Succes heeft te maken met het bereiken van vooropgestelde doelen. Een organisatie bepaalt strategische en operationele doelstellingen, en schakelt middelen en mensen in om die te behalen. Ook mensen stellen zich professionele doelen. Die kunnen concreet zijn (bijvoorbeeld een professionele loopbaan als balletdanser) of meer algemeen (minstens deels kunnen leven van artistiek werk, achter de schermen aan de slag in de kunsten, vaste tewerkstelling).
Professioneel succes in de kunsten kan er dan ook op vele manieren uitzien. Het pad van een succesvol maker hoeft niet te leiden van kleine naar grote podia, van weinig tot veel publiek of verkoop, of van lokale tot internationale publiekswaardering. Net zoals de loopbaan van een succesvol kunstwerker niet per se van werknemer tot leidinggevende loopt, of van artistiek assistent tot curator, en net zoals een organisatie niet groot moet worden of hoeft te institutionaliseren om succesvol te zijn. Succes is een functie van gestelde ambities.
Dat lijkt evident, maar het staat in spanning met ingesleten ideeën in de publieke verbeelding over succes in de kunsten. Volgens zo’n narratief is een succesvol kunstenaar een creatief genie dat alles opgeeft voor de kunst, en dat met weinig hulp of geluk vanuit onzichtbaarheid en precariteit uitgroeit tot een goed verdienende publiekslieveling. Zo’n genie heeft in de collectieve verbeelding vaak een bijzondere persoonlijkheid en vertoont singulier gedrag, als een soort neveneffect van die genialiteit.
Dat is natuurlijk een sterke overdrijving. Meer dan een expliciet voorgeschreven ‘pad’ betreft het een onuitgesproken blauwdruk. Vergelijkbare maar minder dramatische aannames bestaan over succesvolle kunstorganisaties – internationaal geprofileerd, breed bereik, grootschalig – en kunstwerkers.
Download en lees de Landschapstekening 2025
Algemeen besluit
In veel kunstdisciplines liggen de herstelnood en de werkdruk hoog. Dit hoofdstuk bespreekt manieren om het welzijn van kunstenaars en kunstprofessionals beter te beschermen. Centraal staat de promotie van een bredere en meer gediversifieerde kijk op zogenaamd succes in de kunsten.
Een succesvolle kunstenaarsloopbaan kan er op verschillende manieren uitzien, maar impliciet verwachten velen van succesvolle makers vooral hoge output, artistieke excellentie of een groot publieksbereik. Dit soort diep inge- sleten verwachtingen hangen samen met een systeem gericht op zichtbaarheid, publiekscijfers en snelle turn-over. Bij sommige makers, zeker aan het begin van hun loopbaan, kan dat zoals eerder besproken leiden tot zichtbaarheidsdruk en productiedwang. Bij mensen in omkaderende en ondersteunende rollen kan het leiden tot stress en ziekte.
Dit thema speelt al geruime tijd in de kunsten. Er zijn beleid, regelgeving en instrumenten rond ontwikkeld, maar die vinden niet altijd en overal implementatie. Naast regels zijn een mentaliteitsverandering en een cultuuromslag nodig. Die gaan onder meer gepaard met realistische ambities, goede rolafbakening met daarbinnen grote autonomie, en heldere feedbackcultuur. Hoe dat er concreet uitziet hangt af van werking tot werking, en van praktijk tot praktijk.
Over de vraag hoe je dit soort systemische uitdagingen aanpakt zullen overleg en samenwerking nodig zijn, binnen het veld en tussen sector en beleid. Bepaalde keuzes kunnen gevolgen hebben voor de productiviteit van ons veld: de hoeveelheid werk die wordt opgeleverd en de snelheid waarmee dat gebeurt. Nemen veld en beleid die keuzes ernstig, dan vraagt dat een doorvertaling in beleidsplannen, een sensibilisering van beoordelingscommissies en van de toezichthoudende administratie, en mogelijk ook een revisie van criteria in het Kunstendecreet.
Kan het deel uitmaken van de toekomstvisie van het Vlaams beleid dat makers en organisaties kwantitatief ‘minder werk’ inplannen, en daarentegen toelichten hoe ze met de vrijgekomen tijd en middelen een meer zorgzame praktijk willen cultiveren? Hoe houden we daarbij het best rekening met de vele noden van kunstenaars?
Tentatieve antwoorden op deze laatste vraag vindt de lezer niet enkel hier, we linken ook terug naar het hoofdstuk ‘De totstandkoming, spreiding en presentatie van kunst in Vlaanderen’. Daarnaast brengen we in herinnering dat er een groot verschil bestaat tussen zogezegde overproductie en een zogezegd ‘teveel aan kunstenaars’. Iedereen heeft recht op actieve en passieve toegang tot kunst, maar slechts weinigen zijn hun hele leven voltijds als autonoom maker aan de slag. Hoeveel en hoe snel mensen werk produceren wordt liefst niet bepaald door een productie- en presentatiesysteem waarbij (te) veel afhangt van permanente zichtbaarheid.
Kerninzichten
- In functie van de bescherming van het welzijn van makers en kunstprofessionals is een cultuuromslag nodig: zorgzaam werken als non-negotiable.
- Er is witruimte nodig in de plannen van kunstspelers om het werk daarop te organiseren.
- Er is behoefte aan meer aandacht en zichtbaarheid voor de verschillende manieren waarop makers vorm geven aan hun loopbanen, en welke prioriteiten ze daarbij leggen.