongeacht uiterlijk. Zwartheid was niet per se iets dat men kon zien, maar iets dat men ‘wist of vermoedde’. Toen de Nazi’s de macht grepen in Duitsland en hun Arisch ideaal uitdroegen betekende dat geenszins dat blonde Joden met blauwe ogen, noch generatielang bekeerde en geassimileerde Joden, gevrijwaard zouden worden van vervolging en moord. Ras was dus nooit enkel zichtbaar; het was vooral herkenbaar gemaakt, sociaal geconstrueerd, juridisch en cultureel gehandhaafd.
Etniciteit
In de tweede helft van de 20ste eeuw werd het woord ras in academische en beleidscontexten verdacht. Het was te sterk verbonden met Nazi-ideologie en eugenetica. Wetenschappers en beleidsmakers gingen op zoek naar een neutraal alternatief, en vonden dat in etniciteit. De Britse antropologen Julian Huxley en A.C. Haddon pleitten al in 1935 voor het gebruik van ethnic in plaats van racial. Het klonk wetenschappelijker, menselijker, minder beladen.
Het woord etniciteit of etnie heeft eigenlijk nog oudere wortels dan het woord ras en komt rechtstreeks uit het Grieks, ethnos en ethnikos – woorden die in de oudheid verwezen naar vreemde volkeren die niet Grieks waren en andere tradities hadden. Vanaf de late middeleeuwen tot halverwege de negentiende eeuw werd het woord ethnic in het Engels vooral gebruikt om iemand te beschrijven die als heiden werd beschouwd, wat betekent dat etnische groepen per definitie niet-christelijke buitenstaanders waren. Hier zie je alweer hoe etniciteit net als ras diep vervlochten is met religie. Ik denk dat we daarom een stap terug moeten zetten en nadenken over hoe de oorspronkelijke betekenis van het woord etnisch nog steeds sterk doorwerkt in het huidige gebruik ervan en de negatieve of neerbuigende manieren waarop etnische groepen worden beschreven, of geracialiseerd, vooral in relatie tot natiestaten of meerderheidsgroepen die zichzelf niet zien als ‘etnisch’.
De betekenisverschuiving – waarbij etnisch ging verwijzen naar raciale en culturele minderheden – ontstond vooral in de Verenigde Staten in de jaren 1930 en 1940. De term werd toen snel populair, omdat hij werd gezien als een neutraal alternatief voor ras, een woord dat fascisten in diskrediet hadden gebracht. Vanaf de jaren 1960 en 1970 werd etniciteit de term bij uitstek om over het verschil tussen bevolkingsgroepen te spreken zonder het woord ras te gebruiken. Sociologen als Fredrik Barth en Nathan Glazer beschreven etnische groepen als sociale gemeenschappen met een gedeelde cultuur of afkomst, die zich konden onderscheiden, maar ook integreren of assimileren aan de dominante groep. Etniciteit leek dus een keuze te impliceren: je kon je etnische identiteit behouden, aanpassen, of zelfs veranderen. Dat stond in contrast met ras, dat als onveranderlijk werd gezien.
Maar precies daarin schuilt een spanning. Door te doen alsof etniciteit steeds een vrijwillige culturele identiteit is, verdwijnt de potentiële machtsdimensie die inherent met ras verbonden is en ook tot uitdrukking komt bij het gebruik van een nieuw woord zoals etniciteit. Niet alle verschillen zijn immers gelijk. Niet alle groepen kunnen assimileren. Voor sommige mensen is anders-zijn niet een kwestie van keuze, maar van toewijzing. Ze worden etnisch gemaakt – of beter: geracialiseerd. Dit wijst op belangrijke verschillen tussen ras en etniciteit. Een ras worden gaat niet noodzakelijk gepaard met een etnische zelfidentificatie: zwarte mensen, allochtonen of migranten zijn labels waar mensen zich aanvankelijk niet per se mee identificeren, ze worden hen opgelegd. Bovendien, getuigenissen van mensen met een moslimachtergrond tonen aan dat ze steeds weer gereduceerd worden tot hun moslim-zijn, ook al groeiden ze op in een atheïstisch gezin. Ongeacht de keuzes van Idris of Halima, op de woningmarkt of arbeidsmarkt zijn zij eerst en vooral moslim, allochtoon, migrant.
Een raciale relatie is dus steeds een machtsrelatie tussen mensengroepen waarbij geweld (in de vorm van onder meer uitsluiting, onderdrukking of verdachtmaking) op de achtergrond loert. Om die reden denk ik dat we conceptueel niet duidelijk zijn als we ervan uitgaan dat etniciteit altijd precies vertelt waar onderscheid tussen groepen eigenlijk over gaat. Zo zijn de relaties tussen Schotten en Denen, of ook tussen de Ainu van Hokkaido in Japan en de Maori van Nieuw-Zeeland, of tussen de Yoruba in Nigeria en de Aymara in Peru, etnische relaties die geen geweld of macht impliceren. Etnische relaties kunnen evenwel raciaal worden, maar zijn dat niet per se. Door voor elk onderscheid tussen bevolkingsgroepen over etniciteit te praten, zien we hoe zelfidentificatie, macht en geweld uit beeld kunnen blijven. Maar zoals blijkt uit bovenstaande, zien we dat ras helemaal niet biologisch hoeft te zijn om dezelfde effecten te hebben als het idee van biologisch ras van de negentiende en twintigste eeuw. Ras gaat immers niet over biologie, maar over macht.
Wanneer bijvoorbeeld moslims in West-Europa of Latino’s in de Verenigde Staten vandaag worden gediscrimineerd, is dat zelden op basis van biologie of uiterlijke kenmerken. Het is op basis van cultuur, vermeende waarden, religieuze verschillen, taal. Toch werkt die uitsluiting volgens hetzelfde principe als racisme: men schrijft bepaalde minderwaardige eigenschappen toe aan een groep, essentialiseert die, en gebruikt ze om ongelijkheid te rechtvaardigen. Dat proces heet racialisering.
Etniciteit kan dus, in een wereld waar we het woord ras niet meer durven uit te spreken, afhankelijk van de context, een ander woord zijn voor ras. In feite is het vaak een eufemisme geworden, een manier om over racialisering te spreken zonder het ongemakkelijke woord ras te gebruiken en waarbij steeds racisme kan worden ontkend. Want geef toe: welke keuken is etnisch, welke taalvariaties gelden als etnolect, en aan wie denk je bij etnisch-culturele minderheden? Vlaamse Brusselaars? Wellicht niet.
Het etnische in de kunsten: neutraliteit bestaat niet
In het kunstenveld duikt dat ongemak voortdurend op. Organisaties spreken over ‘etnisch-culturele minderheden’, over ‘diversiteit’ of ‘meerstemmigheid’, maar zelden over ras of racisme. Dat is begrijpelijk – het woord weegt sinds de Holocaust erg zwaar – maar het heeft gevolgen als we conceptueel niet precies zijn. Door te spreken over etniciteit alsof het een neutrale categorie is, dreigt men te vergeten dat ook de norm etnisch is.
Wanneer we zeggen dat iemand ‘een etnische achtergrond’ heeft, bedoelen we zelden een Duitstalige uit de provincie Luik, een Eurocraat in Brussel of een Franstalige Gentenaar. De leden van de meerderheid maar ook bepaalde ‘witte’ minderheden worden niet als etnisch benoemd, want zij zijn gewoon. Het etnische blijft voorbehouden voor de anderen, de zogenaamd niet-normale personen. Maar hoe dat bepaald wordt heeft meestal weinig te maken met de eigenschappen zelf, dan met politieke en economische belangen. Zo herhaalt zich de oude binaire tegenstelling tussen christen en heiden, modern en primitief, beschaafd en barbaar, wit en niet-wit, autochtoon en allochtoon, centrum en periferie. Daar hebben we geen verschillende huidskleuren of haartype voor nodig. Israëli’s en Palestijnen kan je op basis van uiterlijke kenmerken ook niet uit elkaar halen. Om hun ongelijkheid te verantwoorden heb je andere tekens nodig, maar die verantwoording kan even bloederige consequenties hebben dan de biologische rassentheorieën van weleer.
In de kunsten zien we dat terug in hoe kunstenaars worden gecategoriseerd. Kunstenaars van Congolese, Marokkaanse of Turkse afkomst worden vaak gelezen door hun achtergrond. Niet alleen blijken we te vermoeden dat ze een gelijkaardige positie innemen ten aanzien van de norm, maar hun werk wordt ook geïnterpreteerd als cultureel, sociaal of politiek, terwijl een witte kunstenaar zelden als ‘Europees’ of ‘christelijk’ wordt benoemd en alleen politiek als die dat zelf zo in de verf zet. Maar impliciet gebeurt er iets fundamenteler: de ene spreekt zogezegd over identiteit, de andere over de mens in het algemeen. Witheid blijkt je toegang te geven tot het universele, niet-wit zijn verhult je in het specifieke.
Die asymmetrie is niet alleen discursief, maar structureel. Ze zit in wie toegang krijgt tot middelen, podia, opleidingen, en in wie wordt beschouwd als universeel of ‘internationaal’. In Vlaanderen zien we bijvoorbeeld dat kunstenaars van kleur vaak ondergefinancierd zijn, of moeten uitleggen waarom hun werk (wel of niet) over migratie of diversiteit gaat. Het kunstenveld is dus niet neutraal, maar gestoeld op een historische erfenis van racialisering waarin witheid de norm vormt: witheid dat niet als huidskleur maar als norm bepaalt wat wel of niet normaal, onbedreigend of universeel kan gelden. Niemand hoeft hiervoor expliciet racistisch te zijn, niemand wil per se moedwillig uitsluiten of vernederen, maar sociale structuren maken impliciet een waardeoordeel over welke mensenlevens het meer of minder waard zijn om ernstig te nemen of om het voordeel van de twijfel te genieten.
Kunst als ruimte van herkenning en uitsluiting
Mijn eigen parcours is doordrongen van die spanning. Ik kom uit een multiraciaal, multi-etnisch, multicultureel en meertalig gezin. We overspannen als gezin meerdere landen, spreken meerdere talen, en in mijn bredere familie meerdere religieuze achtergronden. Op familiefeesten zitten zwart, bruin en wit aan dezelfde tafel. Voor mij was dat vanzelfsprekend, maar in de buitenwereld werd die vanzelfsprekendheid voortdurend bevraagd.
Ik groeide op in een Franstalig gezin in Brussel, maar ging naar Nederlandstalige scholen. Mijn moeder kwam uit een Nederlandstalig nest, mijn vader sprak Kinyarwanda en Kiswahili, en ze communiceerden met elkaar en met ons in het Frans – niet hun moedertaal, maar de taal die domineerde waar zij opgroeiden en die onze thuistaal werd. In Congo spraken mijn zussen en ik onze eerste woordjes in Lingala, de ‘lingua franca’ van waar we onze eerste kinderjaren doorbrachten, een taal die noch mijn vader, noch mijn moeder als kind kenden en pas op latere leeftijd leerden. Die taalmix was mijn natuurlijke habitat.
Toen ik als tiener begon te rappen in de jaren ‘90, voelde ik hoe moeilijk het was om die meertaligheid artistiek te plaatsen. Toen was Brussel nog niet erkend als het meertalige laboratorium dat het vandaag is, in het beste geval Nederlands-Frans tweetalig, maar dan ook keurig gescheiden. Ik rapte in het Frans en Nederlands, soms in Engels of Swahili. Commercieel zou dat echter niet werken, je moest voor een markt kiezen en die is of in de ene taal of in de andere. Maar voor mij was dat geen keuze; mijn identiteit is meertalig. Bovendien had rappen in het Swahili een heel ander effect dan rappen in het Engels: met een Afrikaanse taal werd rap wereldmuziek, met een Europese taal was het ‘gewoon’ rap in een andere taal.
In mijn ervaring is meertaligheid een vorm van verzet tegen het idee dat identiteit eenduidig en zuiver moet zijn, zeker die vorm van meertaligheid die alle taalnormen overhoop haalt. Taal mengt, verstoort en creëert nieuwe vormen van verstaanbaarheid. Wanneer ik rap in Nederlands, Frans en Swahili, breek ik bewust met de logica van zuiverheid. Ik laat zien dat identiteit niet één stem heeft, maar vele. En als dat over taal gaat, kan dat ook over etniciteit gezegd worden.
Vandaag is die meertalige dynamiek veel meer erkend. Ik zie die fluïditeit trouwens ook terug bij artiesten uit Nigeria en Ghana die internationaal zijn doorgebroken, en die Engels vermengen met respectievelijk Yoruba en Twi. Hun meertaligheid wordt niet langer als tekort gezien, of als foutief, maar als authenticiteit. Dat is een verschuiving die hoopvol stemt: taalvermenging wordt niet meer per se geassocieerd met onzuiverheid, maar met creativiteit.
Toch toont mijn ervaring hoe taal en etniciteit in de kunsten vaak als tekens van verschil functioneren. Dat is zeker het geval in een cultuursector waar je of Vlaams of Franstalig bent, of autochtoon of allochtoon, en nooit of zelden beide tegelijk. Wie afwijkt van de norm moet voortdurend verantwoorden waarom dat zo is, waardoor een netjes afgebakende etnische identiteit steeds weer de kop opsteekt als het allerbelangrijkste in de beleving van hen die als ‘abnormaal’ of ‘exotisch’ worden beschouwd. Die druk om te vertalen, aan te passen of te verklaren is evenwel zelf een vorm van uitsluiting die enorm veel energie kost voor de betrokkenen.
De neutraliteit van witheid
Het kunstenveld beschouwt zichzelf graag als open, inclusief en kosmopolitisch. En in zekere zin is dat ook zo, of althans veel opener dan in vele andere sectoren. Maar achter die façade schuilt een diepgeworteld idee van neutraliteit dat zich in feite beperkt tot wat als wit, westers en bourgeois beschouwd wordt. Het is het idee dat kunst universeel is zolang ze niet te veel verwijst naar een niet-witte specifieke gemeenschap, taal of kleur.
Het is essentieel om hier te herhalen dat witheid hier niet enkel functioneert als huidskleur, maar vandaag vooral als culturele standaard. Uiterlijke kenmerken kunnen daarbij ook wel als teken fungeren – een teken dat doet vermoeden welke culturele achtergrond iemand heeft, maar deze uiterlijke kenmerken zoals huidskleur zijn noch noodzakelijk, noch een voorwaarde om al dan niet toegang te krijgen tot witheid. Witheid bepaalt wat professioneel en als identiteitsloos wordt gezien. Professioneel betekent hier niet noodzakelijk dat de kunstenaars in kwestie ervan kunnen leven, maar wel dat hun kunst ernstig moet worden genomen, als kunst die de kunstenaar als persoon overstijgt. Als je een kunstenaar van kleur bent, moet je bijna expliciet je eigen achtergrond verwerpen om als even ernstig gepercipieerd te worden en dus als meer dan alleen een vertegenwoordiger van een gemarginaliseerde groep. Kunstenaars van kleur die dat niet doen – en meestal wordt je net aangemoedigd om dat vooral niet te doen – kunnen weliswaar toegang krijgen tot cultuurhuizen maar worden vaak vooral op hun ‘maatschappelijke relevantie’, ‘ervaringsdeskundigheid’ of ‘waardevolle getuigenis’ beoordeeld, misschien zelfs als ‘gevoelig’ en ‘normdoorbrekend’ bestempeld, maar zelden als ‘autonoom’ en ‘universeel’. Zo ontstaan dubbele standaarden: de ene groep maakt gewoon kunst voor de wereld, de andere identiteit die als kunst wordt gepresenteerd.
De paradox is dat witheid zelden wordt benoemd als etnisch. De meerderheid is zogenaamd zonder cultuur, universeel en neutraal. Maar dat is precies de kern van de machtsverhouding: de ontkenning dat ook de meerderheid een etniciteit heeft, is wat haar normatief maakt. Wanneer we dus spreken over etniciteit in de kunsten, moeten we niet enkel vragen wie etnisch lijkt, maar wie zichzelf het privilege van niet-etnisch zijn kan permitteren.
Racialisering en de taal van beleid
In beleidsdocumenten wordt vaak gesproken over “etnisch-culturele minderheden”, “mensen met migratieachtergrond” of “divers talent”. Die termen hebben veelal als doel objectief te zijn, maar zijn nooit onschuldig. Ze verplaatsen immers de aandacht van structuren naar specifieke groepen die allicht een inherente problematiek delen die opgelost dient te worden. Op het einde van het verhaal zouden er geen minderheden moeten zijn of zou iemands etnische achtergrond er eigenlijk niet meer moeten toe doen. In plaats van racisme te benoemen, spreekt men dan over het belang aan ‘diversiteit’, een positief en veilig woord dat suggereert dat het probleem een gebrek aan kleur is, niet een teveel aan uitsluiting en normering.
Die logica verschuift de verantwoordelijkheid van het systeem naar de persoon: goede kunstenaars van kleur moeten ‘inclusieve’ kunst belichamen, moeten beter netwerken, hun identiteit zichtbaar maken, zichzelf positioneren, bijdragen aan de diversiteit van de sector. Maar racialisering is geen kwestie van persoonlijke inzet; het is een structureel mechanisme. In het kunstenveld zien we dat terug in de manier waarop instellingen omgaan met diversiteit. Er is een groeiende aandacht voor representatie, en vaak blijft het daarbij. De vraag is echter niet enkel wie op het podium staat, maar wie bepaalt wat er op het podium komt. Inclusie zonder zichzelf die vragen te stellen en ernaar te handelen blijft jammer genoeg decoratief.
Meerstemmigheid als proces, niet als doel
Het traject van Kunstenpunt naar een meerstemmig kunstenveld vertrekt vanuit een belangrijk besef: meerstemmigheid is geen kwestie van aantal stemmen, maar van machtsverhoudingen tussen stemmen. Een veld kan divers zijn in samenstelling en toch monologisch blijven als de dominante logica – de taal, de esthetiek, de beoordelingscriteria – onveranderd blijft. Etniciteit in de kunsten mag dus niet enkel over representatie gaan, maar moet het ook over epistemologie hebben: wiens kennis telt als toonaangevend en waarom? Welke vormen van expressie gelden als kunst? Wie mag spreken, en in welke taal?
Meerstemmigheid veronderstelt ook dat we de grenzen van onze begrippen durven herzien. Als we ‘etniciteit’ gebruiken om over verschil te praten, moeten we ons afvragen wat we daarmee verhullen of net willen benadrukken. Zoals ik eerder betoogde, kan ‘etniciteit’ racialisering camoufleren. Want telkens je zou beweren dat het eigenlijk over ‘ras’ gaat, kan iemand opperen dat dat zeker niet het geval is: een Duitser in Antwerpen of een Turk in Luik, dat is in beide gevallen gewoon een lid van een etnisch-culturele minderheid. Maar etniciteit kan ook een hefboom zijn om machtsdynamieken zichtbaar te maken, op voorwaarde dat we het historisch en kritisch gebruiken en eerlijk zijn met de pragmatische lading van de term, dat wil zeggen hoe de betekenis van het concept vooral vorm krijgt in hoe we het gebruiken, eerder dan in etymologie of semantiek. In de kunsten betekent dat: niet enkel ruimte maken voor andere stemmen, maar ook de dominante taal, toon en verwachtingspatronen in vraag stellen. Want als je alleen op representativiteit focust dan riskeer je net als de ministeriële kabinetten van Boris Johnson te worden, weliswaar de meest etnisch diverse uit de Britse geschiedenis, maar ook de meest conservatieve.
Koloniale schaduw
Het hedendaagse discours over diversiteit in de kunsten draagt nog altijd sporen van koloniale hiërarchie. De categorieën waarmee we over cultuur spreken – verfijnd versus street, serieus versus entertainment, westers versus niet-westers, universeel versus etnisch – zijn ontstaan in een tijd waarin Europa zichzelf als het neutrale centrum van beschaving beschouwde.
De term wereldmuziek, bijvoorbeeld, is een goedbedoelde poging tot erkenning, maar plaatst alles buiten het Westen in een verzamelbak. Hetzelfde geldt voor tentoonstellingen over ‘Afrikaanse kunst’ of ‘islamitische esthetiek’ die zelden over hedendaagse, zelfbepaalde praktijken gaan, maar over andere tradities die door een westers oog worden gerangschikt, ook al blijkt de curator in kwestie oorspronkelijk uit Afrika of de islamitische wereld te komen. Dat is immers niet genoeg, want dan reduceren we etniciteit tot wat in een individu zit en hebben we geen oog voor het netwerk van spanningen en ongelijkheden die vorm en betekenis geven aan verschil, ook binnen één en hetzelfde individu.
Het is niet omdat kunstenaars zwart zijn dat hun kunstpraktijk altijd moet veralgemeend worden als ‘zwarte kunst’, of kunst voor en over zwarte mensen. In die zin is het koloniale project niet voorbij; het leeft voort in onze esthetische categorieën. Zolang de kunst van de ander wordt gelezen als verschil van daar en niet als gelijkwaardig gesprekspartner hier, blijven we gevangen in wat filosoof Achille Mbembe de koloniale verbeelding noemt.
Pistes voor verandering
Als we etniciteit in de kunsten systemisch willen begrijpen en aanpakken, moeten we de focus verleggen van individuen naar structuren. Enkele mogelijke pistes:
- Benoem racialisering expliciet. Durf in beleid, onderwijs en kritiek het woord ras te gebruiken waar het op zijn plaats is. Niet om biologische categorieën te herstellen, zeker niet, maar om machtsprocessen te benoemen die pijnlijke ongelijkwaardigheid reproduceren. Zolang we dat niet doen, blijft racisme (zonder ras?) ongrijpbaar.
- Herken witheid als norm. Witheid is geen leegte maar een positie. Instellingen moeten reflecteren over hoe witheid hun esthetiek, wervingspraktijken en publiekswerking structureert. Dat vraagt geen schuld, noch schaamte, maar bewustzijn en wederzijdse waardigheid. Alleen zo kan menselijke waardigheid toegankelijk zijn voor iedereen.
- Dekoloniseer de canon. Niet enkel door ‘diverse’ kunstenaars toe te voegen, maar door de selectiecriteria zelf te bevragen, of beter te beschrijven, explicieter te maken, en transparanter: waarom wordt bepaalde kunst als universeel gezien en andere als particulier?
- Investeer in structurele gelijkheid, niet symbolische aanwezigheid. Echte meerstemmigheid betekent ook financiële en institutionele herverdeling. Wie beslist over subsidies, jury’s, curricula en artistieke richtingen? Betrek bijvoorbeeld het poetspersoneel bij structurele beslissingen, overweeg vrijwilligers vast in dienst te nemen, daag normen rond taalcorrectheid uit en focus op inhoud.
- Beschouw taal als artistiek terrein. Stimuleer meertalige praktijken, niet enkel als exotische meerwaarde, maar als expressie van hedendaagse realiteit.
Omarm het onzuivere. Etniciteit is geen vast gegeven, maar een voortdurende vermenging. Kunst kan die fluïditeit tonen, tegen de drang naar zuiverheid in.
Persoonlijke naschriften
Ik heb geleerd dat mijn identiteit niet in één kader past. In mijn familie lopen lijnen van koloniale geschiedenis, migratie, geloof en verzet door elkaar. Die complexiteit is geen tekort, maar een onuitputbare bron. Ze herinnert me eraan dat etniciteit geen erfstuk is dat ik graag ergens wil opbergen in een glazen kast, maar een verhaal in beweging en voor iedereen.
In mijn kunstpraktijk probeer ik dat verhaal te laten klinken; niet als uitleg, maar als resonantie. Wanneer ik verschillende talen door elkaar gebruik, wanneer ik ritmes mix uit Congo en Brussel, dan verzet ik me tegen het idee dat authenticiteit vastligt, dat ik geen echte Vlaming kan zijn, ook al blijkt dat niet uit mijn naam of ‘etnische’ achtergrond. Authenticiteit is geen trouw aan een oorsprong, maar aan een ervaring van tussenin-zijn: het besef dat identiteit niet vastligt, maar voortdurend gevormd wordt in ontmoeting, spanning en vertaling. Die ervaring is niet enkel persoonlijk; ze is collectief. Ze zegt iets over onze tijd, over de steden waarin we leven, over het kunstenveld dat zich telkens opnieuw moet heruitvinden.
Het erkennen van dat tussenin-zijn is misschien de kern van meerstemmigheid. Het betekent niet dat elke stem even luid moet klinken, of dat verschillen verdwijnen, maar dat we leren luisteren naar de manieren waarop stemmen elkaar kruisen, breken en aanvullen. Kunst kan die ruimte belichamen: ze kan tonen dat identiteit niet iets is wat men heeft, maar iets wat men doet: performatief, relationeel, tijdelijk. In die zin biedt de kunst een unieke mogelijkheid om de logica van ras en etniciteit te ondergraven. Waar politiek en beleid vaak vastlopen in categorieën, kan kunst de porositeit ervan tonen. Ze kan zichtbaar maken dat wat we ‘etniciteit’ noemen niet zomaar een cultureel label is, maar een voortdurend proces van positionering binnen machtsstructuren.
Maar dat kan alleen als het kunstenveld bereid is om zichzelf te bevragen. Wie wordt gehoord? Wie wordt vertaald? Wie wordt als ‘meerstemmig’ erkend, en wie wordt nog altijd geacht de norm te belichamen? Meerstemmigheid vraagt niet enkel inclusie, maar ook kritische zelfontmanteling, namelijk het besef dat onze instellingen, onze taal, onze beoordelingscriteria historisch gegroeid zijn uit een systeem dat verschil hiërarchisch ordent en dat die ordening specifieke belangen dient.
Daarom is het niet genoeg om diversiteit te vieren; we moeten begrijpen hoe ze voortdurend wordt begrensd. Etniciteit is geen kleurrijk mozaïek van culturen – denk alweer aan dat ministerieel kabinet van Boris Johnson of het presidentschap van Barack Obama – maar een machtsveld waarin sommige vormen van verschil worden verwelkomd zolang ze de norm niet bedreigen. Wat we daaruit kunnen leren, is dat het precies die spanning is die de kunsten kunnen blootleggen, niet door antwoorden te geven, maar door vragen te stellen.
Wanneer ik vandaag naar jonge kunstenaars kijk, zie ik dat er iets aan het kantelen is. Meertaligheid, gemengde invloeden, diasporische verhalen: ze zijn geen uitzondering meer, maar een nieuwe vanzelfsprekendheid. Toch blijft het cruciaal dat we die vanzelfsprekendheid niet depolitiseren. Want wat nu als ‘diversiteit’ wordt gevierd, is vaak het resultaat van generaties strijd, uitsluiting en herdefiniëring. Etniciteit in de kunsten begrijpen, betekent dus ook erkennen dat achter elke stem een geschiedenis van macht schuilgaat en dat die geschiedenis niet voorbij is. Kunst kan helpen om die geschiedenis niet te herhalen, maar te herschrijven. Niet door het verschil te wissen, maar door het te laten spreken in al zijn contradicties.
Tot slot
Meerstemmigheid is dus geen einddoel maar een praktijk. Ze vraagt tijd, frictie, spanning en de bereidheid om privileges te erkennen. Het betekent dat instellingen zich niet enkel moeten openstellen voor andere stemmen, maar moeten hervormen in dialoog met die stemmen.
Het vergt ook dat we anders leren spreken over ras en etniciteit – niet als labels die groepen onderscheiden, maar als processen die machtsrelaties kunnen vormgeven. Alleen dan kunnen we begrijpen dat wat in het beleid etniciteit heet, vaak de hedendaagse taal is voor racialisering. En dat we pas werkelijk meerstemmig worden wanneer we die erfenis onder ogen durven zien.
In dat licht kan kunst een oefening in dekolonisatie zijn: een ruimte waarin het onzuivere, het gemengde, het meertalige niet wordt weggefilterd, maar gevierd, en niet een keer per jaar, maar elke dag. Een plek waar we leren dat identiteit niet één stem is, maar een koor dat zich voortdurend herschikt; dissonant, ritmisch, open. Misschien ligt daar de echte belofte van een meerstemmig kunstenveld, namelijk niet in het harmoniseren van verschillen, maar in het leren luisteren naar hun resonantie. Net zoals de biologie ons leert over ecosystemen: alleen door het onzuivere toe te laten, kunnen we werkelijk als mensheid bloeien.