Landschapstekening 2025: sterktes, zwaktes, kansen en bedreigingen

In het laatste deel van de Landschapstekening Kunsten brengen we de belangrijkste inzichten samen over de sterktes en zwaktes van, en de kansen en bedreigingen voor, het kunstenveld vandaag. Daartoe leggen we de link tussen disciplinespecifieke en thematische hoofdstukken.
Bijkomend bespreken we een aantal topics die aan bod komen in de opportuniteiten voor beleidsoptimalisatie. Het betreft thema’s die van belang zijn voor grote delen van het ecosysteem: denk aan landschapszorg, landschapsversterking, in-, door- en uitstroom, klimaatverandering en ecologische duurzaamheid.

De sterktes van het kunstenveld in Vlaanderen vandaag

Kunst – het werk, de makers, de kunstwerkers – heeft een belangrijke maatschappelijke rol te spelen. Deze blijft evolueren met de samenleving en de noden die erin leven. In bepaalde praktijken en scenes is ze erg expliciet. Maar ook wanneer ze dat minder is, onderscheidt deze maatschappelijke meerwaarde kunst van veel andere creatieve praktijken en belevingen. In elke discipline kan kunst verbinden, troosten, verblijden, zingeving bieden en aanzetten tot twijfel, empathie, reflectie en blikverbreding. De sterkte van het kunstenveld in Vlaanderen is dat het daar daadwerkelijk ook op inzet, mede dankzij de mogelijkheden die publieke ondersteuning daartoe biedt.

In elke discipline vind je veel solidariteit en samenwerking. Organisaties stellen ruimte ter beschikking van wie dat nodig heeft, detecteren noden en spelen daarop in vanuit intrinsieke motivatie en engagement. Mensen werkzaam in de kunsten delen kennis, en zetten in op verdieping en samenwerking vanuit vertrouwen en loyaliteit. Kunstenaars volgen en steunen elkaar in verschillende circuits, scenes en netwerken, ze vormen collectieven voor (co)creatie, delen ruimte of organiseren de logistieke, zakelijke of administratieve kanten van het werk gezamenlijk. Er zijn performante belangenbehartigers, beroepsgroepen en adviesraden actief.

Er gaapt geen brede kloof tussen sector en beleid. Men overlegt, luistert en zoekt samen naar oplossingen. Onder meer decreten, fondsen, regelingen op meerdere beleidsniveaus, en fiscale stimuli leveren ondersteuning voor het werk dat in het veld plaatsvindt. Waar mogelijk en aangewezen worden ook profit spelers daarbij betrokken. Het Kunstendecreet werkt vanuit een sterk bottom-up gerichte traditie, de fondsen werken in overleg met de subsidiërende overheid maar genieten de autonomie om in te spelen op evoluties in het veld.

Als geheel is ons kunstenveld goed uitgebouwd. Het huisvest diverse spelers die gezamenlijk alle ecosystemische rollen in meerdere of mindere mate opnemen. Doorgaans hoeft men in Vlaanderen niet ver te reizen om aan kunst of cultuur te doen. Het werk dat internationaal wordt gepresenteerd oogst weerklank. De professionaliteit is over het algemeen hoog.

Ook onze kunstopleidingen zijn van hoog niveau, en ingebed in een breed en laagdrempelig educatief aanbod. Het democratisch recht op toegang tot kunst en cultuur is voor kinderen en jongeren zo goed mogelijk verzekerd via samenwerkingen tussen kunst, cultuur en onderwijs.

De democratisering van actieve kunstbeleving zet zich ook door. In veel disciplines – muziek, woordkunst, illustratie, performatieve kunstvormen, video – kunnen mensen met een bescheiden investering aan het creëren slaan. Dat bevordert het draagvlak voor kunst, dat in Vlaanderen toch al groot is. Het kunstwerkattest en de kunstwerkuitkering maken een belangrijk verschil voor de sociaal-economische positie van artiesten die hierdoor de vaardigheden en kennis die hun beroep vereist, kunnen onderhouden tussen opdrachten door.

De zwaktes van het kunstenveld in Vlaanderen vandaag

De ondersteuning van kunst en cultuur gebeurt via een samenspel tussen beleidsniveaus en -domeinen. Dat schept mogelijkheden en versatiliteit, maar het leidt soms tot versnippering, onduidelijkheid en – indien ontvankelijkheidseisen en criteria te strikt worden opgevat – makers en werk die tussen de mazen van het net vallen.

Zeker sinds de verschuiving van bevoegdheden tussen verschillende beleidsniveaus is er nood aan meer overkoepelende visievorming voor kunst- en cultuurbeleid, en een betere afstemming tussen beleidsniveaus. Die behoefte aan visievorming bestaat ook tussen cultuur en niet-culturele beleidsdomeinen: de financiering van cross-sectorale kunstpraktijken, de versterking van de samenwerking tussen cultuur en het leerplichtonderwijs waar een gebrek aan tijd, middelen en kennis heerst, of ook de afstemming tussen internationaal cultuurbeleid en buitenlandse zaken.

Kunstenaars en organisaties worden in het Kunstendecreet niet altijd aangemoedigd tot het combineren van financieringsbronnen. Soms schatten secretarissen of commissies een bijkomende financieringsbron onnodig in als dubbele subsidiëring, soms ontmoedigen de regels het zoeken van bijkomende middelen doordat ze die als subsidiëring en niet als eigen inkomsten beschouwen. Niet enkel maakt dat het moeilijker om het verplichte percentage eigen inkomsten te halen, maar ook duwt het het bedrag de hoogte in. De verplichte eigen inkomsten worden immers berekend op basis van het totale subsidiebedrag waarmee een aanvrager werkt.

Het werk rond de implementatie van fair pay en fair practices is niet afgerond. Soms wordt onzichtbaar werk niet of amper vergoed. Soms staan coproductiebijdragen stevig onder druk, met impact op wat wordt gemaakt. Makers, uitvoerders en omkaderende teams werken bijvoorbeeld onder grotere tijdsdruk, of dragen soms mee het risico voor een project door hun verloning afhankelijk te maken van verhoopte opbrengsten. Soms blijven presentatieplekken de amateurkunstenvergoeding beschouwen als richtlijn voor de fees van professionele artiesten. Vooral in niet-klassieke muziek blijft dat courant. Voor transparante en evenwaardige onderhandelingen schuift Juist is Juist principes naar voor, maar om uiteenlopende redenen vinden die niet altijd en overal toepassing. Wanneer budgetten tekortschieten om CAO-conform te werken zoeken artiesten onderling naar manieren om principes rond fairness toe te passen.

Veel kunstenaars leven in sociaal-economische onzekerheid. Hun tewerkstelling is vaak kort en projectmatig, en lijkt nog meer gefragmenteerd te raken dan vroeger. Het leidt tot verbrokkelde planningen, meer organiserende werklast, en verregaande ‘verfreelancing’. Het kunstwerkattest en de kunstwerkuitkering maken een verschil bij het opvangen van periodes tussen projecten en opdrachten, maar blijken nog niet overal goed gekend.

In de meeste disciplines heerst grote zichtbaarheidsdruk. Ons veld is grotendeels gericht op de presentatie van zichtbare kunst, en op de ondersteuning van aantoonbare en concrete arbeid. De artistieke vertaling daarvan is ontwikkeling die onder druk staat, en een gebrek aan aandacht voor procesmatige of immateriële praktijken.

Er is nood aan meer plekken en structuren die ontwikkeling en experiment faciliteren, ondersteunen en omkaderen. In sommige disciplines ontbreekt het aan stevige ontwikkelings- en productieplatforms (mediakunst, audiovisuele kunst, muziek), in andere aan broedplekken en werkruimte (beeldende kunst). Financiële middelen voor ontwikkeling zijn er in het Kunstendecreet, bij Literatuur Vlaanderen en bij het Vlaams Audiovisueel Fonds (VAF). Binnen het Kunstendecreet zijn deze instrumenten niet in elke discipline goed gekend.

In de meeste disciplines is sprake van productiedwang omdat makers – zeker aan het begin van hun loopbaan – zichtbaar willen blijven én ook het hoofd boven water willen houden. We schreven er al over in de vorige Landschapstekening Kunsten (2019). Deze productiedwang blijft bestaan, en is een belangrijk element in wat wordt aangevoeld als een systeem in oververhitting. Het hoge volume aan productie staat – zeker in podiumkunsten en in combinatie met toenemende budgettaire stress meer algemeen – in verband met de druk op coproductiebijdragen.

De internationale instrumenten van het Kunstendecreet focussen zich quasi-volledig op de presentatie van kunst. Een duurzame internationale aanwezigheid van werk en makers uit Vlaanderen vergt meer dan dat. Er komt internationale prospectie bij kijken, deelname aan masterclasses in het buitenland, reiskosten voor overleg over de grenzen heen en voor networking, en dergelijke meer. Aanvragers kunnen de kosten hiervoor begroten, maar die mogelijkheid is niet zeer expliciet en de aanvragen zijn hoogdrempelig. De internationale instrumenten van de fondsen (Literatuur Vlaanderen en het VAF) gaan breder. Onze kijk op wat kunst is, waar en hoe ze met publieken kan worden gedeeld, en hoe een kunstenaarsloopbaan eruit kan zien, is beperkt. Dat maakt het moeilijk het veld correct en volledig te conceptualiseren en er creatief en oplossingsgericht over na te denken. Het verhoogt ook het risico op een poortwachterschap dat vernieuwing ongewild in de weg staat. Over sommige genres of kunstpraktijken heerst het gevoel dat beoordelingscommissies meer sensibilisering zouden kunnen krijgen in functie van een voldoende brede en geactualiseerde kijk op de praktijken waarover ze oordelen.

Een beperkte kijk op kunst, kunstenaars en loopbanen staat inclusiviteit in de weg: een gekende uitdaging waarrond in zowat elke discipline gewerkt wordt, zij het aan verschillende snelheden. Deels hangt dat gebrek aan inclusiviteit samen met dominante visies op hoe een kunstenaarsloopbaan eruitziet, deels met de culturele dominantie van bepaalde vormen en referentiekaders, maar ook met hoge instapdrempels naar bepaalde opleidingen toe. Die kunnen drempels in het veld reproduceren, en ze kunnen ook financieel van aard zijn – denk aan architectuur, of bij uitbreiding aan elke langlopende opleiding die tijd vergt die studenten niet aan een baan kunnen spenderen. Voor een stuk hangt het ook samen met de snelheid waaraan wordt gewerkt, die het moeilijker maakt met zorg te kijken welke kunstenaar, performer, of kunstwerker welke noden heeft, en hoe eraan tegemoet te komen.

Structurele uitsluiting is een systemisch probleem dat stap voor stap moet worden aangepakt. Het kunstenveld is daarmee bezig, maar de weg is nog lang. Bij de sterktes vermeldden we eerder de bereikbaarheid van kunst en cultuur voor het publiek. Er is evenwel een verschil tussen bereikbaarheid in de zin van nabijheid, en toegankelijkheid. Dat laatste verwijst naar de fysieke toegankelijkheid van en de circulatie binnen plekken, maar ook naar de culturele, financiële en sociale toegang ertoe. Onduidelijke gedragscodes en ongeschreven regels, onvoorziene kosten, en een sfeer die soms als hoogdrempelig wordt aangevoeld, staan die toegang in de weg. De bereikbaarheid van kunst en cultuur heeft dan weer te maken met de locatie van plekken, de regeling van openbaar vervoer en de mogelijkheid van digitale alternatieven voor wie zich moeilijker verplaatst.

Vorm geven aan transitie: vele kansen voor het grijpen

Kunstenpunt is geen belangenbehartiger en schuift geen concreet beleidsadvies naar voor, wel toekomstpistes die uit onderzoek en via de input van de sector naar boven komen drijven, en die we hier als kansen formuleren. Concrete beleidsadviezen uitgebracht door belangengroepen bundelden we op de online dossierpagina.

Deze toekomstpistes zijn abstracter en meer systemisch van aard. Het is aan sector en beleid samen om er al dan niet voor te kiezen, ze vervolgens ook expliciet te maken in hun plannen, en implementatie op de lange termijn te verzekeren.

Verbreed de blik op kunst, kunstenaars, kunstenaarsloopbanen en publiek

Kunst is constant in evolutie. Wat wel of niet als artistiek kan worden beschouwd, laat staan als kwalitatief, stond nooit in steen gebeiteld. Maar vandaag leidt groeiende meerstemmigheid tot een nog grotere diversiteit aan referentiekaders. Het is belangrijk die uiteenlopende perspectieven zichtbaarheid en inspraak te geven, want dat draagt bij tot een vollediger en meer genuanceerd zicht op het veld. We hebben het over meer dan smaakvoorkeuren of inhoud. Het gaat ook over presentatiecontexten, vormen, culturele codes, manieren van werken, en oog voor de vele verschillende manieren waarop kunst meerwaarde toevoegt.

Zo’n bredere blik kan helpen om praktijken die nog niet voldoende worden gezien of gewaardeerd, te valoriseren. Dat betekent ook dat er vaak met (nog) meer zorg gekeken kan worden naar wie instaat voor selectie, beoordeling en poortwachterschap, en wie daar verder nog inspraak in zou kunnen of moeten krijgen. Dat geldt voor jury’s, mensen die evalueren en selecteren voor organisaties, wedstrijden of prijzen, en beoordelingscommissies.

Er is ook nood aan een bredere kijk op kunstenaarsloopbanen. Er is geen blauwdruk, al lijkt die soms te bestaan in de collectieve verbeelding. Dat is niet onschuldig omdat succes in verband dreigt te worden gebracht met veel productie, veel opbrengsten of een groot publieksbereik. Zeker in de context van oververhitting is dat ongezond, zowel voor het goed functioneren van het kunstenveld als voor de mensen die erin werken. Om daar tegenwicht aan te bieden kan meer zichtbaarheid worden gegeven aan de vele verschillende manieren waarop mensen invulling geven aan hun makerschap. Vooral bij startende artiesten (denk ook aan de opleidingen) kan een bredere horizon aan toekomstmogelijkheden de druk rond zichtbaarheid en productie temperen. De kunstwerkuitkering is een goed voorbeeld van hoe zo’n genuanceerde visie concreet en beleidsmatig kan worden doorvertaald.

Ook het publiek voor kunst is meer dan wie kaartjes koopt voor een voorstelling, concert, film of expo, of wie een boek of een kunstobject koopt. Publiek neemt deel aan participatief werk, cocreëert programma’s, en neemt kennis van de resultaten uit cross-sectorale praktijken. Sommige kunst bereikt veel mensen over langere tijd, denk bijvoorbeeld aan long tail-modellen, of aan podiumwerk dat lange tijd op repertoire blijft. Sommige vormen bereiken omwille van hun aard slechts weinig publiek omdat ze één op één worden gepresenteerd, omdat het gebouwen of sites betreft (architectuurcultuur), of omdat het werk om andere redenen zo locatiespecifiek is dat het amper of niet kan reizen.

Mensen die zogezegd nooit aan kunst doen komen dagelijks misschien toch met een bepaald werk in aanraking, bijvoorbeeld omdat ze in een wijk wonen met kunst in de publieke ruimte. Sommige mensen houden van zorgzame omkadering in de vorm van nagesprekken, ruimte en tijd voor reflectie en gesprek over wat ze hebben beleefd. Huizen voor kunst en cultuur kunnen terugkerende bezoekers hebben die zich er goed voelen maar zelden aan het aanbod deelnemen.

Zinvolle publiekswerking gaat dan over de vraag hoe je mensen verwelkomend en in een geest van wederzijdsheid bij je werking of bij de totstandkoming van kunst betrekt, óf niet, als ze daar geen behoefte aan hebben. Het gaat over de impact die je op het leven van mensen kunt hebben. Dat soort nuances zijn belangrijk wanneer jury’s of commissies de visie van werkingen en praktijken op publieksbereik wegen, en zeker wanneer de focus daarbij te veel op cijfers dreigt terecht te komen.

Deze vragen – wat is kunst, wie is kunstenaar, hoe ziet een artistieke loopbaan eruit, wat is een kunstpubliek – gaan met andere woorden niet over definities, maar over aannames die niet goed beantwoorden aan de realiteit, en daardoor reductief werken. Ze stellen bepaalde narratieven, praktijken en logica’s centraal, en verwijzen andere op die manier naar de marge.

Landschapszorg en landschapsversterking

Bij de vernieuwing van het Kunstendecreet in 2021 werden twee nieuwe begrippen geïntroduceerd. Beoordelingscommissies moeten voortaan binnen een gekend budgettair kader aan landschapszorg doen. Een Landschapscommissie ziet toe op die landschapszorg over disciplines heen. Kunstorganisaties die zich verzekerd willen zien van ondersteuning voor twee beleidsperiodes moeten een landschapsversterkende rol opnemen.

In het decreet wordt landschapszorg gedefinieerd als “zorg voor het veld als geheel, inclusief evenwichten tussen bijvoorbeeld disciplines, schaalgroottes, functies, geografische ligging, vernieuwing en continuïteit, en de functionele samenhang tussen spelers.” Dat is een brede definitie, die gaat over de zorg voor diversiteit op vele vlakken. Het heeft geen zin het begrip te concretiseren met een limitatieve lijst aan ‘criteria’, en dat doet deze definitie ook niet. Wel is het belangrijk om landschapszorg ernstig te nemen bij het overschouwen van het veld, en zich telkens opnieuw af te vragen welke dimensies ervan op een gegeven moment bijzondere aandacht verdienen. De hoger gemaakte overwegingen rond een breder kunstbegrip kunnen daarbij helpen.

Landschapszorg gaat ook over een beleid voor in-, door- en uitstroom in de kunsten. In het veld wordt hier op verschillende manieren en in uiteenlopende mate aandacht aan besteed. Er is aandacht voor instromend talent maar de concurrentie is groot. Mid-career kunstenaars hebben specifieke noden rond verduurzaming en continuïteit, waaraan niet altijd goed tegemoet wordt gekomen. Zeker in beeldende kunst vinden ze het moeilijk de aanknoping met het ecosysteem te behouden. In muziek hebben ze behoefte aan meer volgehouden ondersteuning.

Ook wordt al enige tijd gepleit voor de ontwikkeling van een beleid rond – de omkadering van – uitstroom: de sociale en zakelijke begeleiding van organisaties die ‘gedwongen’ het Kunstendecreet uitstromen, advisering en ondersteuning van wie zelf beslist niet langer decretale middelen aan te vragen, of een omscholingsbeleid of ondersteuning bij loopbaantransities van professionele kunstenaars (vaak worden hier dansers genoemd, waarvan velen op jonge leeftijd stoppen).

De landschapsversterkende rol voor organisaties gesubsidieerd voor twee beleidsperiodes wordt in het decreet niet gedefinieerd maar omschreven als “de mate waarin de kunstenorganisatie een cruciale en landschapsversterkende rol opneemt binnen het ecosysteem van haar (sub)sector”. Een concretisering voor elk van de eerste ‘lichting’ van dergelijke structuren staat gestipuleerd in hun beheersovereenkomsten. Daarvoor werd niet vertrokken vanuit een inhoudelijke beleidsvisie op landschapsversterking. Evenmin lijkt er bij het creëren van deze rol rekening mee gehouden dat veel andere kunstorganisaties ook erg landschapsversterkend werken. Een onderscheidende definitie die vertrekt vanuit noden in het veld en vanuit de meerwaarde die een meer duurzame ondersteuning kan bieden, zou zinvol zijn. De organisaties die vandaag voor twee termijnen worden gesubsidieerd denken daar naar de verdere toekomst toe volop over na, maar kregen hiervoor van beleidswege nog geen kader aangereikt.

Uitgaande van die tienjarige bestaanszekerheid kan gekeken worden naar noden in het veld, en onderscheidende sterktes en ambities van elke organisatie. Er zijn vele voorbeelden te bedenken. Langdurige partnerships met kleinere of minder robuuste praktijken zouden stabiliteit en omkadering kunnen bieden.

Langetermijntrajecten met kunstenaars leggen potentieel minder tijdsdruk op en laten meer experiment toe, net als meer ruimte voor ontwikkeling of ambitieuzere internationale projecten. Organisaties zouden kunstenaars voor lange tijd – over beleidsperiodes heen – in loondienst kunnen nemen, en zo bijdragen aan een sociaal kunstenveld. In functie van landschapszorg zouden deze organisaties onderling kunnen afstemmen over de kunstenaarsprofielen, de genres, kunst- vormen of praktijken die ze extra omkadering wensen te geven.

Zoals gezegd is landschapsversterkend werken niet het domein van tienjarig gesubsidieerde organisaties alleen. Organisaties, makers en collectieven vormen netwerken die op uiteenlopende manieren versterkend en aanvullend werken. Ze delen infrastructuur, creëren ruimte voor het klaarstomen van mensen in functies waarnaar veel vraag bestaat in het veld, faciliteren netwerkvorming waar nodig, en zetten in op kennisdeling. Er zijn dus tal van landschapsversterkende initiatieven die onze aandacht en steun verdienen.

Welzijn en verlangzaming, met oog voor de belangen van kunstenaars

De cijfers rond herstelnood in de kunsten als voorspeller van burn-out blijven hoog. De tools, richtlijnen en regelgeving om hier iets aan te doen zijn er, maar raken niet overal geïmplementeerd. Er zijn veel taken, verwachtingen, planlast en administratieve complexiteit, en niet altijd genoeg mensen om het werk uit te voeren. Bovendien heeft niet elke kunstpraktijk een professionele omkadering of het budget om fair practices toe te passen volgens de regels van de kunst – en van de wet. Er ligt een grote kans in het afwerken van wat reeds is opgestart, namelijk een zo goed mogelijke bescherming van het welzijn van kunstprofessionals: zowel artiesten als mensen werkzaam in omkadering.

Werkdruk reduceren heeft onder meer te maken met planlastverlaging en het stellen van realistische ambities. Dat laatste is een verantwoordelijkheid van elke organisatie en elk individu, maar ook een collectieve uitdaging die samenhangt met een verlangzaming van het productieapparaat, meer verdieping en voldoende ruimte voor ontwikkeling.

Een grote bezorgdheid hierbij is dat kunstenaars en freelance kunstwerkers niet de dupe mogen worden van een noodzakelijke correctie aan het huidige systeem. ‘Minder doen’ heeft op korte termijn geen impact op het inkomen van een gesalarieerd werker, mogelijk wel op dat van een artiest of freelancer. Je zou van een tweesnijdend zwaard kunnen spreken: bij kunstenaars horen we even vaak verhalen over te veel werk en onmogelijke agenda’s, als over een tekort aan kansen. Een eenduidige oplossing bestaat niet, wel formuleerden we doorheen deze Landschapstekening kleine bijsturingen: meer tijd voor artistieke ontwikkeling, meer kritisch gesprek alvorens werk in creatie of presentatie te laten gaan, een bredere kijk op kunst, spreiding, publieksbereik, presentatiecontexten en loopbanen (ook aan de kunstopleidingen, omdat zij mee de verwachtingen van instromende kunstenaars bepalen).

Minder doen en trager werken zijn niet hetzelfde als uitblazen of het kalmer aan doen. Het gaat over een betere aansluiting waar nodig, tussen werklast, -inhoud en -tijd. Het stelt onze prioriteiten als veld en beleid op scherp: is het welzijn van kunstwerkers en artiesten werkelijk een non-negotiable? Zo ja, wat hebben we ervoor over? Zijn we bereid de mogelijke gevolgen te dragen in termen van kwantitatieve output? Staat het Vlaams kunstbeleid daar ook achter? En kunnen we daar internationaal met partners over in gesprek? Het probleem stopt immers niet aan de landsgrenzen: ook op Europees niveau is er aandacht voor thema’s als werktijd en duurzame concurrentie.

Witruimte: gepland en gebudgetteerd

In verscheidene disciplines en in de context van meerdere uitdagingen wordt gesproken over de nood aan witruimte. Daarmee bedoelen mensen dat ze hun plannen niet volledig willen vastleggen, maar een brok tijd en budget vrij willen houden om hier in de loop van een beleids- of projectperiode invulling aan te geven. Het betreft tijd voor herbronning en overleg, experiment rond nieuwe manieren van werken, uitwisseling met peers en collega’s, en een meer evenwichtige ondersteuning van makers. Telkens gaat het over de behoefte om ruimte en middelen te vrijwaren voor wat voortkomt uit de actualiteit, zelfreflectie, nieuwe kansen of urgenties.

Het voornemen om witruimte in te plannen kwam in verschillende gedaanten naar voren tijdens onze sectorgesprekken. Sommige organisaties voor productie of presentatie houden ruimte en middelen vrij voor makers die kort op de bal ondersteuning komen vragen. Het is hun manier om, als ze ervoor kiezen minder te doen, voldoende fairness in te bouwen: ook wie misschien de ervaring, de professionaliteit of de omkadering ontbeert om goed op voorhand met artistieke voorstellen te komen, krijgt een kans.

Daarnaast zoeken mensen tijd om na te denken over de rol die zij zelf, of de organisaties waarvoor ze werken, kunnen spelen in de transitie van het kunstenveld: meer verschillende en concrete invullingen van principes als solidariteit, fairness, inclusiever werken, kennisdeling, en dergelijke meer. De voorbije jaren is hard gewerkt aan een instrumentarium, maar implementatie bleek niet altijd evident. Mensen werken in uiteenlopende constellaties, vormen en contexten: met beperkte middelen, beperkte omkadering, toegespitst op erg specifieke behoeften. Dan is het zaak voor elk van die situaties te bekijken welke aanpak haalbaar is, en aanvaardbaar voor alle betrokkenen – en dat vraagt tijd.

Er bestaat een diepe wens om aan de slag te gaan met inzichten en ideeën uit reflectieprogramma’s: de inzichten van activisten, wetenschappers en experten die in het kunstenveld aan het woord komen over onder meer ecologische duurzaamheid, dekolonisering, en anti-discriminatie. Mensen hebben het gevoel dat het reflectieve werk in de kunsten te vaak stopt bij publieksgerichte programma’s. Kunst heeft de mogelijkheid hier een actieve rol in te spelen. Ze kan deze kennis en inzichten toepassen op haar eigen manier van werken, zich engageren ter versterking of ondersteuning van middenveldorganisaties die errond werkzaam zijn, of politieke en maatschappelijke standpunten innemen. Ook voor de ontwikkeling van een organisatiebeleid hierrond is tijd nodig.

Kennisdeling en -borging

In verschillende disciplines en praktijken stellen we een behoefte vast aan kennisdeling en -borging. Met kennis bedoelen we niet enkel inzichten over een bepaalde kunstpraktijk, maar ook contacten, inspiratie, financieringsbronnen en good practices. We stellen vast dat daar vaak nieuwsoortige, mediërende rollen mee gepaard gaan: mensen met kennis van kunst, van onderwijs of van andere sectoren waarmee cross-sectorale projecten worden opgezet, van kunst in de publieke ruimte of architectuurcultuur, en hoe te bemiddelen tussen opdrachtge- vers, kunstenaars en omwonenden.

Spelers in de kunsten en in het leerplichtonderwijs hebben nood aan uitwisseling en inspiratie. Cultuurkuur centraliseert relevante kennis en publiq organiseert kenniscirculatie rond informele cultuureducatie, maar een speler die actief inzet op het verspreiden van goede praktijken, de organisatie van studie- of informatiedagen of andere inspirerende evenementen rond de samenwerking van professionele kunst en leerplichtonderwijs ontbreekt.

Ook actoren in het (boven)lokale kunst- en cultuurbeleid hebben nood aan uitwisseling over en afstemming van hun plannen. Lokale kunst- of cultuuroverleggen blijken een grote meerwaarde naar cohesie toe, alsook voor overleg met beleidsmakers en gedeelde kennisontwikkeling. Waar dergelijk overleg niet bestaat, kunnen intergemeentelijke samenwerkingen (IGS’en) wellicht een rol spelen. Maar de vragen waar steden en gemeenten voor staan, hebben ook een bovenlokale en een Vlaamse dimensie: in functie van landschapszorg bijvoorbeeld, en van overkoepelende coherentie rond de kansen voor makers en organisaties naargelang waar ze gevestigd zijn. 

Op gelijkaardige wijze is er nood aan actuele informatie over mogelijke partners en financieringsbronnen voor cross-sectorale praktijken, aan leerkansen hierover, en aan oplossingen voor de uitdagingen rond de documentatie en archivering van dit soort werk. Zowel in samenwerkingen tussen kunst en het onderwijs als bij cross-sectorale kunstpraktijken bestaat er een vraag naar domeinoverschrijdende visievorming.

Voor participatieve kunstpraktijken zijn kennis van en ervaring met methodieken van groot belang. Veel van die kennis kan op zijn beurt inspirerend zijn voor het bredere kunstenveld. Vandaag wordt ze nog niet goed bijgehouden, gedocumenteerd of gearchiveerd, terwijl er sprake is van een generatiewissel, en dus van urgentie.

Nog een stap verder komen we bij de behoefte aan een systeem voor kunstenbreed, representatief en zo toegankelijk mogelijk overleg over grote gedeelde uitdagingen. Daarin kunnen belangrijke vragen aan bod komen waarmee iedereen worstelt – duurzaamheid, rechtvaardigheid, veiligheid, en de rol van kunst als civiele actor in tijden van crisis. Zo’n systeem of platform kan faciliterend of ondersteunend werken voor maatschappelijke of zelfs politieke actie, met respect voor de wensen, zorgen, sterktes en zwaktes van elke speler. Vandaaruit kunnen de banden versterkt tussen het kunsten- en het bredere middenveld, in functie van grotere complementariteit en onderlinge versterking.

Bedreigingen voor het kunstenveld in Vlaanderen

In wat voorafging wierpen we tal van kansen en uitdagingen op. Duurzame antwoorden brengen keuzes met zich mee, en de meeste daarvan hebben consequenties: budgettair, in termen van tijd en aandacht, soms ook qua productiviteit. Maar tijd en middelen zijn schaars.

De levensduurte is de voorbije jaren stevig toegenomen, met een impact op de koopkracht van mensen en organisaties. Hoe dring je als producerende, presenterende of omkaderende structuur de werklast terug, en voorkom je tegelijkertijd dat kunstenaars daar de dupe van worden? Hoe maak je je infrastructuur maximaal beschikbaar, maar zet je haar ook in in functie van verplichte eigen inkomsten? Hoe weeg je de maximale omkadering van een beperkt aantal kunstenaars af tegen de noden van zoveel andere artiesten? Dit soort vragen zal voor veel organisaties herkenbaar zijn. Hoe beperkter de budgetten, hoe moeilijker ook het zoeken naar een goed evenwicht.

De vrijheid van spreken en handelen staat in meerdere delen van de wereld onder druk. Ondanks de grote autonomie die het kunstenveld in Vlaanderen nog steeds geniet, zagen we de voorbije jaren voorbeelden van politieke beïnvloeding of ongeoorloofde bestuurlijke inmenging. De politieke en maatschappelijke zeggingskracht van kunst – het werk, de spelers, het veld – moet ten allen prijze beschermd worden.

Zowel bij makers als bij producenten, mensen in spreiding, programmatoren en curatoren, horen we verhalen over een ‘teveel’. Een te groot artistiek aanbod om geprofileerd en zichtbaar te zijn, te veel voorstellen om het overzicht te bewaren en artistiek te plannen. Pistes om het gevoel van overproductie aan te pakken werden hogerop uit de doeken gedaan. De voorbije jaren zijn andere en meer drastische ideeën geopperd, zoals het verhogen van de drempels naar een artistieke loopbaan – denk aan strengere selecties aan opleidingen of een hogere drempel naar het Kunstendecreet. Dit soort maatregelen lijkt misschien duidelijker en concreter, maar is daarom niet fair of zelfs effectief. Producenten hebben nu reeds te lijden onder te veel administratief werk, makers onder te weinig kansen om te creëren. We gaan ervan uit dat de bedoeling niet een verhoging van drempels is, maar net een nivellering van toegang en kansen.

Makers en producenten van Vlaams gesubsidieerd werk in podiumkunsten en muziek staan voor uitdagingen inzake spreiding in de lokale cultuurhuizen. Sinds de verschuiving van beleidsbevoegdheden worden de voormalige cultuurcentra niet langer vanuit Vlaanderen gestimuleerd om hier budget en ruimte voor vrij te houden. Vergelijkbare uitdagingen bestaan er voor tentoonstellingen en filmvoorstellingen. 

Vandaag staat het Vlaams gesubsidieerde aanbod als optie naast tal van andere mogelijke opdrachten en ambities waar cultuurhuizen een werking rond ontwikkelen. Voor nogal wat huizen komt het boven op de nood aan infrastructurele vernieuwing.

Zeker in live kunsten hangt veel af van bevestigde data: beoordelingscommissies houden er rekening mee en uitkoopsommen zijn cruciaal voor de verdienmodellen. Hoe minder zeker de inkomsten, hoe groter vervolgens de kans op gefragmenteerde tewerkstelling van kunstenaars, met alle hoger beschreven uitdagingen die daarmee gepaard gaan.

Internationaal wordt de concurrentie voor kunst uit Vlaanderen groter door de sterke promotionele ondersteuning in sommige landen voor export en promotie van hun artistiek werk, administratieve drempels en complexiteit, veranderende netwerken, en de wijzigende businessmodellen die samenhangen met digitalisering in bijvoorbeeld muziek en film. Internationale coproducties in podiumkunsten zijn moeilijker voor elkaar te krijgen dan vroeger.

Nogal wat van onze kunstopleidingen worstelen met budgettaire krapte en administratieve inflexibiliteit, onder meer doordat ze onder grotere structuren ressorteren. Ze pleiten voor meer autonomie, onder andere in functie van een betere aansluiting met het werkveld.

De klimaatverandering is een van de belangrijkste bedreigingen van deze tijd. Al is het kunstenveld niet bij machte die tegen te houden, toch draagt ze de verantwoordelijkheid haar steentje bij te dragen tot bewust en idealiter zelfs klimaatneutraal handelen. Sommige kunstvormen (zoals vormgeving, architectuur, beeldende kunst) zijn vanuit hun aard bewust en expliciet bezig met hergebruik, circulariteit en duurzaamheid. Er zijn tal van specifieke beleidsingrepen mogelijk: van het aanpakken van geluidsoverlast door culturele evenementen in natuurdomeinen, over subsidies voor wie zich met het openbaar vervoer verplaatst, tot het hergebruik van bestek en bekers. Verder raakt ecologische duurzaamheid op twee heel belangrijke manieren aan de kunstpraktijk: op het vlak van infrastructuur (breed beschouwd: gebouwen, ventilatie, energie) en op het vlak van reizen en mobiliteit. Wat infrastructurele aanpassing, vernieuwing en hergebruik betreft, wordt nadrukkelijk naar het beleid gekeken omwille van de budgetten en techniciteit die ermee gepaard gaan. Wat betreft internationale mobiliteit kijken we vandaag al kritischer naar spreidings- en tourplannen, maar meer is mogelijk. Duurzaam reizen – met respect voor de draagkracht van de planeet en van de mens – gaat hand in hand met het aanpakken van andere problemen, zoals de druk om zo zichtbaar mogelijk te zijn en de kwantitatieve inschatting van succes. Pulse Transitienetwerk, dat zich sectoroverschrijdend inzet rond duurzaamheidsvraagstukken, werkt met budgetten die niet in verhouding staan tot de zwaarte van de uitdagingen.

Bij het ontwikkelen van deze Landschapstekening ging Kunstenpunt voor elke vaak gehoorde stelling tijdens sectorsessies op zoek naar cijfermatige onderbouwing. Daarbij stootten we op een zwakte, die indien ze niet wordt aangepakt een bedreiging wordt: gebrekkige dataverzameling. Zeker onze data over kunstbeleving in het onderwijs en spreiding, een onderwerp waar veel mensen zich zorgen over maken, vertonen gaten. Gegevens in de UiTdatabank worden niet of onvolledig ingevoerd, net als in de (niet verplichte) lokale vrijetijdsmonitor, die ook weinig gedetailleerd is. Ons zicht op internationale spreiding is – met uitzondering van gesubsidieerde podiumkunsten – al helemaal beperkt.

Ook de sjablonen voor rapportering binnen het Kunstendecreet zijn voor veel mensen erg complex, wat leidt tot uiteenlopende manieren van rapportering en interpretatie van data. Elke bijkomende bevraging, elk nieuw onderzoek en elke nieuwe monitor betekent extra werk voor kunstprofessionals. Er is nood aan overleg in functie van een gedragen en gedeelde visie op dataverzameling en -analyse op de lange termijn. Welke informatie willen sector en beleid krijgen, hoeveel werk kunnen ze investeren in de verzameling ervan, en hoe kan de werklast hierrond binnen de perken worden gehouden?

Ga naar de dossierpagina over de Landschapstekening Kunsten

wiki b